Een meisje! Oh nee, toch een jongen

Vandaag een gastbijdrage van Henk Boeke, redacteur van Ouders Online. Het stuk is ook op zijn site te lezen.

androgyne mens op Middeleeuws plaatje“Zoutarm dieet vergroot kans op dochter” kopten de kranten afgelopen week. Het verhaal was gebaseerd op echt wetenschappelijk onderzoek, en de resultaten daarvan waren significant. Maar zó overdreven significant dat je denkt: dat kan niet kloppen. Ik zocht het uit en kwam tot een opmerkelijke conclusie: wie zich aan de regels houdt om een meisje te maken, loopt juist een vergroot risico een jongen te krijgen.

Met een speciaal dieet en seks op het juiste moment zouden aanstaande ouders het geslacht van hun kind kunnen beïnvloeden. Dat klinkt interessant, maar ook verdacht, want al eeuwen lang proberen mensen het geslacht van hun toekomstige kinderen te beïnvloeden – met Chinese vruchtbaarheidskalenders, calorierijke of juist -arme diëten, of door letterlijk op je kop te gaan staan (na het vrijen) – terwijl het effect van al die methodes nooit goed is aangetoond.

En nu verschijnt er opeens een onderzoek dat mede werd uitgevoerd door het Maastricht Universitair Medisch Centrum, waarin bevestigd lijkt te worden dat het toch zou kunnen. Dat wekte dus meteen onze belangstelling. Hoe kan dat nou? Een heuse doorbraak? Eerst de feiten, dan onze analyse.

Gender Consult

In Waalre bevindt zich een commercieel bureautje (eenmanszaak met 1 werknemer), genaamd Gender Consult, dat ouders helpt bij ‘natuurlijke geslachtskeuze’. De ouders krijgen daar – tegen betaling van een paar honderd euro – adviezen, gecombineerd met bloedonderzoek (om te controleren of de dieet-adviezen wel goed opgevolgd worden), wat een grotere kans op een jongen of een meisje tot gevolg moet hebben.

De methode van Gender Consult is waar het hier om gaat. Die methode komt er in essentie op neer dat je voor het krijgen van een meisje een zoutarm en calciumrijk dieet moet aanhouden, en dat je een paar dagen vóór de ovulatie (eisprong) seks hebt. Wat je moet doen wanneer je juist een jongetje wilt krijgen, is niet helemaal duidelijk want dat wordt niet beschreven in het onderzoek waar we het straks over gaan hebben.

Het onderzoek

Drs. Annet Noorlander, Gender Consult herself zeg maar, daagde de Universiteit van Maastricht uit om haar methode te valideren. De universiteit heeft zelf dus geen veldwerk gedaan, maar heeft zich beperkt tot het verwerken van de gegevens van mevrouw Noorlander. Daarmee zijn ze aan het rekenen geslagen (geholpen door iemand van de TU Delft).

Uiteindelijk leidde dat tot een artikel dat gepubliceerd is op Reproductive BioMedicine Online.

Als eerste auteur staat A.M. Noorlander vermeld. Met J.P.M. Geraedts van de Universiteit van Maastricht en J.B.M. Melissen van de TU Delft als co-auteurs. Daaraan kun je zien dat het dus niet echt een onderzoek van de Universiteit van Maastricht is. Wat nog eens bevestigd wordt door het persbericht, dat afkomstig was van Gender Consult.

Maar los daarvan: de cijfers, daar gaat het natuurlijk om. Laten we die eens van dichtbij bekijken.

De cijfers

Dit soort onderzoek is altijd heel ingewikkeld, met protocol-groepen, referentie-groepen en validatie-groepen. Daar gaan we u niet mee lastig vallen; we beperken ons tot de belangrijkste cijfers. En die spreken boekdelen.

Populatie:

  • aantal stellen bij de start: 172
  • afvallers (miskraam, dieet niet volgehouden, etc.): 94
  • groepje voor uitvoering vooronderzoek (fine-tuning dieet, etc.): 28
  • uiteindelijke testgroep: 50

De 50 stellen waaruit de testgroep bestond, voldeden dus aan alle eisen. Ze spanden zich in, ze haakten niet af, en kregen geen miskraam. Toch werden er slechts 21 van hen geselecteerd voor het onderzoek, omdat de rest verkeerde bloedwaarden liet zien (of net niet precies op tijd gevreeën had). De moeders met ‘verkeerde bloedwaarden’ hadden wel geprobeerd om het dieet vol te houden, maar waren daar net niet in geslaagd.

Kortom: 50 stellen hebben ontzettend hun best gedaan, maar niet iedereen telde mee bij het onderzoek. De resultaten waren als volgt:

  • van de 21 paren die meetelden in het onderzoek, kregen 16 een meisje en 5 een jongen (mooi!);
  • van de 29 paren die niet meetelden, kregen 7 een meisje en 22 een jongen (even schrikken!)

Conclusies

Uit het voorgaande kunnen we de volgende conclusies trekken:

1. Het aantal afvallers was aanzienlijk. Van de 172 deelnemers kwamen er maar 50 in de testgroep terecht. Dat had gedeeltelijk te maken met miskramen maar vooral met het feit dat de meeste ouders het domweg niet volhielden om te eten en te vrijen volgens de regels. Oftewel: bezint voor u begint. Het traject is écht lastig, en zeker niet bruikbaar als doe-het-zelf methode.

2. In de media werden alleen de 21 succesgevallen genoemd, die niet alleen van goede wil waren (zonder afhaken) maar ook de juiste bloedwaarden vertoonden. Hier was het succes inderdaad opvallend: 16 meisjes en 5 jongens, oftewel een kans van ongeveer 3 op 4. Zo’n score is significant. De wetenschapsjournalist Hans van Maanen (auteur van ‘Goochelen met getallen’, een boek over statistisch bedrog) vindt het verschil echter dermate groot dat je er vraagtekens bij moet zetten. Volgens hem duidt zo’n opvallend scheve uitslag erop dat de steekproef te klein was.

3. Bij de 29 ‘andere gevallen’ (de ouders die hun best hadden gedaan, maar waarvan de bloedwaarden niet klopten of die net niet op tijd gevreeën hadden) was het beeld volstrekt omgekeerd: 7 meisjes en 22 jongens. Dát is nog eens significant! Maar dan wel significant teleurstellend… Je doet stinkend je best om een meisje te krijgen, en vervolgens daalt die kans naar 1 op 4 en stijgt de kans op een jongen naar 3 op 4!

4. Als je beide subgroepen weer bij elkaar optelt (zodat je de oorspronkelijke testgroep van 50 stellen weer terughebt, van iedereen die zich braaf aan de regels heeft gehouden), komen er nog steeds meer jongens dan meisjes uit, namelijk 27 jongens en 23 meisjes.

De eindconclusie kan niet anders luiden dan dat de methode-Noorlander om een meisje te krijgen aantoonbaar tot meer jongens leidt. Althans op basis van de kennelijk te kleine steekproef. Een groter opgezet onderzoek zal moeten uitwijzen hoe het nu écht zit, want dat weten we dus nog steeds niet. Maar hoe dan ook is de claim van Noorlander dat haar methode 80% kans op succes geeft, aantoonbaar onjuist. Zie boven.

We danken Hans van Maanen heel hartelijk voor zijn onmisbare ondersteuning bij de totstandkoming van dit artikel. Hans van Maanen is wetenschapsjournalist. Hij schreef onder andere: Goochelen met getallen, Uitg. Boom, ISBN 978-90-850-6835-8.

Bron: A.M. Noorlander, J.P.M. Geraedts, J.B.M. Melissen: Female gender pre-selection by maternal diet in combination with timing of sexual intercourse – a prospective study. In: Reproductive BioMedicine Online, Elsevier, sep. 2010.

  1. 2

    …volgens hem duidt zo’n opvallend scheve uitslag erop dat de steekproef te klein was.

    eigenlijk is de significantie is dus juist niet groot, want de significantie is gedefinieerd als een functie van de steekproefgrootte…

  2. 3

    @1: Misschien, maar dat kunnen we aan de informatie die ons in dit artikel verstrekt wordt niet afmeten.

    Als we de genoemde cijfers gewoon voor waar aannemen dan lijkt een verband aangetoond tussen die gemeten bloedwaarden en het krijgen van een meisje, hoewel nog niet een verband tussen het volgen van de methode en die bloedwaarden. Als ik dat laatste verband gewoon aanneem weet ik niet waar van Maanen zich druk over maakt.

    We hebben een groep van 50 personen waarvan 21 met “meisjes” bloedwaarden en 29 met “niet-meisjes” (ook bekend als “jongens”) bloedwaarden. Onder die eerste 21 krijgt 16/21 = 76% een meisje en onder de tweede 29 krijgt 22/29 = 76% een jongen. De correlatie bloedwaarden/geslacht lijkt nogal onnegeerbaar.

    Opgeteld hebben we 50 moeders, 27 jongens en 23 meisjes en /die/ afwijking van het normale gemiddelde is natuurlijk uitermate veel kleiner en zeer makkelijk op het bord van de kleine steekproef te schuiven. Die eindconclusie komt op mij dus ook over als flauwekul.

    Nu… wat ik, bijvoorbeeld, graag ten eerste zou willen hebben is een garantie dat er geen gemeten bloedwaarden van NA een bevruchting (maar eventueel voordat die bevruchting bekend was) bij zitten om oorzaak en gevolg treintjes uit het verhaal te kunnen mikken maar wat hier boven staat maakt op mij in ieder geval geen weerleggende indruk.

  3. 4

    @2: Dat is een wat riskante uitspraak, de significantie is namelijk gewoon echt groot (de kans dat je een uitslag krijgt van 16 successen of meer op een steekproef van 21 is bij een succeskans van 50% ongeveer 1,3%).

    Waar ik eerder benieuwd naar ben is wanneer de bloedwaardes zijn gemeten. Als dat na of rond de tijd van bevruchting is geweest, kunnen we misschien eerder te maken hebben gehad met bloedwaardes die hun invloed hebben op/beïnvloed worden door het geslacht van het kind.

  4. 5

    @4: Dat zei ik ook al…

    En wat betreft het aantonen van een verband tussen het volgen van (<– nadruk) de methode en de bloedwaarden (in plaats van de bloedwaarden en het geslacht, dus) hebben we natuurlijk nog een oorzaak-gevolg treintje voor wat betreft de criteria voor uitsluiting.

    Als je stelt dat iemand die niet de juiste waarden laat zien niet de methode niet goed heeft gevolgd is het niet erg verbazend dat mensen die de methode niet goed hebben gevolgd niet de juiste waarde laten zien, zeg maar. Wat mij betreft zijn die gemeten bloedwaarden dus volstrekt random en onafhankelijk van de methode, maar een verband tussen die waarden en het geslacht lijkt wel degelijk te bestaan.

  5. 7

    @6: Vind ik och wel logisch. Al was het maar dat bepaalde erfelijke ziektes (vrijwel) alleen bij jongens voorkomen. Lijkt me dat je dan liever vooraf zeker bent van een meisje dan dat je na het vaststellen van het geslacht (vlokkentest, ook niet zonder risico’s) voor de moeilijke keuze gesteld moet worden tussen aborteren of je kind langzaamaan zien sterven.

    Los daarvan is het goed voor de geboortebeperking. Er zijn genoeg van die ouders die zo graag het één willen dat ze desnoods vier keer opnieuw proberen omdat het steeds het ander was (en dan vraag ik me af, hoe is je opvoeding dan als ongewenst jongetje/meisje?).

  6. 9

    Boeke en Van Maanen geven in hun artikeltje helaas een vertekende en suggestieve weergave van de wetenschappelijke resultaten. De werkelijke feiten zijn:

    Geregistreerd voor het onderzoek: 172 stellen, waarvan er 63 afvielen (o.a. ongepland zwanger: 9, ziekte: 8, scheiding/omstandigheden: 12, 5 vinden de behandeling te zwaar en 11 stoppen na miskraam; van deze afvallers zijn er 22 nooit met de behandeling begonnen.). De overige 109 deelnemers kregen een baby. Van 78 vrouwen zijn alle gegevens compleet en bruikbaar voor het onderzoek (het laatste bloedonderzoek wordt nogal eens verzuimd). Van deze 78 deden 32 stellen “hun stinkende best” en deden zowel timing als dieetmethode correct (resultaat: 26 meisjes), 35 deden timing óf dieet incorrect (10 meisjes) en 11 deden beide incorrect (1 meisje). Stellen die de timingadviezen in de wind sloegen deden dat meestal opzettelijk omdat de vrouw dacht dan eerder zwanger te worden. Bij het dieet werd gesmokkeld en werden fouten gemaakt. Duidelijk is dat het niet correct volgen van de methoden averechts werkt (11 meisjes, 35 jongens). Het resultaat van 81% meisjes wordt overigens bevestigd door nieuwe, nog niet gepubliceerde gegevens.

    Over de “conclusies”:
    1. Het traject is inderdaad niet bruikbaar als doe-het-zelf methode. Het vereist een intensieve persoonlijke begeleiding van 6-9 maanden, maar het is voor de meeste vrouwen goed te doen (slechts 5 zijn gestopt omdat ze het te zwaar vonden). Het dieet vereist zeker doorzettingsvermogen. Vergeleken met soortgelijke onderzoeken is het aantal afvallers niet groot (de literatuur rapporteert 60-75% afvallers). Stellen die niet alle gegevens verstrekten zijn “afvallers” voor het onderzoek, maar niet noodzakelijk voor de methode, ze hebben vaak gewoon de hele behandeling gevolgd.

    2. De 16 meisjes en 5 jongens vormen inderdaad een significante score. Als de heer Van Maanen meent te moeten suggereren dat deze “opvallend scheve uitslag” erop wijst dat de steekproef te klein is zou hij toch echt eens een elementair statistiekboek moeten inzien. Als de methode niet zou werken is de kans op deze uitslag slechts 1 op 200. Een kans van 1 op 20 wordt wetenschappelijk al als bewijs gezien, dus de juiste conclusie is dat de methode de kans op een meisje vergroot.

    3. De “29 andere gevallen” zijn niet “ouders die hun best hadden gedaan”, maar ouders die bewust gemeenschap te dicht bij de ovulatie hadden, of smokkelden met het dieet. En met zo’n timing of verkeerde bloedwaarden heb je uiteraard meer kans op een jongetje!

    4. In de groep van 50 hebben 21 stellen alles correct gedaan, terwijl 29 fouten hebben gemaakt. Daardoor zijn er in deze groep iets meer jongetjes geboren.

    5. De juiste eindconclusie moet zijn: Als je de methode-Noorlander correct volgt, heb je aantoonbaar meer kans op een meisje. Als je daarentegen bewust afwijkt heb je juist meer kans op een jongetje! In het wetenschappelijk artikel is aangetoond dat de methode werkt (99,5% zeker), dat het succespercentage ligt tussen 68% en 95% en dat onder de deelnemers die de methoden aantoonbaar correct volgden het succespercentage 81% is.

    Voor meer informatie: http://www.genderconsult.nl
    Annet Noorlander

  7. 10

    @ 9: Twee mensen vroegen zich of hoe dat zit met de garantie dat de gemeten waarden allemaal bloedwaarden van echt voor een bevruchting waren (wat normaliter iets anders is als “voor het moment dat iemand zich van die status bewust is” ook).

    En ik vraag me dat des te sterker af nu na die “(het laatste bloedonderzoek wordt nogal eens verzuimd)” in bovenstaande. Waarom? Komen mensen niet meer nadat ze het heuglijke feit van een zwangerschap hebben leren kennen omdat ze het dan als “af” beschouwen? Betekent dat dat dat laatste onderzoek na de bevruchting is?

  8. 11

    @9, Beste Annet,

    Ook ik kan mij niet aan de indruk onttrekken dat de steekproef erg klein is. Als we even uitgaan van 1:1 ratio jongen:meisje (wat niet helemaal accuraat is) en uitgaan van een binomiaal verdeling, aannemende dat er 16 successen zijn bij 21 pogingen, dan komt matlab met een confidence interval van 0.5283-0.9178 (alpha=0.05, phat=0.762,ph0=0.5) of 0.4608-0.9447 (alpha=0.01). Daarmee is het significant met een 95% CI maar niet met een 99% CI. Maar misschien mis ik iets.
    In Tabel 1 geeft u de getallen weer van vrouwen die wel en niet aan de inclusie criteria voldeden. Ik kan hier slechts constateren dat het opvallend is dat beide groepen tezamen genomen zeer dicht tegen de 1:1 verhouding zitten (37g:41b). Een verklaring hiervoor kon ik niet zo snel vinden, maar daarbij moet ik ook vermelden dat ik dit zeer vluchtig heb doorgelezen. Mijn vraag aan u is: heeft u hier een verklaring voor?

    mvg

  9. 12

    @11: Ik neem aan dat daarop het antwoord gaat zijn dat daarentegen 16+22 “successen” van 50 wel een 0.99 CI levert (0.5745-0.8944) — hoewel dan dat interval nog behoorlijk steviger genomen kan worden trouwens.

    Dat idee heb ik dus steeds al, dat er hier twee verbanden door elkaar beschouwd worden. Ten eerste het verband tussen de gemeten bloedwaarden en het geslacht en ten tweede het verband tussen de methode en de gemeten bloedwaarden. Kijkend naar het eerste verband is zowel “een meisje na meisjes-bloedwaarden” als “een jongen na jongens-bloedwaarden” een “succes” in termen van de statistiek.

  10. 13

    Beste Sargasso-bloggers,

    Ik wil hier nog een paar vragen beantwoorden maar ik hoop dat jullie er begrip voor hebben dat ik geen tijd heb om het hele web af te struinen op zoek naar anonieme critici om me tegen te verdedigen. Ons artikel is gepubliceerd in een gerenomeerd internationaal wetenschappelijk vaktijdschrift en door drie onafhankelijke experts uitvoerig bekeken, becritiseerd en uiteindelijk goed bevonden. De bedoeling van deze gang van zaken is dat het onderzoek door dit stempel van de peer reviewers de status van wetenschappelijk geaccepteerd krijgt en daardoor niet zondermeer tegen elke willekeurige criticaster opnieuw verdedigd hoeft te worden. Het is al vervelend genoeg dat sommige Nederlandse journalisten, niet gehinderd door veel kennis van zaken, er een dagtaak van maken om serieus en vernieuwend wetenschappelijk onderzoek met tendentieus gewauwel en verdraaien van feiten verdacht te maken zonder daarbij vooraf auteurs of experts te raadplegen. Als iemand nog behoefte heeft aan een serieuze wetenschappelijke discussie of misschien zelfs positieve suggesties heeft dan graag even een mailtje sturen.

    @10. De laatste bloedafname moet eigenlijk rond de bevruchting gedaan worden, maar dat is praktisch gezien niet realiseerbaar omdat er helaas niet een bevruchtingslampje bij de vrouw gaat branden en het zou te belastend zijn om rond iedere ovulatie bloed te laten prikken. Het laatste bloedonderzoek wordt nu gedaan zo snel mogelijk na een positieve zwangerschapstest en de vrouw blijft het dieet tot dan volgen, waarbij er vanuit wordt gegaan dat de waarden in de tussentijd niet echt zullen veranderen.

    @10. Het gaat bij de uiteindelijke onderzoeksgroep uitsluitend om vrouwen die al twee of meer kinderen hebben. Uit de structuurgegevens van het CBS uit 2003 blijkt dat een vrouw met twee zoons in Nederland een kans van 0,461 heeft op een meisje. Deze waarde moet je gebruiken bij het berekenen van het betrouwbaarheidsinterval en niet 0,48 of 0,5.

    @11. Bij de vrouwen die voldoen aan de criteria worden veel meer meisjes geboren. Als niet voldaan wordt aan het timingcriterium (vrouwen doen dit soms bewust in de hoop eerder zwanger te worden, hoezo eigenwijze Hollanders?) komt de timing te dicht bij de ovulatie en is de kans op een jongetje juist groter. Iets dergelijks geldt voor het dieet. Dat betekent dat het onjuist volgen van de methode niet alleen maar minder effect heeft, maar juist averechts werkt. Dat in dit geval de twee effecten elkaar precies opheffen lijkt mij toeval. Bij het jongetjesonderzoek (loopt nog) zien we dat er meer jongetjes worden geboren zelfs zonder criterium toe te passen.

    @12 In het artikel worden inderdaad twee verbanden aangetoond. Die tussen bloedwaarden+timing en het geslacht, ook wordt met een paired t-test aangetoond dat er een verband is tussen het volgen van het dieet en de verandering in bloedwaarden en ook dat het bij toeval voldoen aan het criterium zonder een dieet te volgen niet waarschijnlijk is.

  11. 15

    ik zou dit programma aanbieden aan stellen die een jongetje willen. De cijfers tonen duidelijk aan dat, zelfs als je je best doet, de kan groter is dat je het programma niet succesvol volbrengt. Daarmee is de kans op een jongetje , zoals je zelf ook al aangeeft, groter.

    Voor de zekerheid kun je in het programma opnemen dat ze eens in de zoveel tijd moeten zondigen bij het volgen van het dieet om de kans op een jongetje nog verder te vergroten.

  12. 16

    @ Annet:

    Dat begrip bestaat natuurlijk maar merk ook op dat degenen die hier reageren in het algemeen geen “Sargasso-bloggers” zijn en dat de auteur van het stuk zelf (de blogger) niet anoniem is: “Henk Boeke, redacteur van Ouders Online”.

    In ieder geval in mijn geval geldt bovendien dat ik zijn stuk hierboven een allesbehalve overtuigend verhaal vind (zie #3). Wat dat betreft is het ook niet de eerste bijdrage op Sargasso vanaf “Ouders Online” van een bedenkelijk niveau, trouwens.

    Maar dan nog wel even over die laatste test — zowel ik als Bismarck sloegen aan op de mogelijkheid van contaminatie van resultaten doordat de zwangerschap de waarden beïnvloedt in plaats van andersom. Nou wil ik op zich wel aannemen dat iemand anders daar ook al op aangeslagen zou zijn als die laatste test ineens een heel ander beeld zou geven als degenen daarvoor maar zonder verdere informatie over methodiek zoals wij hier zou ik toch meteen gaan vragen naar een versie van het onderzoek met die laatste test genegeerd.

  13. 17

    @Rene12, het probleem met die argumentatie is echter dat in de groep afvallers ‘succes=jongen’ opportunistisch wordt ingevuld. Voor deze groep zou je normaal gesproken de populatie waarde verwachten (54/100 jongen), de observatie wijkt daar van af. De verklaring is dat het afwijken van het programma de kans op een jongen verhoogd, maar daar wordt geen bewijs voor aangedragen. Ik neem namelijk voor het gemak aan dat verreweg de meeste vrouwen afwijken van dit programma (=ze doen er niet aan mee) en dat daarom de populatie waarde de verwachtingswaarde is. Dat de totale set uit tabel 1 (het academische artikel, niet deze post) een kans van 47% op een meisje geeft, dat de verwachtingswaarde voor meisjes 48% is, en dat het daarmee dus maar zeer de vraag is waar we hier nu naar zitten te kijken.
    @Annet13, Dank voor je reactie. Ik heb toch sterke twijfel of het toeval is dat de effecten elkaar opheffen, deze observatie is namelijk in lijn met de h0 dat er geen effect is.

    The effect of the treatment was studied from two perspectives. First, whether mineral blood values could be influenced by a strict diet was investigated. These mineral concentrations are controlled by a tight homeostasis, so any significant change in these values must* be related to the diet. Second, a possible correlation between mineral serum values and timing interval (the number of days between last intercourse and ovulation) on the one hand and the sex of offspring on the other hand was investigated. Sodium, potassium, calcium and magnesium concentrations before starting the diet and immediately after pregnancy were taken into consideration.(doi:10.1016/j.rbmo.2010.08.002)
    (*hormonen/peptiden (ANP,BNP,CNP etc) kunnen ook een rol spelen)

    The data of the treatments leading to the first 28 births were used as references to establish a rule that could be used to predict girls. … The most significant determinants were the Na+ and Ca2+ concentrations before diet and at conception. Mg2+ and K+ concentrations were not found to be significant.

    Uit de resultaten maak ik op dat de natrium concentratie in serum slechts weinig doch significant is veranderd (p0.02, 143.0->139.7). Het zou dus goed kunnen zijn dat alleen de dames die ‘predisposed’ waren voor het krijgen van een meisje vaker het dieet volhielden, maar dat er geen sprake is van een geïnduceerd effect.

  14. 18

    @ DJ:

    Nou, wat dat opportunistisch betreft zou ik nog wel even met je van mening willen verschillen. Jij gebruikt zo te zien de term “afvaller” ook voor de 29 van de 50 maar dat waren geen afvallers voor het onderzoek, maar mensen die gewoon meetelden. Als je het onderzoek beschouwt als “waarden / geslacht” in plaats van “waarden / meisje” is er daarmee niets meer mis.

    Echter. In jouw in #17 aangehaalde stukje staat nu zelfs letterlijk dat de waarden van de laatste meting — “at conception“, waarmee naar ik aanneem dus die laatste meting wordt bedoeld, die in realiteit NA de bevruchting is — één van de sterkst significante was. Ik ga dit onderzoek niet doorspitten, maar die laatste meting negeren en kijken wat er dan van het verband overblijft lijkt me erg nodig hier.

    Wat er bovendien ook staat trouwens is dat de eerste de andere sterk significante was, degene die in ieder geval niets met “de methode” te maken heeft, maar met de normale waarde voor de vrouw in kwestie.

    #0 is een rammelig verhaal, maar in ieder geval het methode/waarden deel van het onderzoek ook lijkt het.

  15. 19

    @Rene, opportunistisch in de zin dat de titel ‘waarden/meisje’ impliceert. De geobserveerde populatie wijkt niet af van de verwachtingswaarde, een dieet effect lijkt er dan ook niet te zijn. Aan de andere kant, vrouwen ‘realiseren’ (zich?) mogelijk al maanden voor de conceptie of het een jongen of een meisje wordt …

  16. 21

    Misschien wat laat, maar te boeiend om niet te reageren.

    Ik ben het ermee eens dat de testgroep te klein was, dus dat betekend gewoon een grotere testgroep regelen en doorblijven gaan met resultaten verwerken.

    Ik ben het met de conclusie van dit bericht NIET eens.

    Als je je niet aan het ideet houdt en al zeker als je je niet aan de timing houdt, betekend dat je NET NAAST datgene zit wat je moet doen. Het is dan ook HEEL logisch dat het resultaat, precies anders is dan wat je hoopt.

    Kortom, je voert de instructies NIET goed uit, om een meisje te krijgen, dat dat resulteert in een jongen is dan heel logisch, want als je zeg maar op dag A moet sexen en je doet dat toch op dag B, tja dan moet je niet gek staan te kijken dat het resultaat een jongen is, en dus eigenlijk als je je niet houdt aan de richtlijnen, de kans op de “verkeerde” uitkomst erg logisch is.

    Bovenstaande cijfers geven dit nog eens aan ook, kortom, het komt JUIST de geloofbaarheid van deze resultaten ten goede.

    Ik vind het gek om te concluderen dat als mensen zich NIET houden aan de regels, en met een ANDER resultaat betekent dat de methode niet werkt. Het gaat toch om het resultaat van de methode, dan moet deze wel goed uitgevoerd worden en moet je alleen kijken naar degene die dit ook gedaan hebben.

  17. 22

    Annet, ik wilde even zeggen dat ik het fantastisch vindt dat je hier een reactie plaatst. Sargasso is een plaats van nuance en kritiek, wij proberen niet bevooroordeeld te zijn maar vooral naar de realiteit en de cijfers te kijken. Ik wil wel nog opmerken dat in dat licht de opmerking die je doet in #009 dat je je niet meer zou hoeven verdedigen als het paper er ligt, natuurlijk geen recht doet aan de wetenschap, waar alles wat wij denken te weten voortdurend ter discussie staat. Dat er een paper ligt, wil niet zeggen dat iets ‘waar’ is en dat er geen discussie over gaat zijn.

    Nogmaals bedankt dat je hier komt reageren, ik hoop dat je je in de discussie blijft mengen. Bij mij heb je met dit paper en door je te verdedigen in ieder geval meer credibility opgebouwd dan ik je in eerste instantie had gegeven. Zeg nou zelf: het is ook lastig te geloven dat geslacht echt beïnvloed zou kunnen worden.