Hogere opkomst, grotere verharding
van Prof.Dr. Joop van den Berg
De Nederlandse politiek wordt sedert de eeuwwisseling gekenmerkt door drie verschijnselen die als schadelijk moeten worden beschouwd voor de democratie.[1] Ten eerste is de vluchtigheid van het kiesgedrag groter dan in andere Europese landen, groter zelfs dan in Italië. Daarnaast is er sprake van ernstige verbrokkeling van de meeste politieke partijen, voorop de grote oude volkspartijen. Ten slotte is er onmiskenbaar sprake van ernstige verharding van politieke tegenstellingen.
Deze drie verschijnselen zijn niet alleen te zien in de nationale politiek maar ook in de lokale democratie. Daarbij moet worden gezegd dat de sterke opkomst van lokale partijen geleidelijk de polarisatie in de gemeentelijke democratie eerder verzachtte dan versterkte. Er ontstonden op veel plekken betrekkelijk grote en redelijk stabiele lokale fracties, die weliswaar meestal lichtelijk naar rechts overhelden, maar de politieke verhoudingen vreedzaam en constructief hielden. De prijs daarvoor was een steeds lagere opkomst bij gemeenteraadsverkiezingen.[2]
Gemeenten werden daarnaast, meer nog dan de landelijke politiek, geteisterd door verbrokkeling: grote partijen werden ‘middelgroot’ en daarnaast kwamen er reeksen kleine partijtjes. Ter linkerzijde is die fragmentatie wel wat verminderd door het samengaan van GroenLinks en de Partij van de Arbeid en de bijna-verdwijning van de SP. Daar staat verdere verbrokkeling aan de rechterzijde van het politieke spectrum tegenover. De volatiliteit van het kiesgedrag richt zich bovendien nog meer op nationale partijen dan op de grote lokale lijsten, die opmerkelijke stabiliteit tonen.