1. 5

    We worden oud

    Laten we het hopen :-)

    JC Bloem schreef:

    ik heb van ’t leven vrijwel niets verwacht,
    ’t geluk is nu eenmaal niet te achterhalen.
    Wat geeft het? – In de koude voorjaarsnacht
    Zingen de onsterfelijke nachtegalen

  2. 7

    @6: het zij geschreven:

    Hoe heeft de nood des daags geteisterd en geschonden
    Den droom van mijn geluk, zoo fel, zoo droef begeerd.
    Hoe drong mij ’t leven neer tot zijn gewone zonden –
    Nu heb ik ’t scheemrend pad naar ’t kleine huis hervonden,
    De laagheid van ’t bestaan vanaf mijn ziel geweerd.

    De eentoonge dag verging in een gebonden sloven:
    Het dorperlijke werk, waarmee ‘k mijn nooddruft win.
    Nu gaan de lichten aan, nu donkeren de hoven,
    Nu komt de troost des nachts het zware zonlicht dooven,
    En slaakt de dag zijn greep, en ga ‘k mijn wezen in.

    In ’t witte huisjen, aan den rand van ’t dorp gelegen,
    Waar de rivier zich toont aan ’t kruiven van haar damp,
    Daar wacht me uw teederheid, een stille en milde zegen,
    De ontroering van u dicht bij mij te zien bewegen
    Binnen den weiflen kring der zacht-bewogen lamp.

    Gezeten aan uw zij, gekoesterd en omgeven,
    Door ’t heil waarom ik bad den ganschen langen dag,
    Zoek ik een einde, een rust van ’t wenschen en het streven -Vergeefs: de bitterheid van mijn besloten leven
    Maakt mij, deze’ avond, mat en zwak van zelfbeklag.

    En, luistrend naar den val der slingrende seconden,
    Bepeins ik wat mijn jeugd zich flonkrend heeft gedroomd
    Van tochten onbegrensd, van lusten ongebonden,
    Hoor ‘k in den tik des tijds het drupplen van de wonden,
    Die ’t leven sloeg – waaruit het leven mij ontstroomt.

    Vergeef mij dan, dat ik, niet als zoovele dagen,
    De aloude bitterheid verbijt, waardoor ‘k verteer.
    Gij gaaft mij heel uw hart – hoe zoude ik mij beklagen
    Maar ik ben strijdensmoede en luister naar de vlagen
    Van ’t donker in me, en weet, dat ik te veel begeer.