Nee, dictators zijn geen betrouwbare partners

GeenCommentaar heeft ruimte voor gastloggers. Vandaag is dat Arjen de Wolff met een artikel dat eerder verscheen op zijn eigen website. Arjen werkte voor het National Democratic Institute for International Affairs in onder andere Azerbeidzjan.

Protest in het Midden-Oosten (Foto: Kaj Leers)

Lang rekende vooral de Westerse wereld op dictatoriale regimes in de Arabische wereld, feitelijk relieken – pionnen – uit de Koude Oorlog. Een nieuwe rechtvaardiging voor hun onderdrukking van hun volkeren vonden de Mubaraks, Ben Ali’s en Assad’s na 1991 in hun rol als buffer tussen het Westen en moslimfundamentalisme. Nu pas blijkt hoezeer Westerse regeringen zich zand in de ogen lieten strooien. Er werd door hen nooit echt geïnvesteerd in democratische oppositiegroepen, en daarvan plukt men nu de zure vruchten: van beïnvloeding kan geen sprake zijn, men kan slechts hopen dat er geen nieuwe Irans opstaan.

Terwijl in Cairo de protesten tegen president Mubarak hun tweede dag ingaan, wordt in Tunis nog druk gesleuteld aan de vorming van een interim-regering. Er zijn zeker parallellen tussen de revolutionaire gebeurtenissen in Tunesië en Egypte, maar er zijn even zovele verschillen. En of één of beide van deze volksopstanden tegen een brute dictator uiteindelijk zal leiden tot de totstandkoming van een echte democratische rechtsstaat, is nog zeer twijfelachtig.

Daarvoor is het gebrek aan een brede goed geschoolde middenklasse in de beide landen misschien te groot, en de macht van de corrupte bovenlagen de Islamisten misschien te overheersend. Hoezeer ook de revolutie in Tunesië en Egypte – op dit moment – gedreven lijkt door een seculiere, progressieve bundeling van krachten en niet door religieuze traditionalisten: echt onafhankelijke, liberale en democatische partijen in het Midden-Oosten hebben meestal geen regeringservaring en geen in de maatschappij en het volk gewortelde organisatie. Dat gegeven alleen al kan de deur in een later stadium nog wijd open zetten voor een terugkeer van oude regimegetrouwen, of de Moslimbroederschap.

Maar wat prettig is aan de omverwerping van Ben Ali in Tunesië en de gebeurtenissen in Cairo, en goed nieuws voor iedereen die zich bezighoudt met de internationale bevordering van mensenrechten en democratie, is dat de Verenigde Staten nu tot hun afgrijzen zien wat velen in het vak van internationale samenwerking al jaren zeggen: nee, Washington, een dictatuur is op de lange termijn geen stabiele partner.

In weerwil van het beeld dat Irak en Afghanistan oproepen is de Amerikaanse buitenlandpolitiek er traditiegetrouw op gericht de Amerikaanse (en, vaak bijgevolg, de Europese) belangen niet primair via directe interventie te verzekeren, maar via bondgenootschappen. En om waar dat nodig is bondgenoten te verwerven om tegenwicht te bieden aan regionale grootmachten, ‘middle powers’ die de Westerse belangen zouden kunnen schaden.

Van alle donoren in de wereld steken de Amerikanen het meeste geld in democratiebevordering, vooral via instituten als NDI (National Democratic Institute for International Affairs), en zijn Republikeinse tegenhanger, IRI. Maar in autoritaire landen die een strategische relatie onderhouden met DC, blijft die bevordering van democratie en mensenrechten maar al te vaak beperkt tot pappen en nathouden.

Echte Realpolitik
Het fundamentele probleem met die tactiek openbaart zich nu in de Maghreb, en straks mogelijk elders: de premisse dat een dictator in ruil voor steun zal blijven leveren, is vals. Niet alleen kan een andere grootmacht langskomen en hem overtuigen de andere kant te kiezen (zie bijvoorbeeld de balanceeroefening tussen de VS en Rusland van Alijev in Azerbaijan en zijn Centraal-Aziatische collega’s); niet alleen kan een autoritair regime min of meer zelfstandig besluiten dat het van nu af aan de Amerikanen niet meer nodig heeft (Chavez in Venezuela, Saddam in Irak); het blijkt nu dat, zelfs in landen zonder democratische traditie, een schijnbaar hopeloos volk de hele kliek naar huis kan sturen.

Ook de Europese Unie en de grote Europese landen bedienen zich van dit recept. Er is ook vaak geen korte-termijn alternatief; want als je nu een gaspijpleiding nodig hebt, of het recht van overvlucht, ontbreekt het je aan de tijd om te wachten tot de oppositie sterk genoeg is om de tiran te verdrijven. Bovendien: of die oppositie bereid zal zijn met je samen te werken, is meestal een open vraag.

Dit soort harde lessen is niet nieuw. Toch valt het te hopen dat de VS, en Europa, dit keer wel inzien dat het hoog tijd is om serieus te beginnen met een andere investeringsstrategie, als het gaat om het creëren van bondgenoten overzee. Steek je geld en je energie in de ondersteuning van organisaties en partijen die werkelijk de fundamentele internationale waarden van politieke en economische vrijheid, rechtvaardigheid, sociale gelijkwaardigheid, transparantie en vrede voorstaan. En die mensen zijn er. Het is een langetermijnstrategie, en ondertussen zullen sommige directe belangen verloren gaan. Maar het is geen idealisme; het is pure Realpolitik. Want alleen zo verzekert het Westen zich van duurzame en betrouwbare partnerschappen, en stelt het de eigen belangen voor de toekomst zeker.