Montesquieu Instituut

196 Artikelen
Foto: Monument Universal Links on Human Rights (1995) Tony O'Malley William Murphy (cc)

Kabinet-Jetten: Gooi mensenrechten niet overboord om migratie te beperken

COLUMN - van Lize Glas, Jasper Krommendijk en Annick Pijnenburg

Het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) beschermt ons al meer dan 70 jaar tegen bijvoorbeeld foltering en discriminatie en beschermt onder andere het recht op vrijheid van meningsuiting en het recht op privacy. Toch dreigen deze mensenrechten op een Europese top op 15 mei 2026 ten onrechte deels overboord gegooid te worden. Hieraan liggen twee motieven ten grondslag.

Allereerst zou het EVRM, zoals Tweede Kamerlid Boomsma (JA21) eind maart bij Nieuwsuur zei, ‘steeds verderstrekkend geïnterpreteerd’ worden ‘op een manier die nooit door politici zo bedoeld is’ dan toen zij het verdrag opstelden in 1950. Boomsma wees ter illustratie op de klimaatrechtspraak van het Europese Mensenrechtenhof die Zwitserland zou verplichten om miljarden aan klimaat uit te geven. In een motie uit juni 2025 wees onder anderen Boomsma ook met de vinger naar de migratierechtspraak van hetzelfde Hof dat “de ruimte voor het asielbeleid in verregaande mate” zou beperken.

Het EVRM interpreteren zoals in 1950 de bedoeling was, is duidelijk onwenselijk. De opstellers van het verdrag hadden ideeën die de meesten van ons als gedateerd of zelfs racistisch zouden zien. Zo verklaarde Nederland het verdrag niet van toepassing op Nieuw-Guinea omdat de bevolking onvoldoende ontwikkeld zou zijn en hadden de opstellers van het verdrag niet direct vrouwen voor ogen wanneer zij dachten aan mensenrechten. Bovendien voorzagen de opstellers niet in welke context het EVRM nu moet worden toegepast. Zo is het recht op privéleven van toepassing op ‘correspondentie’: brieven in de context van de jaren 50. Als het Mensenrechtenhof dit recht niet van toepassing had verklaard op mails en appjes, zou dit recht nu irrelevant zijn.

Foto: "NATO Secretary General visits the United States" by NATO is licensed under CC BY-NC-ND 2.0

‘Trumppaaien’ of internationaal recht steunen. Een duivels dilemma?

OPINIE - door Laurien Crump

De presentatie van het jaarverslag van de NAVO donderdag 26 maart, stond in het teken van de steun van de secretaris-generaal aan de onrechtmatige Amerikaans-Israëlische oorlog in Iran. Het leek wel een déjà-vu van de NAVO-top in juni vorig jaar, toen de Amerikaanse bombardementen op Iran alle persconferenties domineerden. Wederom heeft een roekeloze actie van Trump de NAVO op 1-0 achterstand gezet. Wederom zoekt Rutte zijn heil in het alles op alles zetten om Trump gunstig te stemmen. Waar het aan de vooravond van de NAVO-top beperkt bleef tot Whatsappjes vol met lof, zei de NAVO-chef dit keer op Amerikaanse televisie dat de Amerikanen Trump moesten steunen, omdat hij onze veiligheid waarborgt. En dat een dik half jaar voor de Amerikaanse midterm-verkiezingen. Internationale media tuimelen over Rutte heen met kritiek. De NAVO-secretaris generaal hoort immers de stem van alle NAVO-landen te laten horen (inclusief de kritische premier Sánchez) en steunt hiermee verdere afbreuk van internationaal recht.

In de Nederlandse media is er een ander debat losgebarsten. Behalve alle kritische geluiden zijn er ook journalisten die de kritiek op Rutte als ‘gemakzuchtig’ bestempelen en beargumenteren dat Rutte geen andere keus heeft. Het is Ruttes taak om de Amerikanen – koste wat kost – binnenboord te houden; zonder de Amerikanen is er geen NAVO meer en zonder Amerikaanse steun zou Oekraïne verloren zijn. Het debat wordt geframed als een tegenstelling tussen ‘principes’ (de critici) en ‘pragmatisme’, tussen ‘gemakzucht’ en ‘politiek vernuft’, en tussen internationaal recht en internationale veiligheid. Natuurlijk wordt Rutte geconfronteerd met een duivels dilemma en is hij bepaald niet de enige die voor Trump buigt. Hetzelfde geldt voor de Tweede Kamer: een motie om de oorlog in Iran te veroordelen als ‘een schending van het internationaal recht’ werd alleen door de indieners gesteund (DENK, GroenLinks-PvdA, SP, PvdD en Volt).[1] De geschetste tegenstelling tussen principes en pragmatisme is echter een valse tegenstelling.

Foto: Markus Winkler on Unsplash

Waarom screenen we ministers en staatssecretarissen zo anders dan wethouders?

Door Niels Karsten

Het vertrek van Nathalie van Berkel als kandidaat-staatssecretaris en Tweede Kamerlid na ophef over haar cv riep de nodige vragen op over de screening van politieke ambtsdragers. De casus laat zien dat het verstandig is om ministers en staatssecretarissen een gedegen risicoanalyse integriteit te laten doorlopen, in plaats van een vrijwillig zelfassessment. Bij bijna alle wethouders gebeurt dat al wel. Sowieso is de screening van wethouders wezenlijk anders ingericht dan die van bewindslieden. De verschillen zijn echter lang niet altijd even consistent doordacht.

Het uitgangspunt bij de screening van politieke ambtsdragers in Nederland is dat de democratie haar werk moet kunnen doen: de kiezer bepaalt wie hem vertegenwoordigt, en de volksvertegenwoordiging kiest vervolgens haar uitvoerend bestuurders. Beiden worden daarbij zo min mogelijk beperkt. De screening van politieke ambtsdragers is daarom in de basis relatief licht. Zo zijn politieke functies grondwettelijk uitgesloten van veiligheidsonderzoek, op basis waarvan ambtenaren die een risico vormen voor de nationale veiligheid een functie kan worden geweigerd. Voor zover er screening plaatsvindt, heeft die vooral een adviserende functie: ze brengt integriteitsrisico’s in kaart en maakt betrokkenen daarvan bewust maar houdt niet tegen dat iemand de betreffende functie alsnog gaat vervullen. Dat zou namelijk een inperking zijn van het grondwettelijk geborgde actieve en passieve kiesrecht . In reactie op integriteitskwesties uit het verleden heeft zich evenwel een rijke screeningspraktijk ontwikkeld rond politieke ambtsdragers, met zowel formele als meer informele instrumenten. Die komt de bestuurlijke integriteit ten goede, maar creëert tegelijk grote en fundamentele verschillen tussen bestuursniveaus. Die verschillen zijn lang niet altijd bewust gecreëerd en de betekenis en gevolgen ervan zijn vaak niet consistent doordacht. Dat punt laat zich goed illustreren aan de hand van wethouders.

Foto: "Non-violence" by riacale is licensed under CC BY-NC-ND 2.0

Het Nederlands belang en de internationale rechtsorde

COLUMN - van Mr. Drs. Kees Homan

Terwijl inkomende raketten dood en verderf zaaien onder onschuldige Iraanse burgers hield een bijzonder assertieve Tweede Kamer op 12 maart 2026 een debat, waarin onze grondwettelijke bevordering van de “internationale rechtsorde” en “internationaal recht” centraal stonden.

Minister van Buitenlandse Zaken, Tom Berendsen, had eerder op 2 maart 2026 in de Tweede Kamer al laten weten wel “begrip” te kunnen opbrengen voor de aanvallen op Iran. Op de vraag of die aanvallen in strijd zijn met het internationaal recht antwoordde hij op 12 maart 2026 in de Kamer: “Dat is niet aan mij om te beoordelen,”. “Dit kabinet vindt het internationaal recht belangrijk,” voegde hij daar nog aan toe. “Tegelijkertijd wil ik ook eerlijk zijn dat het internationaal recht niet het enige kader is dat je op deze situatie kunt leggen.” We moeten een meer realistische koers varen, zei hij, en daarin is maar beperkt ruimte voor het internationaal recht. Want uiteindelijk draait het, zo zei hij, om het “Nederlands belang in het buitenland” terwijl we “door de mist van de nieuwe wereldorde varen”.

Hoewel het internationaal recht cruciaal is voor het voorkomen van conflicten en het reguleren van grensoverschrijdende kwesties, staat de naleving ervan in de huidige politieke context dus vaak onder druk.

Foto: "In Zandvoortse klederdracht gestoken leden van het stembureau aan de Louis Davidsstraat 17, vrolijken de gemeenteraadsverkiezingen op. NL-HlmNHA 54036918" by Poppe de Boer is licensed under CC CC0 1.0

Hogere opkomst, grotere verharding

van Prof.Dr. Joop van den Berg

De Nederlandse politiek wordt sedert de eeuwwisseling gekenmerkt door drie verschijnselen die als schadelijk moeten worden beschouwd voor de democratie.[1] Ten eerste is de vluchtigheid van het kiesgedrag groter dan in andere Europese landen, groter zelfs dan in Italië. Daarnaast is er sprake van ernstige verbrokkeling van de meeste politieke partijen, voorop de grote oude volkspartijen. Ten slotte is er onmiskenbaar sprake van ernstige verharding van politieke tegenstellingen.

Deze drie verschijnselen zijn niet alleen te zien in de nationale politiek maar ook in de lokale democratie. Daarbij moet worden gezegd dat de sterke opkomst van lokale partijen geleidelijk de polarisatie in de gemeentelijke democratie eerder verzachtte dan versterkte. Er ontstonden op veel plekken betrekkelijk grote en redelijk stabiele lokale fracties, die weliswaar meestal lichtelijk naar rechts overhelden, maar de politieke verhoudingen vreedzaam en constructief hielden. De prijs daarvoor was een steeds lagere opkomst bij gemeenteraadsverkiezingen.[2]

Gemeenten werden daarnaast, meer nog dan de landelijke politiek, geteisterd door verbrokkeling: grote partijen werden ‘middelgroot’ en daarnaast kwamen er reeksen kleine partijtjes. Ter linkerzijde is die fragmentatie wel wat verminderd door het samengaan van GroenLinks en de Partij van de Arbeid en de bijna-verdwijning van de SP. Daar staat verdere verbrokkeling aan de rechterzijde van het politieke spectrum tegenover. De volatiliteit van het kiesgedrag richt zich bovendien nog meer op nationale partijen dan op de grote lokale lijsten, die opmerkelijke stabiliteit tonen.

Foto: Michael Fousert on Unsplash

Politieke partijen kunnen we echt niet missen

Als ze niet bestonden, zouden ze moeten worden uitgevonden. Politieke partijen zijn nodig om de politiek gaande te houden: een staatsbestel op democratische basis is niet wel denkbaar zonder vitale, goed functionerende partijen. Nog steeds niet. Dat schrijven Jan Schinkelshoek en Gerrit Voerman bij de start van een serie artikelen over de Nederlandse politieke partijen.

Toegegeven: het is een boud vertrekpunt voor een zoektocht langs het Nederlandse partijwezen. Maar het kortstondige, mistroostige avontuur met het kabinet onder leiding van de – partijloze – premier Dick Schoof is misschien wel het beste bewijs voor die stelling.

Het was een kabinet bestaande uit vier partijen waarvan er slechts eentje een gevestigde, zelfs doorgewinterde partij mocht heten: de VVD. De andere drie, PVV, NSC en BBB, zijn/waren gemankeerde, onvolgroeide partijen, partijen die zich op z’n best nog moesten bewijzen. Het bestond uit ministers en staatssecretarissen die voor een belangrijk, zelfs gezichtsbepalend deel, laten we zeggen, onervaren waren. Het werd geleid door een premier die geen wortels had in een politieke partij. En het had een regeringsprogramma dat meer een ruwe optelsom van loshangende en zelfs tegenstrijdige wensen en belangen was, geen uitwogen beleidsprogramma. Binnen het kabinet had men ook zelf kennelijk geen idee waar men aan begonnen was, wat men wilde en hoe het kon worden gerealiseerd. Waarschijnlijk – nieuwe boude stelling – heeft het ontbreken van een stevige partijpolitieke basis bijgedragen aan het voortijdig inzakken van die constructie.

Foto: Spion in Tweede Kamer - gegenereerd met ChatGTP

Een ‘spionerend’ Kamerlid – en dan?

ANALYSE - van Rowin Jansen

Onlangs vond in de Duitse Bondsdag een fel debat plaats over de relatie tussen Rusland en Alternative für Deutschland (AfD). Eerder had de Duitse geheime dienst de AfD al bestempeld als rechtsextremistisch. Nu klonk van verschillende kanten het vermoeden dat leden van de AfD-fractie handelden in opdracht van Rusland. Harde verwijten als “landverraad”, “useful idiots” en “het Trojaanse paard van het Kremlin” vielen. De kwestie was aan het rollen gekomen door de deelstaatminister van Binnenlandse Zaken in Thüringen, die AfD’ers openlijk verdacht van spionagepraktijken. De AfD-parlementariërs stelden hem namelijk steeds heel specifieke vragen over gevoelige veiligheidsthema’s. “Het wekt de indruk dat de AfD een Kremlin-bestellijst afwerkt’, aldus de deelstaatminister. [1]

Deze kwestie staat niet op zichzelf. In 2023 bleek dat het Belgische parlementslid van Vlaams Belang Frank Creyleman als informant had opgetreden van de Chinese geheime dienst. Een jaar later stelden journalisten dat diens partijgenoot Filip Dewinter hetzelfde zou hebben gedaan en klonken er beschuldigingen aan het adres van een AfD’er wegens het aannemen van Russisch geld. Tsjechische inlichtingenbronnen onthulden indertijd dat politici uit Duitsland, Frankrijk, Polen, België en Hongarije geld ontvingen uit Moskou. Ook enkele Nederlandse politici van Forum voor Democratie (FVD) en Partij voor de Vrijheid (PVV) zouden zijn betaald voor pro-Russische propaganda, zo is in de media wel gesuggereerd. [2] Weer wat later bleek er binnen het Europees parlement te zijn gespioneerd voor onder meer China, Rusland, Hongarije en Qatar. Deze problematiek speelt bovendien niet alleen in Europa. Ook in Australië en Nieuw-Zeeland kwamen recent verschillende spionagezaken in het nieuws, waaronder een ‘agressief’, vanuit het buitenland aangestuurd, spionnennetwerk dat onder de codenaam ‘A-team’ opereerde onder parlementariërs.[3]

Foto: "Zoetermeer- Verkiezingsbord (2025)" by Sneeuwvlakte is licensed under CC BY-SA 4.0

Europese verkiezingsregulering: het papier en de praktijk

Sinds 10 oktober 2025 is de Europese Transparantieverordening van kracht. Deze verordening legt strenge vereisten op aan de verspreiding van politieke reclame. Zo worden online platforms verplicht om politieke advertenties in een centraal Europees register te plaatsen, waarbij de advertenties vergezeld moeten gaan van een ‘transparantieverklaring’ met gedetailleerde informatie over de advertentie. Daarnaast gelden strenge eisen voor gegevensverwerking ten behoeve van microtargeting, dat wil zeggen het gericht benaderen van specifieke groepen kiezers.

De eerste gevolgen van deze regels waren al bekend voordat zij überhaupt in werking traden: Meta en Google gaven aan de nieuwe regels zo complex en onduidelijk te vinden dat zij besloten om helemaal te stoppen met het verspreiden van politieke advertenties. Van complexiteit en onduidelijkheid is inderdaad sprake, bijvoorbeeld waar het gaat om de vraag of een advertentie aangemerkt moet worden als politieke advertentie (en dus binnen de reikwijdte van de verordening valt). Het risico van de beslissing om geen politieke advertenties meer te verspreiden, is echter dat politieke actoren hun boodschappen ‘vermommen’ als politiek neutrale content om toch gepubliceerd te kunnen worden. De praktijk heeft bovendien uitgewezen dat de algoritmes van sociale media met influencercampagnes en nepaccounts zo te bespelen zijn dat zulke boodschappen een groot publiek bereiken – met vorig jaar in Roemenië zelfs ongeldig verklaarde verkiezingen als gevolg. De onzichtbare politieke beïnvloeding waartegen de EU met de Transparantieverordening ten strijde trekt, behoort dus allerminst tot het verleden.

Foto: Zihao Wang on Unsplash

De Amerikaanse aanval op het liberaal-democratische Europa

De teerling is geworpen. De ‘pax Americana’ is voorbij, zoals de Duitse bondskanselier – in tegenstelling tot de meeste Europese leiders – hardop durfde te constateren.1) De Amerikanen hebben Europa definitief de bons gegeven, schrijft Laurien Crump over de recent gepubliceerde Amerikaanse veailigheidsstrategie. De National Security Strategy van de VS is niet alleen “The Longest Suicide Note in American History”,2) maar ook de meest pijnlijke scheidingsverklaring in de Europese geschiedenis. Als Vance zijn toespraak op de veiligheidsconferentie in München, de ruzie met Zelensky in de Oval Office, de telefoontjes tussen Trump en Poetin, de Alaskatop en het 28-puntenplan nog niet voldoende tekenen aan de wand waren, dan zou de National Security Strategy toch een wake-up call moeten zijn: de Amerikaanse liefde voor het liberaal-democratische Europa is voorgoed voorbij. Europa is in Amerikaanse ogen zwak, slachtoffer van “civilisational erasure”, en de Europese Unie “ondermijnt politieke vrijheid en soevereiniteit”.3) Tegelijkertijd is de National Security Strategy een liefdesverklaring. Een liefdesverklaring aan rechtspopulisme, aan big tech, en aan alle krachten die het liberaal-democratische Europa ondermijnen. Het onverhulde enthousiasme van het Kremlin over dit Amerikaanse document spreekt boekdelen.

Deze ‘strategie’ is daarmee ook een oorlogsverklaring aan het liberaal-democratische Europa. Het ‘traditionele gezin’, een afkeer van de Europese Unie en migranten, en een liefdesverklaring aan autocraten vormen de bouwstenen voor een veiligheidsstrategie. In deze cultuuroorlog staan de Russen en de Amerikanen aan de ene kant en het liberaal-democratische Europa aan de andere. De Amerikanen verheffen het tot integraal onderdeel van hun veiligheidsstrategie om ‘patriottische partijen’ – lees: rechts-populistische – te steunen. Dit is geen loze kreet. Ze doen het al. De Amerikanen hebben de rechts-populistische president van Polen, Nawrocki, mede in het zadel geholpen. Vance heeft de extreemrechtse Alice Weidel (AfD) op de veiligheidsconferentie in München openlijk gesteund, aan de vooravond van de Duitse verkiezingen nota bene. Elon Musk heeft – toen nog als adviseur van Trump – een reisje naar het Verenigd Koninkrijk gemaakt om Nigel Farage een steuntje in de rug te geven, en niet zonder resultaat: Reform UK staat nu bovenaan in de Britse peilingen. Een historisch dieptepunt, en tot voor kort ondenkbaar. En hoe zat het eigenlijk met het onderonsje tussen Trump en Wilders op de NAVO-top in Den Haag in juni? Behalve Poetin, zullen ook Geert Wilders, Marine le Pen, Alice Weidel, Nigel Farage, Robert Fico en Viktor Orban een vreugdedansje hebben gedaan. Deze rechts-radicale as ondermijnt het Europa zoals we dat kennen fundamenteel. Daarom is veiligheidsstrategie levensgevaarlijk.

Foto: Ellen26 on Pixabay

Het gelijk van de Tegenpartij

ANALYSE - In 2011 verscheen het boek Diplomademocratie van Anchrit Wille en Mark Bovens. Aan de hand van opleidingsgegevens van kiezers en gekozenen laten zij zien hoezeer het politieke bedrijf nu vrijwel volledig in handen is gekomen van academisch geschoolden.

‘Weg met de intellectuelen uit de Kamer’

Wie in deze eeuw de Nederlandse politiek wil duiden, doet er verstandig aan niet alleen te kijken naar religie of inkomen, maar ook naar opleiding. Een van de eersten die dat aankaartten waren ‘Jacobse en Van Es’, de populistische alter ego’s van Kees van Kooten en Wim de Bie. In hun TV-satire in de jaren ’80/’90 van de vorige eeuw richtten zij de fictieve ‘Tegenpartij’ op. Programmapunt nummer één van de Tegenpartij was: “Weg met de intellectuelen uit de Kamer en uit de regering.” Op de vraag van Tedje van Es: “wat er eigenlijk tegen intellectuelen is” antwoordde Jacobse:

“Ik heb er niets bijzonders tegen, alleen dat zij alleen mekaar maar begrijpen, Van Es. Dat ze zich verschuilen in commissies en werkgroepen, in triootjes van wijze mannen, en dat ze godver, de godver, tonnen vangen voor het maken van plannen voor 1985. En beleidsnota’s en rapporten voor de jaren negentig. Maar het is de stront van 1981 waar we middenin zitten nou.”

Foto: Tweede Kamer Voorzittersstoel met hamer

Tellen is ook een kunst

ANALYSE - Met dank overgenomen van Montesquieu Instituut (MI), gepubliceerd op maandag 17 november 2025, 10:30, analyse van Teun Schermerhorn en Bert van den Braak

Dit artikel verscheen eerder op 2 oktober 2025 en is vanwege de verkiezingen voor de nieuwe Tweede Kamervoorzitter opnieuw geplaatst.

Na het vertrek van Jan Anthonie Bruijn (VVD) naar het dubbel demissionaire kabinet-Schoof kiest de Eerste Kamer komende dinsdag een nieuwe voorzitter. Er hebben zich drie kandidaten gemeld. Ook de nieuwe Tweede Kamer zal na 29 oktober nieuwe verkiezingen houden voor haar voorzitter. Nog maar twee jaar geleden, in 2023, verkozen beide Kamers hun voorzitter: op 27 juni de eerdergenoemde Bruijn in de Eerste Kamer en op 14 december Martin Bosma (PVV) in de Tweede Kamer.

De verkiezing van personen en dus ook van de voorzitter is in beide Kamers geregeld in het Reglement van Orde (RvO). Die twee regelingen komen in verschillende bewoordingen gesteld kort samengevat op het volgende neer: de stemming is schriftelijk en geheim door middel van stembiljetten, vier leden worden benoemd tot stemopnemer, zij controleren en tellen de uitgebrachte stemmen en de eerstbenoemde stemopnemer maakt de uitslag bekend. In het RvO van de Tweede Kamer is daarbij nog eens uitdrukkelijk bepaald dat de stemopnemers het controleren en tellen ‘gezamenlijk steeds’ uitvoeren.

Foto: "Rob Jetten D66" by Roel Wijnants is licensed under CC BY-NC 2.0

Voorbij het Jetten-effect – De verborgen ontwikkelingen

COLUMN - In de nasleep van de Tweede Kamerverkiezingen leggen de internationale media de nadruk op het zetelverlies van de PVV (“forse klap voor radicaal rechts”), terwijl de nationale pers vooral ingaat op de verrassende overwinning van D66 (het zogenoemde “Jetten-effect”). Beide frames dreigen echter twee belangrijkere ontwikkelingen te verhullen.

De eerste is de verdere consolidatie van uiterst rechts. De PVV verloor weliswaar 11 zetels, maar dat verlies werd gecompenseerd door aanzienlijke winst voor de extreemrechtse variant Forum voor Democratie (FVD) (van drie naar zeven zetels) en haar wat ‘gematigdere’ afsplitsing JA21 (van één naar negen zetels). Gezamenlijk behaalden PVV, FVD en JA21 41 zetels – één meer dan in 2023. Tel je daar BBB en SGP bij op, dan vertegenwoordigen de partijen aan de rechterflank ongeveer een derde van het parlement.

Sinds 2021 vormt dit uiterst rechtse blok een vast onderdeel van het Nederlandse politieke landschap. Binnen dit blok zien we zowel groeiende concurrentie onderling – met als gevolg radicalisering én normalisering – als verdere versplintering, een trend die in het hele politieke landschap zichtbaar is.

De tweede belangrijke ontwikkeling is de toenemende versnippering van het politieke landschap. Geen enkele partij behaalde bij deze verkiezingen meer dan 17% van de stemmen; in de Nederlandse parlementaire geschiedenis is de grootste partij nog nooit zo klein geweest. Dit heeft ingrijpende consequenties voor de kabinetsformatie.

Foto: Mark Vletter (cc)

Buitenlandbeleid: De respons op een kantelende wereldorde

De wereldorde is de afgelopen twee jaar in rap tempo aan het kantelen, de defensie-uitgaven worden flink opgeschroefd, in Nederland namen honderdduizenden mensen deel aan de Gazaprotesten en de spanningen over Gazabeleid leidden tot de val van een reeds gevallen kabinet. Ondanks dat lijkt het buitenlandbeleid zoals gebruikelijk een ondergeschikte rol te spelen in de verkiezingscampagnes, constateert Laurien Crump.

In het RTL-televisiedebat van zondagavond 19 oktober werden wonen, migratie en zorg als de drie belangrijkste thema’s belicht. Er valt op het gebied van buitenlandbeleid echter wel degelijk wat te kiezen. Dat komt met name door de manier waarop en de mate waarin de grootste partijen de veranderingen op geopolitiek niveau meewegen. In dit artikel worden die verschillen geanalyseerd, aan de hand van de verkiezingsprogramma’s van de partijen die volgens de huidige peilingen tot de vijf grootste behoren (PVV, CDA, GroenLinks-PvdA, D66 en de VVD).

Oekraïne

Op het gebied van Oekraïne is de overeenstemming het grootst. Alle partijen in kwestie zijn het erover eens dat Rusland de agressor is en Oekraïne volop gesteund moet blijven worden. Zelfs de PVV heeft steun aan Oekraïne expliciet opgenomen in het verkiezingsprogramma in tegenstelling tot het PVV-programma uit 2023. Wilders gaat nog een aanzienlijke stap verder dan voorheen door de NAVO “de hoeksteen van ons defensie- en veiligheidsbeleid” te noemen en daarmee het atlantisme dat al tijdens de Koude Oorlog hoogtij vierde te omarmen. Volgens de PVV moet Turkije echter uit de NAVO – een vanuit PVV-perspectief logische, doch irreële maatregel, die vooral voor de bühne lijkt te zijn – en volgens GroenLinks-PvdA en de VVD moet Oekraïne er juist in.

Foto: Stempotlood Verkiezingen 2021 - Gebruik op Sargasso met toestemming. (c) Sidney Smeets

Uit de regering stappen zonder electorale klappen: Waarom blijft de PVV al maanden relatief hoog scoren in de peilingen?

Met partijen die uit een kabinet stappen loopt het vaak niet best af in de daaropvolgende verkiezingen. Denk aan D66 in 2006. Uit onvrede met het optreden van VVD-minister Rita Verdonk rondom het Nederlanderschap van Ayaan Hirsi Ali stapten destijds alle D66 bewindslieden uit het kabinet-Balkenende II. Het gevolg? Uitgeregeerd werden de Democraten electoraal gehalveerd. Ze gingen van zes naar drie zetels.

Iets soortgelijks overkwam de PVV in het voorjaar van 2012. Na anderhalf jaar gedoogsteun te hebben gegeven aan Rutte I, liet Wilders dit kabinet vallen door niet verder mee te gaan in de besprekingen over een nieuwe begroting. Nog geen vijf maanden later verloor zijn partij negen van de 24 zetels – ofwel min 37,5 procent – bij de door hem veroorzaakte verkiezingen.

In 2025, nadat de PVV wederom een kabinet verliet, lijken de zaken anders te liggen. Toegegeven: de partij staat in de peilingen niet meer op het huidige aantal van 37 Kamerzetels en ze is nog verder verwijderd van haar virtuele zetelstand in de maanden voor en bij aanvang van Schoof I (zie Figuur 1). In die zin ervaart ook Wilders, wiens partij in dit kabinet voor het eerst ministeriële verantwoordelijkheid droeg, wat andere partijen in Nederland en daarbuiten de afgelopen decennia al in toenemende mate hebben ondervonden. Namelijk dat kiezers hun stem steeds meer inzetten om kritisch te oordelen over de zittende regering.

Foto: "Vraagtekens bij uitspraken Mona Keijzer" by Roel Wijnants is licensed under CC BY-NC 2.0

Over de eed/belofte, de Grondwet en constitutionele hoffelijkheid

COLUMN - van Aalt Willem Heringa

Minister Mona Keijzer van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (VRO) werd geconfronteerd met een negatief advies van de Raad van State (RvS) over haar wetsvoorstel om te verbieden dat voorrang wordt gegeven aan statushouders bij de toekenning van huurwoningen. Het argument van de RvS was gebaseerd op artikel 1 van de Grondwet: het gelijkheidsbeginsel.

Kort gezegd was het argument van de RvS dat statushouders in een andere positie verkeren dan nationale ingezetenen, omdat zij geen inschrijfduur hadden kunnen opbouwen en daardoor op achterstand blijven staan als zij geen voorrang krijgen. Kortom, ongelijke gevallen die verlangen dat ze ongelijk worden behandeld. Het advies was om het voorstel niet bij de Tweede Kamer in te dienen.

Met zo’n advies moet je als minister, en ook als kabinet, iets. In de eerste plaats omdat een minister een eed/belofte heeft afgelegd waarin onder meer trouw aan de Grondwet.

In de tweede plaats omdat het de RvS is die in ons bestel als Hoog College van Staat de Grondwet interpreteert en beoordeelt of deze in voorgestelde wetgeving wordt geschonden. Dat is een belangrijke rol omdat – tenzij de Staten-Generaal ingrijpen – een rechter een eenmaal aangenomen wet niet meer mag toetsen aan de Grondwet. Daarmee is die voorfase van het advies uiterst belangrijk, om ongrondwettelijke misstappen te voorkomen.

Foto: PhareannaH[berhabuk] (cc)

Kan ‘Klein Links’ ‘Groot Links’ worden?

De Tweede Kamerverkiezingen van 2023 waren een grote tegenslag voor links. Niet alleen was de nieuwe centrumlinkse formatie GroenLinks-PvdA kleiner geworden dan gehoopt. Op een kleine winst bij DENK na verloren alle andere linkse partijen (SP, PvdD en BIJ1) stemmen. In 2021 behaalden deze vier partijen nog 13% van de stemmen (19 zetels). In 2023 was daar 8% van over (11 zetels). Waarom zijn de partijen aan de linkerflank zo klein? En welke perspectieven zijn er voor hen in 2025? Een analyse van Simon Otjes.

De partijen aan de linkerflank vertegenwoordigen verschillende smaken van links en zijn lang niet allemaal consistent links op alle politieke thema’s. De SP is in de eerste plaats economisch links, maar neemt op bijvoorbeeld Europese integratie een heel andere positie in dan andere linkse partijen. De PvdD positioneert zich bewust als ‘links noch rechts’, maar tegelijkertijd staat zij op veel thema’s aan de linkerkant van het spectrum. DENK is links op culturele thema’s als immigratie en gelijke behandeling van mensen ongeacht afkomst. Op morele thema’s, zoals de behandeling van transpersonen, is DENK juist eerder rechts. De buitenparlementaire partij BIJ1 heeft een intersectionele visie waarbij ze het opneemt tegen allerlei vormen van onderdrukking en ongelijke behandeling. Daarmee staat de partij consistent aan de linkerkant.

Foto: Schermopname Tweede Kamer Debat Gemist 4 juni 2024 hoofdelijke stemming

Een einde aan eeuwige wetsvoorstellen?

Met verkiezingen in het vooruitzicht rijst de vraag of werk van het kabinet daarmee niet ongewenst verloren gaat. In nagenoeg alle parlementaire democratieën vervallen wetsvoorstellen namelijk met het installeren van een nieuw parlement onder de werking van de ‘valbijl in het wetgevingsproces’. Is dat niet problematisch voor wetsvoorstellen die al jaren in de pijplijn zitten, zoals het recent ingediende wetsvoorstel inzake de Wet op de politieke partijen? En wat te denken van wetsvoorstellen om te voldoen aan implementatieverplichtingen van de Europese Unie? In Nederland hoeven we ons minder zorgen te maken om onvoltooide parlementaire werkzaamheden, omdat de behandeling van wetsvoorstellen ook na verkiezingen kan worden voortgezet. Maar is dat wel zo gelukkig?

De valbijl kent verschillende varianten, maar duidt meestal op het principe dat wetsvoorstellen na verkiezingen van (een kamer van) het parlement vervallen. Dat wetsvoorstellen in Nederland in beginsel eeuwig voortleven – en in de meeste andere landen vervallen met verkiezingen – staat nauwelijks ter discussie.

Dat heeft ermee te maken dat (het ontbreken van) de valbijl een technisch principe is dat aansluit bij de politieke traditie en verhoudingen van ieder land. Zo leest de Britse monarch in zijn jaarlijkse King’s Speech een gedetailleerde planning van de regering voor. De daarin opgenomen wetsvoorstellen worden doorgaans voor de ‘deadline’ behandeld, mede dankzij het overwicht van de regering.

Foto: Schermopname Tweede Kamer Debat Gemist 4 juni 2024 hoofdelijke stemming

De bestuurlijke ambities van de VVD: toenadering tot GroenLinks-PvdA noodzaak?

ANALYSE - van Boris van Haastrecht
VVD-leider Dilan Yeşilgöz sloot begin juni toekomstige samenwerking met de PVV van Geert Wilders definitief uit. Kort daarna verklaarde zij tijdens het partijcongres van de VVD dat GroenLinks-PvdA een “elitaire” partij is, waarmee het “heel moeilijk” wordt samen te werken na de aankomende Tweede Kamerverkiezingen. Haar verkiezingsinzet is een “stabiel rechts kabinet”. Deze uitspraken roepen de vraag op in welke coalitie de VVD haar bestuurlijke ambities in de toekomst wil realiseren.

Het is nu al vrijwel zeker dat de eerstvolgende kabinetsformatie ingewikkeld wordt, omdat het Nederlands politiek bestel versnipperd en gepolariseerd is. Op basis van de peilingen van de afgelopen maanden is de meest realistische mogelijkheid tot vorming van een meerderheidscoalitie een combinatie van VVD, GroenLinks-PvdA en CDA, aangevuld met kleinere partijen uit het politieke midden als D66 of ChristenUnie.

Door de huidige wederzijdse vijandigheid tussen sociaaldemocraten en liberalen zou je bijna vergeten dat deze groepen in het verleden meermaals regeringscoalities vormden, namelijk in de kabinetten-Drees I en II (1948-1952), de kabinetten-Kok I en II (1994-2002) en het kabinet-Rutte II (2012-2017). Het is de moeite waard deze eerdere perioden van samenwerking nader te bestuderen om de relatie tussen GroenLinks-PvdA en VVD in context te plaatsen.

Foto: Plenaire zaal Tweede Kamer, foto Dassenman, CC BY 4.0 via Wikimedia Commons.

Kamervragen als campagnemiddel

Met de verkiezingen in aantocht duiken de lijstjes op over welke Kamerleden het meest actief zijn. Wie doet de meeste debatten? Welke partij dient de meeste moties en amendementen in? Nieuwsmedia zoals NOS, de Groene Amsterdammer, en eerder ook Nieuwsuur, RTL en NRC, deden uitgebreid verslag van de ‘prestaties’ in de Tweede Kamer.

Eén belangrijk instrument ontbrak in die verslagen: de Kamervraag. En dat is opvallend want juist het aantal schriftelijke Kamervragen groeide de afgelopen decennia explosief, schrijven Anchrit Wille en Mark Bovens.

Alle dagen Kamervragen

Aan het einde van de vorige eeuw, in 1998, publiceerde voormalig D66-kamerlid Hans Jeekel, een terugblik op zijn Kamerlidmaatschap. Zijn boekje had de omineuze titel ‘Duizend dagen Kamervragen’. Tot zijn grote teleurstelling bestond het Kamerwerk vooral uit het stellen van eindeloze hoeveelheden vragen aan de regering. Toen Jeekel in de Kamer zat werden er nog maar 1500 Kamervragen per jaar gesteld. Figuur 1 laat zien dat het aantal Kamervragen sindsdien is verdubbeld. In 2019 werd een record bereikt met 3078 schriftelijke Kamervragen. Dat zijn gemiddeld 20 vragen op elke parlementaire werkdag.

De grafiek stijgt van ongeveer 250 in 1960 naar 1750 in 1972. Vanaf 1978 daakt get gestaat weer naar ongeveer 700 in de beginjaren 1990. Vanaf 1996 ligt het op ongeveer 1500 en vanaf 2007 schommelt het tussen de 2000 en 3000

Figuur 1. Aantal schriftelijke vragen per jaar, Tweede Kamer 1960-2024 (abs)

Waarom komt die toename vandaan?

Foto: Haberdoedas on Unsplash

Artikel 90 Grondwet: Grondwettelijke plicht tot actie in het Israëlisch-Palestijnse conflict

ANALYSE - door Otto Spijkers

Artikel 90 van onze Grondwet (Gw) bepaalt dat “de regering de ontwikkeling van de internationale rechtsorde bevordert.” In deze bijdrage ga ik in op de betekenis en relevantie van deze constitutionele opdracht, in het bijzonder voor de verantwoordelijkheid van de Nederlandse regering om het respect voor de internationale rechtsorde te bevorderen binnen de context van het Israëlisch-Palestijnse conflict. Ik begin met een bespreking van de strekking van dit wetsartikel en kijk daarna hoe het in het huidige maatschappelijke en politieke debat wordt aangehaald. Zie over ditzelfde onderwerp trouwens ook het recent verschenen artikel van Leonard Besselink.

Artikel 90 Grondwet

Artikel 90 Gw is een opvallende bepaling. Tussen 1953 en 1983 was het, formeel gezien, de Koning die de taak had om de ontwikkeling van de internationale rechtsorde te bevorderen. Sinds de grondwetsherziening van 1983 ligt deze verantwoordelijkheid bij de regering. Nederland is bovendien het enige land ter wereld dat zijn regering via de Grondwet zo expliciet verplicht tot het bevorderen van de internationale rechtsorde. Maar wat betekent dat eigenlijk in de praktijk? Wat houdt die bevordering precies in, en hoe wordt van de regering verwacht dat zij daaraan invulling geeft?

Doordat artikel 90 vrij algemeen is geformuleerd, leent het zich niet goed voor directe werking of als basis voor een beroep bij de rechter. Dit blijkt onder meer uit het arrest van de Hoge Raad van 6 februari 2004 in de zaak van de Vereniging van Juristen voor de Vrede (VJV) e.a. tegen de Staat der Nederlanden. In die zaak verzochten de eisers de rechter om de Staat te verbieden nog langer medewerking te verlenen aan militair geweld door (bondgenoten van) de Verenigde Staten (VS) tegen personen die in verband werden gebracht met de aanslagen van 11 september 2001. Volgens de eisers was dergelijk handelen niet alleen in strijd met het VN-Handvest, maar ook met artikel 90 Gw, omdat het geweld volgens hen onverenigbaar was met dwingende normen van het internationaal recht (jus cogens).

Volgende