Marc van Oostendorp

327 Artikelen
48 Reacties
Marc van Oostendorp is hoogleraar Nederlands aan de Radboud Universiteit Hij heeft een website, een YouTube-kanaal.
Foto: Siesta, 1889 (Hans Thoma) Musee d’Orsay, Paris. Public domain, via Wikimedia Commons

Niet alles hoeft door te gaan

Ik hoop dat de parlementaire commissie over corona ook nog toekomt aan de niet-materiële schade. Natuurlijk, de periode 2020-2021 heeft ons ook gunstige zaken gebracht – er wordt minder verplicht gezoend, bijvoorbeeld onder collega’s. Maar het heeft de samenleving ook ontwricht op een manier waar we met de huidige hittegolf mee worden geconfronteerd: het idee dat alles onder alle omstandigheden moet doorgaan. Ook nu het code rood is vanwege de hitte.

Wie ouder is dan 25 is oud genoeg om nog de tijd te hebben meegemaakt dat een evenement werd afgezegd omdat de omstandigheden er niet naar waren. Het was bijvoorbeeld te warm om in een collegezaal bij elkaar te komen, of de treinen staakten, of allebei. Dan ging er een berichtje rond dat een en ander werd uitgesteld. Nu gaat er in zo’n geval een berichtje rond met een Teams-link.

Ik heb het de afgelopen week een paar keer meegemaakt. Het bericht werd zelfs rondgestuurd zonder dat de docent gevraagd werd of het ook kon op Teams. Want dat schijnt vanzelf te spreken. Je voelt als oudere (ouder dan 25) je zelfs enigszins beschroomd om te protesteren. Ben jij nou met dit warme weer om een vrije middag aan het vragen?

Foto: De Wikipedia Denker - gemaakt met ChatGPT

Alle wegen in Wikipedia leiden naar het weten

Ik weet een spel met Wikipedia. Kies een willekeurig artikel, klik op de eerste link in de lopende tekst, vervolgens op de eerste link van de pagina waar je dan belandt, en zo door. Je mag steeds alleen de eerste link gebruiken. Op de Engelse Wikipedia gebeurt er al sinds jaar en dag iets opmerkelijks: bijna elk artikel komt vroeg of laat uit op één en dezelfde pagina — Philosophy. Een Wikipediaan ontdekte het verschijnsel omstreeks 2011. Het gold toen voor meer dan negentig procent van de artikelen bij Philosophy, en in 2016 zelfs voor ongeveer 97 procent.

De verklaring is waarschijnlijk dat de eerste link van een artikel meestal verwijst naar een iets algemener begrip. Het artikel over de hond leidt naar ‘zoogdier’, dat naar ‘dier’, dat naar ‘organisme’, en zo klim je stap voor stap van het concrete naar het abstracte, tot je bij het meest abstracte begrip van allemaal aankomt — en dat is kennelijk de wijsbegeerte. Het spel legt zo een soort verborgen ladder bloot: een rangorde van begrippen die de hele Engelstalige encyclopedie ongemerkt doortrekt.

Maar dat geldt niet voor alle talen. Het Duits, Frans en Russisch lijken weliswaar op het Engels, maar het Italiaans komt vaker uit bij psychologie; sommige Oost-Aziatische edities belanden eerder bij ‘mens’ of ‘aarde’, en het Japans vertoont helemaal geen duidelijke convergentie. Elke taaleditie heeft haar eigen voorkeursbestemming. Ook het Nederlands zou afwijken, aldus het Wikipedia-artikel over het fenomeen. Daar werd ik weethebberig van: waar leidt de Nederlandstalige Wikipedia dan wél naartoe?

Foto: Laryngoscopy Public domain, via Wikimedia Commons

Hoe gender klinkt

COLUMN - Een van de genoegens van de oudere wetenschapper is dat je alles voor je ogen steeds ingewikkelder ziet worden. Neem gender. Ik herinner me nog onderzoek van zo’n dertig jaar geleden naar de vraag of mannen anders klonken dan vrouwen. Ja, was het interessante antwoord: mannen hebben gemiddeld bijvoorbeeld een lagere stem, maar dat kan niet alléén aan verschillen in lichaamsdeel liggen. Deels bleek het verschil namelijk cultureel bepaald: in sommige landen spreken de mannen lager en de vrouwen hoger dan in andere landen.

Gezien vanuit het heden was dit natuurlijk alleen maar een klein eerste barstje in het idee dat mannen mannen zijn en vrouwen vrouwen en dat daarmee alles gezegd is. Als het gaat over hoe iemand klinkt speelt natúúrlijk iemands lichaamsbouw mee – hoe groot het strottenhoofd is, hoe lang de mondholte, enzovoort – maar ook sociale identiteit. Soms praten vrouwen om hun vrouwelijkheid te tonen net wat vrouwelijker.

Stevige uitspraken

Inmiddels denken onderzoekers veel genuanceerder over dit soort dingen. Ze erkennen bijvoorbeeld dat er mensen zijn die zich niet in de tweedeling man-vrouw laten stoppen. En dat er verschillende manieren zijn om een indeling te maken: door het aan mensen zelf te vragen, door je te richten op het gender dat mensen bij de geboorte is toegekend, door mensen in een vragenlijst voor te leggen in hoeverre ze in eigen ogen aan ’typisch mannelijke’ of ’typisch vrouwelijke’ eigenschappen te voldoen, of in hoeverre ze in hun jeugd als jongetje of meisje werden opgevoed.

Foto: Kenneth Sørensen on Unsplash

Hij en zij in kinderboeken

ANALYSE - Is een paard een hij of een zij? Het hangt er maar vanaf. Wie zich aan het grammaticaal geslacht houdt, heeft het over het, want het is het paard. Maar wie een verhaaltje wil schrijven waarin het paard allerlei menselijke eigenschappen heeft – praten, verliefd worden op een ander paard, trek hebben in paaseitjes – is het aantrekkelijk om niet het te gebruiken, maar voornaamwoorden die je ook voor mensen zou gebruiken, zoals hij, zijdie of hen.

Maar welk kies je dan? Daarover gaat een onderzoek van de Amsterdamse taalkundigen Martje Wijers en Anna Mihlic, dat ze publiceerden in een tijdschrift met de zeer duidelijke titel Linguistics in Amsterdam. In het bijzonder keken ze naar vertalingen van kinderboeken vanuit talen waarin gender minder een rol speelt. Het Hongaars heeft bijvoorbeeld alleen maar gender-neutrale voornaamwoorden: niks hij of zij, alleen maar ő  dat voor mensen van alle genders staat.

Het Zweeds heeft wel equivalenten van hij, zij en hen, maar allerlei manieren om die minder frequent te gebruiken. Wijers en Mihlic citeren bijvoorbeeld het volgende zinnetje van kinderboekenschrijfster Sofia Chanfreau:

Vega skrattade såklart åt grizzlybjörnen som satt bredvid henne ochduschade med pälsenfull av skummigt schampo, inklämd i badkaret som var alldeles för litet.

Vertaald in het Nederlands is dat:

of waarom ze zo moest lachen (…). Om de grijze beer natuurlijk, die met zijn vacht ingezeept met shampoo in de badkuip zat, waar hij eigenlijk veel te dik voor was.

Foto: Uitgeverij Pluim - Lieke Marsman - foto Tom Cornelissen.

Je pruttelt wat mee met lichamen

Sommige schrijvers zijn goed in ieder genre, ook dat van het automatisch antwoord. Een paar jaar geleden kregen correspondenten van Lieke Marsman in de zomer te lezen: ‘met vakantie tm 31 augustus, voor dringende zaken kunt u het best iemand anders mailen.’ Ik denk sindsdien even aan haar als ik in de zomer een mail krijg met een autoreply.

Ik bewonderde haar als schrijver, en niet alleen van autoreply-berichten, en leerde haar als persoon kennen in 2017, via een project over het sonnet voor Neerlandistiek. Ik vroeg 14 dichters een nieuw, 21e eeuws sonnet te schrijven; zij schreef dat ze dat wel wilde doen, al vond ze in opdracht schrijven heel lastig, ‘maar misschien dat zo’n vormopdracht makkelijker is dan een opdracht nav inhoud’. Een paar maanden later meldde ze dat er ‘roet in het eten was gekomen, namelijk kanker’, maar ze schreef uiteindelijk toch een, omgekeerd, sonnet, We verdampen tot we condenseren.

We verdampen

Het zijn rare tijden, jaargetijden
veranderen en vermijden een confrontatie
met vakantie.

Je pruttelt wat mee met lichamen
die druipen, ijlen, kwijlen, schijten.
Een koor in mineur, dat zachtjes brult:

Je lijf is ziek, maar je wordt beter, het zal slijten.
Je zult stiller in het gras liggen en slanker,
uitgemergeld chique bezoek ontvangen. Maar kanker
heeft geen kalender, dus heb geduld.

We verdampen tot we condenseren
en ook rampen zijn gemaakt van feiten.
Je hoeft ze er alleen maar uit te destilleren.
Je wordt beter. Het zal slijten.

Foto: Rijksmuseum, CC0, via Wikimedia Commons Hans Holbein, Bisschop en de Dood

Een zwart sprookje

De hoofdredacteur schreef toen hij nog jong was en niet der dagen zat, een grappig bedoeld zombiefeuilleton over onderzoekers die in managers veranderen en dan toch nog blijven rondlopen. Hij werkte toen nog niet aan de oostelijke universiteit, maar aan een westelijke. Het is nu ongeveer tien jaar geleden dat hij verhuisde, en op een universiteit aankwam waar tot zijn verrassing allemaal mensen werkten, van vlees en bloed.

Wel vroegen de mensen van de oostelijke universiteit of hij nu ook over hen ging schrijven, maar de hoofdredacteur zag daar geen enkele noodzaak toe.

Het was ook een beetje een malle universiteit, omdat er bisschoppen in de Raad van Toezicht zaten kon je haar niet echt serieus nemen, van die ongehuwd samenwonende mannen in het bestuur die zich druk maakten over de vraag of deze of gene wel een bestuurder kon worden als ze ongehuwd samenwoonde. Er ontstond wel uiteindelijk een heel conflict omdat in het bestuur ook voormalige VVD’ers zaten die juist vonden dat de ongehuwd samenwonende vrouw de enig juiste persoon was voor deze belangrijke functie. Het conflict tussen bisschoppen en VVD’ers sleepte zich jarenlang voort terwijl de universiteit zichzelf bleef. Op de campus zag je nog steeds alleen maar mensen.

Foto: Caspar David Friedrich, Der Wanderer über dem Nebelmeer (ca. 1818). Publiek domein, via Wikimedia Commons.

Berusting en stampij

Nu de hoofdredacteur al bijna drie weken gevrijwaard is van dagelijkse beslommeringen, en hij door een warme Romaanse stad dwaalt temidden van andere toeristen, stelt hij zich natuurlijk existentiële vragen.

Inmiddels is de hoofdredacteur 40e-jaars student Nederlands, sinds hij zich in 1986 inschreef voor die opleiding. Het is niet overdreven om te stellen dat het veertig jaar waren van voortdurende neergang. Al zat hij met ruim honderd eerstejaarsstudenten in de collegezaal, toch werd de hoofdredacteur er toen al op gewezen dat dit er veel minder waren dan tien jaar eerder. En dat bovendien de kwaliteit van de opleiding die de hoofdredacteur en die 99 anderen kregen niet bepaald vooruit was gegaan sinds de invoering van de zogeheten tweefasenstructuur enkele jaren eerder, die de maximale lengte van een studie had teruggebracht naar vier jaar.

Sindsdien werd altijd alles almaar minder. Allerlei opleidingen waarbij de hoofdredacteur betrokken is geweest, leiden een kwijnend bestaan, de tak van onderzoek waarover de hoofdredacteur zo vol vuur een proefschrift geschreven heeft, bestaat niet meer, grote helden uit het verleden zijn overleden, en de hoofdredacteur kent uit zijn eigen studieperiode meerdere personen (mannen) die manager zijn geworden, maar geen grote wetenschappers.

Geldschieters

Ondertussen mag je blij zijn als alle opleidingen Nederlandse Taal en Cultuur samen net zoveel studenten trekken als die ene waar de hoofdredacteur zijn lange, lange studiepad op begon.

Foto: Lorenzo Herrera on Unsplash

De html-schrijver

COLUMN - van Marc van Oostendorp. Nu de hoofdredacteur nog altijd maar bevrijd is van zijn dagelijkse beslommeringen, mijmert hij weleens over zijn leven als html-schrijver. Html zijn de opmaakcodes voor een webpagina, en dertig jaar geleden was dat al een deel van het beroep van de hoofdredacteur, voordat hij hoofdredacteur was.

In 1996 was de hoofdredacteur gepromoveerd taalwetenschapper maar niet werkzaam in de wetenschap. Het waren de dagen van de opkomst van het web, of eigenlijk waren het de dagen dat de eerste mensen tegen de hoofdredacteur begonnen te vertellen dat dat hele internet nu toch wel over zijn hoogtepunt heen was.

Je moest in die tijd nog alle codes voor webpagina’s zelf schrijven. Als je een woord schuingedrukt wilde opschrijven moest je schrijven:

<p>Als je een woord <em>schuingedrukt</em> wilde opschrijven...</p>

Van zijn kennis van die codes had de hoofdredacteur toen veel profijt. Hij gaf er cursussen over, schreef artikelen voor computerhobbyistenbladen en boeken voor uitgeverij Bruna, hij maakte websites en was de webredacteur van het tijdschrift Emnet. Dat betekende dat de redacteur hem agendapunten opstuurde en dat de webredacteur-die-later-hoofdredacteur-zou-worden die agendapunten van de juiste codes voorzag zodat ze op een ‘webstek’ konden verschijnen. Want sites werden toen door sommige puristen webstekken genoemd, een woord dat nu alleen nog nostalgie opwekt.

Foto: Brad on Unsplash

Het grimmige verhaal achter Roosvicee

RECENSIE - De taal is geen supermarkt. Je kunt erdoorheen lopen en ieder fijn woord dat je tegenkomt in je mandje gooien en dan nog mag je bij de uitgang doorlopen zonder te betalen en zonder je bonuskaart te laten zien. Maar omgekeerd is de supermarkt wél van taal gemaakt. Ja, er staan wel tastbare goederen, maar die zitten in verpakkingen en als er op die verpakkingen geen namen zouden staan zouden we geen melk van havermoutdrank kunnen onderscheiden en stortte de supermarkteconomie in.

JP Pellemans schreef een boek over die taal van de supermarkt, Het ABC van JP2 (de 2 staat er omdat Pellemans eerder al een succesvol boek schreef over andere kanten van de taal). Het blijkt een briljant gekozen onderwerp, niet alleen doordat het Pellemans de gelegenheid geeft om het verhaal achter allerlei merknamen te vertellen, maar ook omdat hij kan vertellen hoe de supermarkt in elkaar zit, en over zijn eigen leven, én omdat hij ook nog een paar fotostrips kan laten zien van en met de bekende fotostripmaker Ype Driessen.

Het boek geeft daardoor de overladen indruk van een supermarkt, en maakt even hebberig: dit feitje wil ik óók nog hebben, en dat óók nog!

Foto: Leesplankje Cornelis Jetses, CC0, via Wikimedia Commons.

Eén taal

COLUMN - Intrigerend streven, van de gisteren opgerichte politieke partij De Nieuwe Alliantie (DNA). Op de website staat als één van de kernwensen van de partij: ‘Eén taal, één rechtsorde, één gedeelde cultuur.’

Van rechtsorde en cultuur heb ik niet veel verstand, maar hoezo één taal? Ik neem even aan dat die ‘ene taal’ dan Nederlands is, want in die taal is de boodschap zelf gesteld en het lijkt me niet verstandig om je eigen boodschap meteen te ondermijnen door zelf een andere taal te gebruiken dan die ene.

DNA schermafbeelding deel van website

Eén taal van wat? Ja, ‘Nederland’, maar wat betekent dit in de praktijk? De gymnasia verbieden? Toeristen komen het land niet meer in zonder taaltoets? Buitenlandse YouTube wordt verplicht nagesynchroniseerd? Friezen en Limburgers terug naar hun eigen land?

Het streven naar één taal voor één land is een oud romantisch idee. Hoe het precies in Noord-Korea werkt, zullen we waarschijnlijk nooit weten, maar afgezien daarvan zijn er volgens mij geen landen die het bereikt hebben. Overal zijn altijd minderheden die hun eigen taal hebben. De laatste jaren begon dit besef bij uitstek ook bij de zogeheten ‘rechtse’ partijen door te breken. Zij pleitten doorgaans bijvoorbeeld voor het opnemen van minstens het Nederlands en Fries in de grondwet, maar noemden daar vaak ook Nedersaksisch en Limburgs en gebarentaal en Papiaments bij.

Foto: Honore Daumier Le Ventre Legislatif The Legislative Belly Google Art Project

Survival of the grappigste

ONDERZOEK - Er zijn zoals bekend eindeloos veel wetenschappelijke artikelen. Een mens kan er iedere minuut van haar leven twee lezen, en dan heeft ze nog niets gelezen. Als ik eerlijk ben kun je de meeste ook meteen weer vergeten als je niet toevallig nét zelf met dat onderwerp bezig bent.

Maar er verschijnen gelukkig ook nog altijd wetenschappelijke artikelen die sprankelen van de ideeën. Zoals het artikel ‘Survival of the wittiest (not friendliest)’ dat de Servisch-Amerikaanse taalkundige Ljiljana Progovac onlangs publiceerde in het tijdschrift PNAS Nexus (gratis toegang). Dat is een tijdschrift waarin geleerden worden uitgenodigd ideeën uit verschillende domeinen aan elkaar te verbinden, en dat doet Progovac dan ook naar hartelust.

De kern van het idee zit al in de titel van het stuk, een idee uit de biologie: dat het geen toeval is dat mensen in allerlei culturen mensen die geestig en ad rem zijn enorm waarderen. Dat we daar weleens biologisch op geselecteerd zouden kunnen zijn: de geestigste en de meest ad remme liet zien hoeveel hersenen hij of zij had, en dat is uiteraard een aantrekkelijke eigenschap voor een individu. Mensen schijnen, schrijft Progovac ook doorgaans meer geestigheden te debiteren als er aantrekkelijke leden van de andere sekse óf potentiële rivalen aanwezig zijn.

Foto: PVV Rachel van Meetelen. Foto Tweede Kamer CC-BY-NC 4.0

Vrouwen met een taalachterstand

COLUMN - Een vriend stuurde me een motie toe van PVV-Kamerlid Rachel van Meetelen. ‘Hé, taalkundige, iets voor jou!’ De motie was vorige week in stemming en laat zien dat er in bepaalde kringen weer een nieuwe term bestaat om groepen in de samenleving te beschrijven: ‘vrouwen met een taalachterstand’. Voor de motie stemden PVV, FvD en JA21:

Nr. 288
MOTIE VAN HET LID VAN MEETELEN

Voorgesteld 2 april 2026

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de kraamzorg kampt met grote tekorten;

overwegende dat de schaarse basiszorg niet op grond van een taalachterstand met voorrang
mag worden verdeeld;

verzoekt de regering te waarborgen dat kraamzorg niet terechtkomt bij vrouwen met
een taalachterstand ten koste van kraamzorg aan andere Nederlandse vrouwen,

en gaat over tot de orde van de dag.

Van Meetelen

Er is voor zover ik kan nagaan geen enkele reden om te denken dat taalachterstand een belangrijke rol speelt bij voorrang in de kraamzorg. Er is een groot gebrek aan personeel en het kabinet wil daarom nadenken over wie er voorrang krijgt. Ik zie nergens staan dat het kabinet daarbij denkt aan taalachterstand, of dat zorginstellingen hier nu al mee bezig zijn. Ook Van Meetelens motie noemt geen enkele concrete aanleiding om in deze richting te denken.

De enige conclusie is dat het hier gaat om ‘buitenlanders’, die dan dus in oppositie staan tot ‘andere Nederlandse vrouwen’.

Foto: "Penne With Milan Sauce" by Photos By Dlee is licensed under CC BY-ND 2.0

Onderzoek in kommetjes

In 1986 opende een vestiging van McDonald’s bij de Spaanse Trappen in Rome. De Italiaanse journalist Carlo Petrini, protesteerde niet met spandoeken maar met kommen penne die hij uitdeelde aan voorbijgangers. Zo begon Slow Food, inmiddels een wereldbeweging met honderdvijftigduizend leden in honderdzestig landen — gebouwd op het besef dat we niet sneller moeten eten, maar beter.

Nu is er Slow Science: een nieuw manifest, van begin dit jaar, die oproept tot een vergelijkbare omwenteling in de wetenschap. (De initiatiefnemers verwijzen expliciet naar de parallel met Slow Food.) Het nieuwe manifest is pan-Europees. Wat ze delen is een grondgedachte: dat versnelling een vijand is van kwaliteit.

Die gedachte komt geen moment te laat, want de snelkookpan van de wetenschap staat op ontploffen. De wereldwijde productie van wetenschappelijke artikelen steeg van twee miljoen in 2010 naar 3,3 miljoen in 2022 — een groei van 65 procent in twaalf jaar. Verwacht wordt dat door de komst van kunstmatige intelligentie die stroom alleen maar toeneemt. En er zijn weinig aanwijzingen dat hiermee ook de groei van kennis toeneemt.. Een bekende studie in Nature uit 2023, gebaseerd op een analyse van 45 miljoen artikelen en 3,9 miljoen patenten over zes decennia, toonde aan dat die artikelen en patenten steeds minder ‘disruptief’ zijn. Ze bouwen voort op bestaand werk in plaats van het te vervangen. Steeds meer onderzoekers, steeds meer artikelen, steeds minder echt nieuw inzicht.

Foto: John Tenniel, Public domain, via Wikimedia Commons Alice and the Red Queen

Wat zou wiskunde hier überhaupt kunnen toevoegen?

Verhalen maken de biologische wetenschap

Het was een goed idee van de redactie van Nederlandse letterkunde om een themanummer te maken over de manier waarop er in andere vakken wordt omgegaan met literatuur. Het leverde onder andere een pakkend artikel op van Johannes Müller over het gebruik van verhalen in de biologie.

De biologie is onder de natuurwetenschappen een beetje een uitzondering. Ze komt voort uit een vak dat ‘natuurlijke historie’ werd genoemd en dus alleen al in die naam een verband legde met de geesteswetenschappen. Bovendien blijkt het veel lastiger om het gedrag van mieren of mensapen in wiskundige formules te vangen dan dat van elektronen of waterstofmoleculen. De wereld is op het niveau waarop ze tot leven komt toch net iets te rommelig voor precieze deterministische modellen. En dus, schrijft Müller, is het verhaal altijd een rol blijven spelen in de wetenschap.

Een prominent recent voorbeeld is de theoretisch bioloog Stuart Kaufmann die in zijn boek A world beyond physics: the emergence and
evolution of life
 (2019) de grenzen van de wiskundige modeleerbaarheid aanwijs. Müller:

In een verhalende beschrijving van hoe de eerste levensvormen bepaalde ecologische niches veroverden en creëerden laat Kauffman de proto-cellen Sly, Gus, Patrick en Rupert optreden om uit te leggen hoe verschillende organismen op elkaar aangewezen zijn en de voorwaarde zijn voor elkaars bestaan. De verhalende vorm van deze beschrijving is voor Kauffman cruciaal: ‘The story is pretty much all you have to know. What would mathematics do here at all?’

Foto: "Bloggers hard at work at Youth For Change" by DFID - UK Department for International Development is licensed under CC BY 2.0

Bloggers parodiëren met kunstmatige intelligentie

Een tijdje geleden bezweek Neerlandistiek bijna onder de belangstelling van kunstmatige intelligentie. Zoveel chatbots kwamen ons bezoeken dat de mensen er af en toe niet meer doorheen kwamen. Ondertussen zijn er wat maatregelen genomen waardoor het wat rustiger is, in ieder geval voor de mensen, maar ik bleef zitten met de vraag: wat leren die chatbots er eigenlijk van?

Dus vroeg ik zelf aan kunstmatige intelligentie (Claude) om op basis van een stuk of vijftig blogposts – sommige van Neerlandistiek, andere van de eigen blogs, maar allemaal openbaar toegankelijk – rapporten te maken over enkele van mijn favoriete bloggende neerlandici. Hier is een korte karakterisering van sommige van hen. Ik geef het ongewijzigd weer (ook de volgorde heb ik door de chatbot laten bepalen):

Louise Cornelis — Nuchtere tekstvakvrouw die hardop nadenkt over haar vak en daar altijd een praktische les uit trekt. Kort, conversationeel, Zeeuws-onderkoeld, met een scherp oog voor taal in het wild.

Robbert-Jan Henkes — Vertaler die hardop twijfelt over het ene woord dat niet mee wil. Associatief, geestig, met een zwak voor het onvertaalbare.

Marc Kregting — Melancholische essayist die elke zin laat vertakken tot hij verdwaalt, en dat verdwalen tot methode verheft. Lang, erudit, cultuurkritisch, met een ondertoon van weemoed.

Marita Mathijsen — Enthousiaste geleerde die bij een glas wijn vertelt wat ze in het archief vond. Verhalend, warm, precies, met de spanning van een detective en de ontroering van iemand die van haar onderwerp houdt.

Nicoline van der Sijs — Etymoloog die woorden laag voor laag afpelt, van het heden terug naar de zeventiende eeuw en verder, met uitstapjes naar het Koreaans en het Russisch. Encyclopedisch, precies, licht verwonderd, nooit uitverteld.

Foto: Fröknarna Salomon door Anders Zorn, via Wikimedia Commons, Public domain

Gezellig onvertaalbaar

Er bestaat een genre op het internet dat je de onvertaalbare-woordenlijst zou kunnen noemen. Het werkt zo: iemand verzamelt een stuk of wat woorden uit diverse talen waar geen equivalent voor bestaat in de taal aller talen, het Engels, zet er een foto van een aquarel bij als illustratie. Het Japanse komorebi (zonlicht dat door bladeren valt), het Deense hygge (een soort gezelligheid, maar dan op zijn Deens), het Portugese saudade (een soort weemoed, maar dan op zijn Portugees). Het zijn als je genoeg van dit soort woordenlijsten leest altijd dezelfde woorden, en trouwens ook altijd dezelfde aquarellen.

Het Nederlands komt in zulke lijstjes weinig voor, en dat is een schandvlek voor de mensheid. Wij hebben namelijk ook een aardig arsenaal aan woorden waarmee vertalers worstelen. Hieronder een poging tot inventarisatie; met de kanttekening dat ‘onvertaalbaar’ natuurlijk flauwekul is. Mededelingen in iedere taal kunnen worden omgezet in iedere andere taal. Maar we moeten iets doen voor onze language marketing.

Hier zijn er alvast zeven, het lijstje valt natuurlijk uit te breiden. Deze zijn er op geselecteerd om mensen te laten denken dat sprekers van het Nederlands een bijna net zo unieke kijk op de wereld hebben als Japanners, Denen en Portugezen.

1. Uitwaaien

Foto: Anna Shvets on Pexels

Taalbeleid op twee benen

COLUMN - Met D66 kun je alle kanten op, als het om taalpolitiek gaat. Tot een jaar of vijf geleden was de partij nog een groot voorstander van het Engels in het hoger onderwijs. Het kon bij wijze van spreken allemaal niet Engels genoeg, leve de grote kosmopolitische wereld waarin die taal ons, en met name onze universiteiten, zou laten opstijgen.

De laatste jaren leek dat omgeslagen: zoals alle andere partijen was D66 heel kritisch over de internationale instroom van studenten – die inderdaad ook soms uit de hand leek te lopen, in de zin dat de buitenlandse studenten soms geen woonruimte konden vinden en er tentenkampen moesten worden ingericht – en meende de partij dat dit kon worden verwerkelijkt door Engelstalige opleidingen aan banden te leggen.

Robbert Dijkgraaf kwam als het ware uit Princeton om hier als minister de basis te leggen van de Wet Internationalisering in Balans – een wet die overigens nog steeds niet in werking is getreden.

Ruim baan

We zijn nog maar een paar jaar verder, en inmiddels is de vlag weer heel anders gaan hangen. De nieuwe minister van OCW, Rianne Letschert, is al jaren een van de grote tegenstanders van het aan banden leggen van de verengelsing. Als bestuurder van de zeer internationaal ingestelde Universiteit Maastricht heeft ze zich er herhaaldelijk in heel duidelijke bewoordingen tegen uitgesproken. Daar komt bij dat de internationalisering van het hoger onderwijs sinds een paar jaar al niet meer zo’n onbeheersbaar probleem is dat nodig in balans moet worden gebracht. De aanwas aan internationale studenten is aanzienlijk afgenomen.

Foto: Nasrine Mbarki Ben Ayad (screenshot)

La parole heeft een prijs

Een van de bekendste gedichten die Ramsey Nasr schreef tijdens zijn periode als Dichter des Vaderlands was ‘Mi have een droom’, een gedicht uit 2009 dat kolkte van de talen en zo begon:

wullah, poetry poet, let mi takki you 1 ding: di trobbi hier is dit
ben van me eigen now zo 66 jari & skerieus ben geen racist, aber
alle josti op een stokki, uptodate, wats deze shit? ik zeg maar zo

Het was een speels gedicht, en belangrijk was dat erboven stond ‘(Rotterdam 2059)’. Inmiddels heet de Dichter des Vaderlands Dichter der Nederlanden, en sinds deze maand wordt dit functie vervuld door Nisrine Mbarki Ben Ayad. Zij mocht gisteren de NRC openen met haar eerste gedicht der Nederlanden. Dat gedicht heet ‘beginselverklaring’, het staat hier en de eerste regels gaan zo:

zij

op een novemberochtend
kijk ik in de ogen d’une face feminine dat het mijne is geworden

heb je jezelf ooit van bovenaf gezien
de patronen die je achterlaat terwijl je voortbeweegt op aarde
dress toujours like je naar een veldhospitaal gaat

la parole heeft een prijs
dans toutes mes langues
اللي ما فهمكش خسرك

Anders dan voor Nasr is voor Mbarki de meertaligheid geen gimmick – het zit ook in haar debuutbundel oeverloos en in haar prozadebuut Kookpunt. Ze gebruikt geen inherent vluchtige straattaal, maar Frans, Arabisch en Engels. Het gedicht gaat ook niet over een ‘droom’, maar heet een ‘beginselverklaring’. Waar men in tijden van weleer zo’n beginselverklaring in één taal deed, in ferme taal, kunnen we dat nu niet meer doen. De samenleving en de mens zijn niet meer eentalig.

Foto: Jurist in de rechtbank - Artur Puls, 1890. Collectie Rijksmuseum-Amsterdam Public domain

Begrijpelijkheid is een vorm van retoriek

COLUMN - Lang hebben we gedacht dat ingewikkelde taal een manier was om macht te laten gelden, of in ieder geval gold als een vanzelfsprekend teken van expertise. Wie gezag had, sprak niet eenvoudig, en omgekeerd. Moeilijke woorden, lange zinnen en impliciete voorkennis waren signalen dat hier iemand sprak die het overzicht had, die zoveel geleerdheid had verworven dat zijn waarheid alleen nog met moeite ontsloten kon worden. In wetenschap, recht en bestuur was helderheid geen kernwaarde. Te veel eenvoud wekte argwaan: was wat je begrijpen kon wel de moeite waard?.

Als het ooit waar geweest is, is die tijd nu wel voorbij. Dat blijkt bijvoorbeeld uit een artikel over klare taal in rechterlijke uitspraken in het Tijdschrift voor Taalbeheersing. De auteurs, Geerke van der Bruggen en Henk Pander Maat, onderzochten vaak genoemde tekstingrepen, zoals het vereenvoudigen van het taalgebruik, of uitleg verschaffen over juridische regels. Juridische leken lazen verschillende versies van echte rechterlijke uitspraken, zowel in civiele als in strafrechtzaken; daarna maten de onderzoekers niet alleen wat lezers begrepen, maar ook hoe zij de tekst ervaren hadden en of zij de beslissing accepteerden. Daarbij maakten de onderzoekers expliciet onderscheid tussen daadwerkelijk begrip (kun je antwoorden geven op vragen over de tekst) en ervaren begrijpelijkheid (heb je het gevoel dat je begrijpt – wat natuurlijk niet per se hetzelfde is).

Foto: "graf Annie M.G. Schmidt" by EddieBerman is licensed under CC BY-NC-SA 2.0

De auteur staat op van de doden

Het onderzoeken van de taalvermogens van grote taalmodellen is inmiddels een heuse eigen industrie. Kunnen we teksten van chatbots herkennen? En zo ja, waar ligt dat dan aan?

We stuiten hier meteen op een pikant onderwerp: onderzoekers kunnen inderdaad verschillen vaststellen, maar tegelijkertijd lijkt het alsof menselijke lezers ongevoelig voor die verschillen zijn. Met andere woorden: computers lijken beter in het ontmaskeren van door computers geschreven teksten dan mensen. Hier zijn bijvoorbeeld twee recente artikelen (hier en hier) die min of meer dezelfde conclusies trekken. Chatbots schrijven over het algemeen wat formeler en daarnaast zijn ze geneigd wat meer informatie per vierkante centimeter te verwerken. Dat betekent dat ze bijvoorbeeld meer zelfstandig naamwoorden gebruiken – heel veel informatie zit in de zelfstandig naamwoorden – terwijl mensen percentueel wat meer lidwoorden, voorzetsels en andere betrekkelijk inhoudsloze woorden gebruiken. (Hier schreef ik over nóg een onderzoek meteen vergelijkbare conclusie.)

De verschillen zijn meetbaar, al zijn ze ook statistisch (niet iedere door een chatbot of door een mens gemaakte tekst is op deze manier te herkennen). Maar met het blote oog op te merken zijn ze nauwelijks.

Keurmerk

Desalniettemin hebben met name ervaren redacteuren wel het gevoel dat ze de verschillen kunnen ontdekken. Chatbottekst voelt gladder aan, en cliché-matiger. Gek zou dat ook niet zijn: chatbots zijn als het ware gemaakt om gladde en cliché-matige teksten te maken. In essentie doen ze niet anders dan steeds het meest voor de hand liggende woord te gebruiken, dat wil zeggen het woord dat in het corpus het vaakst voorkomt in deze context. Als veel mensen ‘op een mooie pinksterdag’ geschreven hebben, zal de computer na ‘op een mooie…’ geneigd zijn pinksterdag te schrijven.

Volgende