Niet populariseren maar communiceren

ACHTERGROND - Vroeger zeiden ze vervoer. Daarna zeiden ze transport. Vervolgens noemden ze het logistiek. En nu doet een bedrijf aan logistics. Ondertussen doen die bedrijven, voor zover ik weet, precies hetzelfde. En zo is het meestal met naamsveranderingen, dus het zij u vergeven als u denkt dat een naamsverandering gebakken lucht is. Soms is er echter wel degelijk iets aan de hand: human resource management is echt iets anders dan het aloude personeelszaken. En wetenschapscommunicatie is echt een andere vorm van overdracht dan populariseren.

Het grote verschil is dat de popularisator sprak maar niet luisterde. De wetenschapper die zijn inzichten wilde delen was als een radiostation dat een boodschap de wereld instuurde; het publiek was daarbij de passieve ontvanger. Hierbij werd de boodschap vereenvoudigd: er was een kloof tussen de universiteit, waar een zeer kleine groep mensen lang had kunnen studeren, en de overgrote, minder lang geschoolde burgerij. Vereenvoudiging was noodzakelijk.

Massamedia en hoogopgeleiden

De opkomst van de massamedia – we hebben het dus over de jaren zestig, zeventig – maakte duidelijk hoe verkeerd deze visie was. Onze ouders leefden al in een wereld met een informatie-overaanbod en moesten selecties maken. Het wetenschappelijke signaal was een van de vele en omdat de wetenschap haar inzichten overdragen moest (een wettelijke verplichting, al lang voordat er sprake was van valorisatie), moest ze duidelijk maken waarom haar informatie beter was. De ontvanger, die actief selecteerde, moest dus een argument horen om zijn selectie in het voordeel van de betrouwbaarst mogelijke informatie te laten uitvallen. Dus kwam er meer uitleg: niet alleen werden de conclusies gepresenteerd, ook werd toegelicht waarom de wetenschappelijke methode de meest redelijke was. Anders gezegd: voorlichters begonnen de wijze van kennisvergaring inzichtelijk te maken.

Dit was ook om een andere reden noodzakelijk. Het aantal mensen dat naar een HBO of een universiteit kon gaan, groeide en is inmiddels hoger dan ooit. En dat niet alleen in Europa, maar wereldwijd. Zulke mensen kunnen meer informatie aan en hebben ook een veel hogere informatiebehoefte. Zij willen graag weten waarom we weten wat we weten.

En er is nog iets. Hoogopgeleiden die teleurgesteld zijn, gaan op zoek naar andere informatie – informatie die in kolossale hoeveelheden aanwezig is, zeker nu er internet is. Ik verdien het dagelijks brood in de voorlichting over de Oudheid en heb gezien hoe Iraanse nationalisten de propaganda van de sjah nieuw leven inbliezen. Ik heb daar nogal wat mee te stellen gehad maar één ding moet ik ze nageven: er was en is gewoon weinig goede informatie beschikbaar, ze konden niet beter weten. In mijn vakgebied is de voorlichting immers niet meegegroeid met de behoeften van het publiek. Ander voorbeeld: dankzij digitaliseringsprojecten keerden allerlei negentiende-eeuwse inzichten terug, terwijl actuele inzichten achter betaalmuren blijven liggen, waarna bad information drives out good. Zo maakte het Jezusmythicisme, het in de negentiende eeuw door antisemieten als Bruno Bauer uitgedragen idee dat Jezus nooit heeft bestaan, een comeback.

Niet populariseren maar communiceren

Populariseren – informatieoverdracht die zich beperkt tot het vereenvoudigd weergeven van wetenschappelijke conclusies – is dus contraproductief. Het geeft niet aan waarom wetenschappelijke informatie beter is en het speelt niet in op de informatiebehoefte. Wetenschapscommunicatie wil het beter doen. Het woord geeft de ambitie aan niet langer uit te gaan van wat de wetenschap aanbiedt, maar ook te luisteren naar wat het publiek vraagt. De wetenschapscommunicator biedt niet slechts de vereenvoudigde conclusies die vroeger werden beschouwd als voldoende, maar biedt ook uitleg van het wetenschappelijk proces. Het is dus geen zenden meer, maar communicatie.

Wat ik hierboven beschrijf, is ook te beschrijven met jargontermen als “zender-ontvanger-model” en “science deficit model”. Dat laatste was het idee dat mensen, als ze hun kennisachterstand over de wetenschap maar zouden wegwerken, als vanzelf de wetenschap zouden volgen. Een mooi en nobel idee, maar wat al te optimistisch. In de wetenschapscommunicatie-praktijk merk je al snel dat er mensen zijn die liever geen wetenschap hebben dan een bepaalde conclusie.

Bezorgdheden

Daar zit, is mijn ervaring, altijd een bezorgdheid achter. Creationisten zijn bang dat als het evolutionisme klopt, er geen Voorzienigheid meer is. Iraanse nationalisten hebben een hoge prijs betaald tijdens de Islamitische Revolutie in Iran. Het afrocentrisme, dat behelst dat alle beschaving via een “zwart” Egypte komt uit een “zwart” Afrika, is een irrationele reactie op reële discriminatie. Veel Jezusmythicisten zijn bang voor fundamentalisme. Wie de val van het Romeinse Rijk in verband brengt met Germaanse migraties, is vermoedelijk bang voor immigratie.

Zulke bezorgdheden zijn weliswaar irrationeel maar daarom niet minder reëel. Wie wetenschap wil overdragen aan het publiek, moet deze bezorgdheden onderkennen. Alleen dan communiceer je.

Academisch specialisme, generalistische vragen

Een ander punt dat samenhangt met het feit dat wetenschapscommunicatie communicatie is, is het onderkennen van de vragen die bij het publiek leven. Dat lijkt logisch maar dit gaat in de praktijk vaak mis. De Nationale Wetenschapsagenda nodigde het publiek uit vragen te stellen, kreeg er meer dan twaalfduizend en liet die vrijwel allemaal onbeantwoord.

De concrete aanleiding voor het stukje dat u momenteel leest is dat het Mondriaanfonds geld uittrekt om archeologie toegankelijker te maken voor het grote publiek. Heel mooi – ik schrijf dat zonder ironie – maar het stelt weer eens de zender centraal: in dit geval een wetenschappelijke discipline. Die discipline is welbeschouwd een beperking en die beperking is er niet zonder reden, want voor het waarmaken van het prachtige ideaal van “hoger onderwijs voor allen” hebben we een hoge prijs betaald, namelijk dat de opleidingen erg kort zijn. We kunnen geen allround-letterenmensen meer opleiden.

Het probleem is nu dat het publiek, enkele uitzonderingen daargelaten, niet is geïnteresseerd in “het verleden zoals kenbaar met de beperkingen van de archeoloog”. Het publiek wil weten wat het verleden was, zonder beperkingen, en het wil weten hoe we dat verleden kunnen kennen. De Mondriaansubsidies zullen het publiek niet werkelijk helpen. (Geloof me, Mondriaanfondsmensen: ik doe dit werk al een kwart eeuw en heb ruim tienduizend publieksvragen mogen beantwoorden.)

Samenvattend: de popularisator zond vereenvoudigd wat de universiteit kwijt wilde aan een passief publiek, maar dit werkte averechts, omdat het publiek zo niet ontdekte waarom deze informatie beter was dan andere en omdat het publiek een hogere informatiebehoefte had. Ook stelt het publiek vragen die veel breder zijn dan een hedendaagse, hyperspecialistische academicus kan beantwoorden. De wetenschapscommunicator zoekt een oplossing door niet de zender maar de ontvanger centraal te stellen en door de informatie beter op doelgroep en vraag toe te snijden. In feite is de wetenschapscommunicator, hoewel hij net als zijn voorganger probeert inzichten over te dragen aan de maatschappij, de tegenpool van de popularisator.

  1. 1

    Onze samenleving werkt niet met communicatie maar met voorlichting. Ook wel manipulatie genoemd. Alles heeft een doel en jan met de pet moet geïnteresseerd worden in dat doel.

    Wat jij zegt, is dat de voorlichting tweewegcommunicatie moet zijn. Dat is mooi, maar dat gaat het nooit worden omdat we een hiërarchische samenleving hebben gecreëerd waar de hogere laag iets vertelt aan de onderliggende laag. En dat top-down is gespiegeld in de religie van onze samenleving (enkele uitstervende samenlevingen op deze aardkloot daargelaten). Het kan ook zijn, dat de samenleving een spiegel van de religie is. Kies maar.

    Hoe het ook zij, god vertelt ons wat en niet omgekeerd (ik geloof niet in god maar de [baas van] samenleving wel). Trickle-down economics komt niet zo maar ergens vandaan.

    En ja, dat geldt dus voor alle informatie.

    Jij wil het anders, wat je wil is een andere samenleving. De jaren 60/70 hebben aangetoond dat dat niet gaat gebeuren. Af en toe een turbulentie, revolutie zo je wil, maar geen fundamentele veranderingen. De platte samenleving is vrijwel weg of niet bestaand. Ken je de man voor de Chinese tank nog? Denk je dat men ooit naar hem gaat luisteren?

    /cynisme /negatieve bui

  2. 2

    door de informatie beter op doelgroep en vraag toe te snijden

    Daar zal niemand bezwaren tegen hebben. Maar ik maak me toch wel een beetje zorgen. Wanneer wordt het ‘naar de mond praten’? Wanneer worden resultaten van wetenschap (bv. nul-effect) verzwegen om het publiek niet teleur te stellen? Wanneer wordt nagelaten over onderzoek te rapporteren omdat verwacht wordt dat niemand er belangstelling voor heeft?

    De communicatie-industrie is zoals @1 al opmerkt erg gefocust op het manipuleren van de publieke opinie ten dienste van de broodheren. Ik hoop dat de wetenschapscommunicatie daar afstand van neemt en vooral sec laat weten wat de wetenschap oplevert.

  3. 3

    Wie de val van het Romeinse Rijk in verband brengt met Germaanse migraties, is vermoedelijk bang voor immigratie.

    Over een grote verfkwast hanteren gesproken…

  4. 4

    Overigens doet @0 ook pijnlijk zich laten inkijken qua kwestie vervoer / transport / logistiek, want daar is nogal wat veranderd over de jaren heen. Genoeg om naamsveranderingen te rechtvaardigen. Wat ook vooral te maken heeft gehad met de informatie-revolutie.

  5. 5

    Vroeger zeiden ze vervoer. Daarna zeiden ze transport. Vervolgens noemden ze het logistiek. En nu doet een bedrijf aan logistics. Ondertussen doen die bedrijven, voor zover ik weet, precies hetzelfde.

    Dit is inderdaad een pijnlijk begin. Vervoer en transport is ongeveer hetzelfde. Van A naar B brengen. Logistiek is een verfijning. Producten moeten just in time op een bepaalde plaats zijn. Bedrijven hebben soms maar voorraden van een paar uur. Dus dan moet de transporthandeling op het juiste moment plaats vinden. (Gaat nog leuk worden met de brexit als een toeleverancier bumpers of zoiets naar een Britse autofabriek gaat brengen.)

    Dus beste Jona, je wilt communiceren. Maar gebruik dan je begrippen in de goede context.

  6. 6

    @3

    Zo’n uitspraak begrijp ik ook niet als je wilt communiceren. Of het moet een ironisch voorbeeldje zijn van populariseren? Communiceren wil zeggen dat je informatie uitwisselt met elkaar. Dat is een wisselwerking door twee partijen. Jona legt met die uitspraak *vermoedelijke* informatie neer bij de lezer. En omdat het vermoedelijk is, is er ook geen verweer mogelijk.

    Sorry, Jona. Maar is misschien dit hele stuk ironisch bedoelt? Zodat wij op autodidactische wijze leren wat communicatie is?

  7. 7

    Jona, het geld van het Mondriaanfonds is nadrukkelijk niet bedoeld voor de universiteiten, of voor onderzoek. Je spreekt de verkeerden aan, vrees ik.