De wereld van Mein Kampf

RECENSIE - Twee dingen vielen Ewoud Kieft op, nadat hij de Duitse recensies van Mein Kampf verzameld en gelezen had. Ten eerste dat het boek aanvankelijk door de ‘democratische kranten’ genegeerd werd. Hij interpreteert dat als een teken van minachting. Dat boek van Hitler deed er niet toe, want die hele völkische beweging lag immers op zijn gat. Het was een verzameling schreeuwers, meer niet.

Toen de conservatieve Deutsche Zeitung een slechte recensie afdrukte (de krant vond Hitler zelfingenomen en ‘onverdraaglijk opdringerig’) publiceerden dezelfde kranten ineens lange stukken over het boek waarin ze honend de kritiek van de Deutsche Zeitung citeerden – om nog maar eens te benadrukken dat het daar op rechts nooit wat zou worden. ‘De verleiding,’ aldus Kieft, ‘om de völkische politiek te beschouwen als een beweging die zichzelf zou vernietigen, bleek eens te meer hardnekkig.’

Maar er viel hem al lezend nóg iets op (blz. 197):

De woorden “jood” of “antisemitisme” kwamen in de meeste besprekingen van Mein Kampf niet of nauwelijks voor.

Antisemitische bladen stonden er hooguit zijdelings bij stil en

de gevestigde liberale en socialistische kranten gingen in hun eerste recensies al helemaal niet op Hitlers antisemitisme in.

Kieft heeft er geen verklaring voor. Een enkele Oostenrijkse recensent bleef bij een volstrekt bizarre antisemitische passage steken (in de trant van ‘als de Joden winnen, zal de planeet uitsterven’) en twijfelt vervolgens aan de geestelijke gezondheid van de auteur. Kieft suggereert dat andere recensent over Hitlers antisemitische uithalen zwegen uit een soort van plaatsvervangende schaamte. Maar iets anders ligt meer voor de hand: ze vielen gewoon niet op.

Hitler schreef Mein Kampf grotendeels tijdens het half jaar dat hij in de gevangenis zat vanwege de mislukte staatsgreep van 1923. Een staatsgreep die hen wereldberoemd maakte. Kieft schrijft weliswaar over Het verboden boek maar zijn boek gaat voor een groot deel over het proces ná de staatsgreep, waarbij Hitler de kans kreeg én greep om het Duitse publiek kennis te laten maken met zijn denkbeelden en zijn retorische gaven. De oproerkraaier die kort tevoren nog moest vluchten voor de politie, draaide daarna als een politieke superstar het gevang in. En daar kreeg hij de kans om zijn ideeën eens te ordenen – met Mein Kampf als resultaat. Het zou een bestseller worden, en beslist niet alleen, zo benadrukt Kieft, omdat het voor nazileden verplicht leesvoer was.

In tegenstelling tot wat vaak wordt beweerd biedt Mein Kampf een helder, strak, gesloten wereldbeeld. Het is een ook nu nog op vele punten (vooral als het gaat om zijn kritiek op de democratie) heel herkenbaar en overtuigend betoog, zo moet Kieft knarsetand toegeven. De historische passages zijn wat vlak (en uiteraard bij kritische beschouwing volstrekt onzinnig). Maar met name wanneer Hitler beschrijft hoe je de massa voor je kunt winnen, en hoe je een politieke beweging (géén partij!, maar een beweging die geen tegenspraak tolereert) moet organiseren, krijgt Hitlers proza vleugels.

Hij is op zulke momenten ook volkomen eerlijk: een massabeweging, schrijft hij,  kan nooit gegrondvest worden op rationele argumenten en ingewikkelde redeneringen; alles draait om gevoel, en de boodschap dient daarbij zo simpel mogelijk te zijn. En Hitler voegt ter plekke de daad bij het woord: alle kwaad, alle ellende, alles wat de Duitsers tijdens en na de Eerste Wereldoorlog hebben moeten doorstaan, is de schuld van de joden.

Een simpele, effectieve boodschap. Alleen niet origineel. Het antisemitisme was al eeuwenoud, het was dertig jaar eerder opgebloeid in Rusland en Oostenrijk, daarna ook in Frankrijk en direct na de Wereldoorlog ook in Duitsland. Tegen de tijd dat Hitler het beklaagdenbankje beklom, waren alle rechtse stromingen, bewegingen, partijen en vrijkorpsen antisemitisch. De een wat meer dan de ander, maar al met al was Hitlers boodschap volstrekt onorigineel.

Dan is het eigenlijk ook geen wonder dat de kranten geen aandacht besteedden aan dit kenmerk. Daar komt nog bij dat Hitler niet echt consequent is. Ja, de joden zitten overal achter, maar hij gaat vaker te keer tegen de ‘marxisten’ (socialisten en communisten) die Duitsland in 1918 verraden hadden. Het idee dat dáárachter weer de joden schuil gaan breekt slechts hier en daar door. Consequent doordacht lijkt het boek op dit punt dus niet. Dat is misschien niet verwonderlijk, want Hitler was op dat moment nog pas een paar jaar overtuigd antisemiet.

Dat zijn antisemitisme niet opviel, kan nog een andere reden hebben. Wie anno 2017 ‘joden’ en ‘Hitler’ zegt, zegt ‘holocaust’. We kunnen Mein Kampf niet lezen zonder deze associatie. Vaak wordt ook wel gezegd dat het boek de ‘blauwdruk’ zou bevatten voor de holocaust. Alsof Heydrich, toen hij de opdracht kreeg te zorgen voor de ‘Entlösung der Judenfrage’ alleen maar Mein Kampf hoefde open te slaan.

Als een dergelijk masterplan inderdaad in het boek had gestaan, dan waren de recensenten daar waarschijnlijk wel over gestruikeld. Hitlers opmerkingen over de Joden zijn weliswaar uitermate agressief maar als het op concrete maatregelen aankomt lijkt er eerder sprake van een ongerichte, wilde agressie die zich vooral richt tegen ‘verraders’ en die veel meer aansluit bij de sfeer van die bloedige jaren na de Eerste Wereldoorlog dan bij de industriële aanpak die Heydrich zou ontwikkelen. Er zij wat dat betreft een klein aantal cruciale passages. Hitler schrijft hoe de nederlaag van 1918 voorkomen had kunnen worden door eerst de ‘marxistische draak’ te vernietigen (p. 150):

Wanneer men in het begin van de oorlog en gedurende de strijd eens een twaalf-  tot vijftienduizend van deze Hebreeuwse volksbedervers een paar gifgasaanvallen had laten doormaken, zoals honderdduizenden van onze allerbeste Duitse arbeiders (…) dan zou het offer van miljoenen mensenlevens niet tevergeefs zijn geweest.

Hij schrijft ook dat

de totale vernietiging van de nieuwe leer (het marxisme, mh) alleen door te voeren zal zijn langs de weg van een genadeloze uitroeiing.

Elders belooft hij de inrichting van Volksrechtbanken bedoeld om (p.160):

vele tienduizenden van de lieden die het verraad in november 1918 en alles wat daarbij hoort hebben georganiseerd, en er dus ook de schuld van dragen, te vonnissen en terecht te stellen.

Dit is geen blauwdruk voor de holocaust. Hitler lijkt vooral te pleiten voor een massamoord op de toplaag van ‘marxisten’ – in zijn ogen allemaal ‘Hebreeuwse volksbedervers’. En dat soort wraakzuchtige opmerkingen, daar keek niemand toen van op. Die waren in die tijd waarschijnlijk aan elke Stammtisch te horen. De kranten waren onder de indruk van Hitlers retorische gaven, maar dit soort opmerkingen kon niet echt boeien.

Mein Kampf kan niet meer gelezen worden zonder ‘de kennis van nu’ en Kieft doet geen moeite dat te vermijden. Hij verwijst regelmatig naar de hedendaagse politiek, naar moderne politieke retoriek, Trump, Nieuw Rechts en ga zo maar door. Hier en daar vouwt hij er ook nog wat persoonlijke anekdotes doorheen, waardoor het boek soms gevaarlijk dicht in de buurt komt van Laurent Binets Hitlers hersenen heten Heydrich. Maar al met al is Het verboden boek vooral een pleidooi om Mein Kampf te lezen.

Ook al is de aanschaf nog steeds lastig. Kieft begon aan het project omdat het NIOD van plan was om een wetenschappelijke uitgave van Mein Kampf te maken, waarbij hij het voorwoord zou schrijven. Die uitgave ging niet door, maar Kieft las verder in dat boek. En hij werd steeds somberder. Hij zag voortdurend parallellen met de actualiteit, en kreeg ‘steeds meer oog voor de grenzen tussen democratisch en antidemocratisch populisme’. Tussen de erkenning dat een volk uit groepen bestaat die verschillende belangen hebben, en de mythe dat het volk één is, en dat ‘de leider’ dat volk vertegenwoordigt (p. 242):

Hitlers schaamteloze pleidooi voor feitenvrij populisme was misschien wel wat me het meest aan de actualiteit deed denken. Het feit dat grote groepen niet geïnteresseerd zijn in feitelijke onderbouwing van beweringen (…) werd dagelijks bevestigd in reportages over Trump-aanhangers.

We zijn een eeuw later maar, zo vreest Kieft, nog geen steek verder.

Ewoud Kieft, Het verboden boek. Uitgeverij Atlas Contact, 285 blz. 19,99 euro.

  1. 2

    We zijn een eeuw later maar, zo vreest Kieft, nog geen steek verder.

    Dat lijkt mij geen vrees, maar een vaststelling. Los van Hitler dient men naar het onderliggende principe van de mens als verschijnsel te kijken. De mens zoekt van nature naar verbondenheid. Types die hun dagen in hun eentje op Rottumerplaat willen door brengen zijn zeldzaam. We zoeken a.h.w. aanvulling op ons zelf bij onze medemens. (of bij “gebrek aan” , een hond of zo)

    Wat je als dictator in spe dus moet doen is dat groepsgevoel aanwakkeren bij je publiek. Dat mag best gepaard gaan met leugens, zolang die leugens maar gekoppeld zijn aan dat groepsgevoel. De mens is gevoelig voor ideologie, religie en andere waandenkbeelden. En zowel bij ideologie als religie heb je dus ook een tegenhanger nodig. Hitler vond die bij de marxisten, joden enz. Dat het in de oorlog totaal is ontspoord met de joden is waarschijnlijk toeval. Als er geen joden waren geweest, dan had hij wel wat anders verzonnen.

    Zoals we nu weten is Hitler in de loop van de oorlog totaal waanzinnig geworden. Zijn derde rijk kon niet ten onder gaan. De arme man is uiteindelijk zelf ook ten onder gegaan aan zijn waandenkbeelden. Hij kón uiteindelijk ook niet anders dan de drager van die waandenkbeelden vernietigen. Hijzelf.

    Uiteraard was de Europese bevolking geschrokken van wat er gebeurd was. Dit nooit meer, zei men. Maar men heeft verzuimt om naar de onderliggende principe te kijken. Waardoor een herhaling in de toekomst geen waarschijnlijkheid is, maar een zekerheid. De druk van WO2 is weggezakt, nu de laatste generatie die het heeft mee gemaakt aan het sterven is.

  2. 3

    Ik vond deze passage over verkiezingen, democratie en de kloof tussen politici en burgers nogal pijnlijk (uit een voorpublicatie in het Historisch Nieuwsblad):

    En telkens opnieuw kwamen ze er dan achter hoezeer ze (de politici, JvD) van het volk vervreemd waren. En dus herhaalde het ritueel zich: de politici trokken weer even het land in, ‘leggen overal hun oor te luisteren aan de boezem van het volk, besnuffelen de persproducten, en krijgen zo langzamerhand in de gaten wat de geliefde medeburgers uit de meest talrijke groepen der bevolking nu eigenlijk wensen, wat ze verfoeien en wat ze hopen te bereiken.’ De dag na de verkiezingen was de belangstelling voor het volk altijd bij toverslag verdwenen, vervolgde Hitler sarcastisch. De politici ‘wenden zich van het plebs af, om zich met hoger en aangenamer taken op te houden.'

  3. 4

    Kieft suggereert dat andere recensent over Hitlers antisemitische uithalen zwegen uit een soort van plaatsvervangende schaamte. Maar iets anders ligt meer voor de hand: ze vielen gewoon niet op.

    Kieft maakt hier een dubbele fout mijns insziens. Allereerst: Mein Kampf verkocht tot 1929 voor geen meter en pas na 1930 kon Hitler van de verkopen een puissant leven van leiden. Tot 1929 was Hitler wel een bekend figuur maar hij leefde zowel financieel als politiek in de marge.

    Ten tweede: Het is ook een illusie om te denken dat voor 1933 er geen antisemitisme was in Europa. In die zin viel het inderdaad niet op. Maar dat was niet uit plaatsvervangende schaamte, dat zou hineininterpretieren zijn, en het is ook niet omdat het niet opviel, maar omdat het antisemitisme van Hitler niet uniek was. Er waren met hem verschillende politieke partijen in Europa die er openlijk voor uit kwamen antisemitisch te zijn.

  4. 7

    Jodenhaat was niet Hitlers unique selling point. Mensen luisterden graag naar iemand die hardop zei dat het verdrag van Versailles te hard was en dat de inflatiepolitiek het spaargeld van de middenklasse deed verdampen. (wat pijnlijk genoeg waar was)