Waarom het koloniaal verleden wel èn niet aanwezig is

ACHTERGROND - Van de VOC tot de WIC: verhalen uit de koloniën duiken keer op keer op uit onze collectieve dode hoek om ons te verrassen en confronteren. Hoe is dit te verklaren? Een bijdrage uit de Studium Generale serie ‘Duister Verleden’ van de Universiteit Utrecht

“Laten we blij zijn met elkaar. Laten we zeggen: ‘Nederland kan het weer!’, die VOC-mentaliteit. Over grenzen heen kijken! Dynamiek! Toch?” Op deze befaamde naïeve uitspraak van Jan-Peter Balkenende in 2009 volgde een stortvloed aan reacties. Balkenende ging volledig voorbij aan donkere kanten van de ‘handelsgeest’, denk aan de plunderingen en slavenhandel. Was de oud-premier verblind door stiekeme trots en het romantische idee van het koloniaal verleden? Of was hij het echt ‘vergeten’?

Een vergeten verleden?

“De omgang met ons koloniaal verleden is als een weerlicht: iets flikkert in de verte. Het is er wel en het is er niet.” Dit is de metafoor die historicus prof. dr. Remco Raben (UU) graag aanhaalt. Collectief wordt er – bewust of onbewust – weggekeken van het koloniaal verleden. Tegelijkertijd duikt het keer op keer weer op uit onze collectieve dode hoek – het verrast en confronteert. Soms wordt de positieve kant belicht en soms alleen het negatieve, maar alle versies zijn relevant en kunnen naast elkaar bestaan. Raben: “Veel postkoloniale harten kunnen in een borst kloppen: trots en trauma, goed en fout, vergeten en herinneren.”

De houding van Nederlanders tegenover het koloniale verleden wordt door de geschiedenis heen gedomineerd door onverschilligheid. Vaak wordt beweerd dat de koloniën niet speelden in het Nederlands collectief bewustzijn. Er was geen sprake van intensieve culturele uitwisselingen en er was ook niet één groot ‘Nederlands Rijk’. Raben: “De Nederlandse koloniën waren een plek van veraf waar iets mee verdiend kon worden.” In de media en historiografie wordt over dit verleden vaak geschreven als ‘verborgen’ en ‘verzwegen’. Echter klonk de aanwezigheid van de koloniën wel door in de Nederlandse cultuur. Volgens Raben waren de koloniën in de jaren ’50 en ’60 een veelvoorkomend thema in kinderboeken. Ook keert het koloniale verleden als leidmotief terug in het nieuws en ons collectief bewustzijn, om het vervolgens weer te vergeten.

Een gedeelde taal voor beter begrip

Hoe is het te verklaren dat de geschiedenis van Nederlands-Indië tegelijkertijd wel èn niet aanwezig is? “Je zou deze paradox kunnen oplossen door het te zien als culturele afasie.” zegt Raben. Culturele afasie beschrijft metaforisch het onvermogen om de woorden te vinden voor een gebeurtenis. Evenals de medische neurologische aandoening ontstaat afasie vaak na trauma. Het koloniale trauma voor Nederland werd door koningin Juliana bij de soeveiniteitsoverdracht in 1949 benoemd: “Wij zijn nu naast elkaar gaan staan, hoezeer ook geschonden en gescheurd en vol littekens van wrok en spijt.” Het koloniale verleden kan geen vaste plaats vinden in het Nederlands historisch besef, omdat de taal ontbreekt. Het verleden is er wel, maar de manier waarop we erover praten sluit niet aan.

Het onvermogen om in gepaste woorden over het koloniale verleden te praten kan liggen aan het feit dat bijvoorbeeld Indische historici meer weten van westerse geschiedenis dan andersom. In lijn met historicus Dipesh Chakrabarty spreekt Raben dan ook van een asymmetrische kennisverhouding. De wereld wordt bekeken en begrepen door een westerse bril. Wanneer er weinig kennis is van de niet-westerse geschiedenis, is het creëren van een gemeenschappelijke taal niet mogelijk.

Doorbreken van de koloniale patstelling

Balkenendes blinde trots op de VOC-mentaliteit is naïef te noemen, maar ook tekenend voor de complexe relatie van de Nederlanders met het koloniale verleden. Het verhaal van trots is een vereenvoudigde versie: vanuit een liberale en westers perspectief is de door handel gedreven VOC-mentaliteit te bejubelen. Dit laat alleen geen ruimte voor de complexe werkelijkheid. Nederlandse historici zijn hierin volgens Raben weinig innovatief, ze blijven denken binnen eurocentrische kaders. De manier waarop we over het koloniaal verleden denken en praten is dus ook aan vernieuwing toe.

Daarnaast waarschuwt Raben voor het vervallen in opposities: “We moeten uitkijken voor het louter praten in opposities als ‘kolonisator’ en ‘gekoloniseerde’, of ‘slavendrijver’ en ‘slaaf’ waarbij het kolonialisme wordt gereduceerd tot een geweldsmachine.” Deze vereenvoudigde opposities en denkkaders moeten worden gecompliceerd om het veelzijdige verhaal van het koloniale verleden te begrijpen.

Een manier om dit te doen is door in het onderwijs ruimte te geven aan wereldgeschiedenis. Door hier meer aandacht aan te besteden kan de asymmetrische kennisverhouding worden rechtgetrokken. Onderwijs en kennis zijn allicht de beste therapie voor culturele afasie. Wederzijds historisch begrip kan leiden tot een gemeenschappelijke taal. Hierdoor zal wanneer het weerlicht van ons koloniale verleden weer verschijnt ons niet verblinden, maar ons beeld over het verleden verscherpen.

Dit artikel van Amber Striekwold verscheen eerder op Studium Generale Utrecht.

Bekijk hier de lezing van prof. dr. Remco Raben
  1. 1

    […] een asymmetrische kennisverhouding […]

    De laatste tijd komt dit onderwerp* vaker voor in verschillende gedaantes. Verandert er iets? Interessant, die bewustwording van verschillende invalshoeken en verschillende geschiedenissen(?)

    * asymetrische historische kennis, want daar hebben we het over. Het gaat niet zomaar over willekeurige kennis

  2. 2

    Ik kan me nog steeds niet vinden in die koloniale tijd die ons denken en onze cultuur zou beheersen.
    Ik kan me geen kinderboek uit de jaren 60 herinneren waarin koloniën een rol speelden.
    Mijn leraren hebben zich nooit beklaagd over het verlies van “ons Indië” of “ons Suriname” en al helemaal niet over “ons Nieuw Amsterdam/New York”, ze hadden het er niet eens over.
    Mijn ouders, noch mijn grootouders heb ik ooit horen praten over Suriname of Indië.

    Zo vraag ik me af of dat hele koloniale gedoe en de bijbehorende slavernij ooit een rol van betekenis heeft gespeeld voor de gemiddelde burger, de man/vrouw in de Nederlandse straat. Was het iets waar alleen (een deel van) de “elite” zich mee bezig hield? Dat heeft er mogelijk toe geleid dat het prominent in de geschiedenisboeken is terecht gekomen, maar in het dagelijks leven van de gemiddelde burger geen enkele rol speelde. Kan het dan wel cultuur geweest zijn?

    Over een tijdje kijken we terug en geven hoog op van de KLM, DAF, Philips, Unilever, Akzo die “we” allemaal zijn kwijtgeraakt. Maar nu we er nog even middenin zitten betreft het telkens maar een handjevol mensen die betroffen zijn en wiens cultuur daardoor mede bepaald werd.

    Over een tijdje kijken we terug en constateren dat Nederland zich schuldig maakte aan een nieuw soort kolonialisme en slavernij door kinderen in naaiateliers in arme landen te laten werken. Terecht zal men er schande over spreken, maar de man/vrouw in de straat vandaag de dag voelt zich totaal niet betrokken of verantwoordelijk, ook al draagt die een t-shirt uit Bangladesh.

  3. 3

    Ik heb iemand van nabij gekend, die als beloning, voor het in 1940 op de Grebbeberg in een mitrailleursnest liggen, in 1945 naar Indonesië “mocht.”

    Die persoon koos er voor om te weigeren en mocht de toen gebruikelijke gevolgen ervaren, opgelegd door de schofterige regeerders van ons nog maar net bevrijde land.
    ;-)

  4. 4

    De afasie is bijzonder eenvoudig te koppelen aan het aantal tijdgenoten dat de ervaringen in die kolonie aan ons meedeelt.

  5. 5

    @4: toen van Zonneveld stopte bij de Leidse universiteit en de NRC ook geen Indische verhaaltjes meer plaatste was het wel afgelopen met de laatste kleine stroompjes Indiëkunde.

    De fantasiewegen over ons Suriname en ons Inje lagen toen open voor alle Balkenendes die verlegen zaten om een homescore. Het valt me nog mee dat er wat reuring ontstond.

  6. 6

    Ik merk dat ik dat boekje nog moet uitlezen uit 1938 over die gevoelige Nederlandse jongen die aan de haak wordt geslagen door een inlands meisje op de baan. Hij komt hiermee in allerlei problemen. Wil nu toch weten hoe dat afliep.

  7. 7

    De malaise in Nederland gaat voor een groot deel terug op de onbekende of ontkende koloniale geschiedenis. Nederlandse reacties op moslims, immigranten en mensen van een ander ras zijn in Nederlands-Indië en Suriname voorgevormd, honderden jaren lang. Beter maar wél weten dus, maar nee, het Kon. Instituut voor Taal- Land- en Volkenkunde is gesloten, de bibliotheek van het Tropenmuseum is wegbezuinigd. Ook daaruit blijkt de vaste wil, níet te weten.
    Frankrijk en Engeland zijn er overigens hetzelfde aan toe.

  8. 8

    @7: [ Nederlandse reacties op moslims, immigranten en mensen van een ander ras zijn in Nederlands-Indië en Suriname voorgevormd, ]

    Waar zijn dan Zwitserse reacties op moslims, immigranten en mensen van een ander ras voorgevormd?

  9. 9

    Veel onzin praat hier. Lekker stellig ouwehoeren over “De malaise in Nederland” en “Collectief wordt er – bewust of onbewust – weggekeken van het koloniaal verleden”.
    Ik kan hier niets mee in ieder geval.

  10. 11

    @10:

    Nee, dat zal ik niet. Ook als je er niets mee kunt, kan er alsnog een bijdrage geleverd worden. In mijn reactie stel ik een aantal stellingen ter discussie waarop wordt gebouwd. In feite doe ik niets anders dan jij in @8.

  11. 15

    Kolonialisme is zeker niet alleen een huilverhaal, dus ik snap niet waarom ‘wegkijken’ zo verplicht is. Sowieso past het allemaal een beetje in een zeker denkraam waar ik niet zo veel mee heb (maar waarvan met graagte gedaan wordt alsof dat voor iedereen geldend is). Ik denk dus dat er eerder een cultureel verschil is tussen de schrijver van dit stukje en een groot deel van zijn potentiele publiek (waaronder mij), dan tussen ‘kolonisator’ en ‘gekoloniseerde’.

    Dat die Balkenende een naieve druif was, daarover hoeft van mij dan weer geen enkele discussie.