Vrijmoedigheid gevraagd

OPINIE - Ongericht afgeven op managers in het onderwijs is weinig constructief. Laat leerkrachten in plaats daarvan hun leidinggevenden vrijmoediger en dapperder tegemoet treden, meent Hartger Wassink in reactie op René Kneyber.

In het gesprek over hoe het verder moet met het onderwijs komt voortdurend de hardnekkige tegenstelling tussen leidinggevenden en leraren terug. Het is misschien wel begonnen met de beroemde Raiffeisenlezing van Geert Mak uit 2004. Daarin werden de beunhazen onder de managers afgeschilderd als een kaste gericht op zelfverrijking en eigenbelang, een ‘groeiende korst van gewichtigdoenerige figuren’. In NRC Handelsblad krijgt Leo Prick al jarenlang ruimte voor vergelijkbare, maar minder eloquent geformuleerde praatjes. Maar wat is daar nou erg aan, zullen sommigen zich afvragen? Leiders zijn toch ook slecht, door de bank genomen? En docenten hebben het toch ook moeilijk? Dat moet toch gezegd kunnen worden?

Dat ‘gezegd kunnen worden’ heeft ook een naam: parrèsia, ofwel het vrijmoedig spreken. Hester IJsseling brak daar een lans voor, in de twitterdiscussie die ontstond na dit betoog van René Kneyber. Maar het zat me dwars, en in dit stukje wil ik onderzoeken waarom.

Het is niet zo moeilijk om een stukje te schrijven over hoe slecht managers en bestuurders in het onderwijs zijn. Hoe zeer gericht op hun salaris of status en hoe ze het leven van docenten zuur maken. De voorbeelden liggen voor het oprapen en het haakt aan bij een sjabloon dat in de afgelopen jaren steeds scherper is uitgesneden.

Maar wat schieten we ermee op? Zo lang we elkaar in algemene termen zwart blijven maken, is het niets anders dan het uitventen van rancune, het vasthouden aan gestolde opvattingen over hoe het ooit had kunnen zijn. Het verwijst zowel naar een mythe van een niet-bestaand verleden als een utopie van een onrealistische toekomst.

Deze manier van argumenteren impliceert dat er eenvoudige oplossingen zijn. Weg met de leiders, weg met de hiërarchieën. Dan krijgen docenten de ruimte die ze toekomt, en dan zullen onze problemen voorbij zijn. Of, als er dan toch leiders moeten zijn: we behandelen ze allemaal met Witte Reus, zodat er geen slechte leiders meer zijn. Iedereen blij en ze leefden nog lang en gelukkig.

Maar de kans is groot dat de docenten, die het dan helemaal zelf mogen weten, het ook niet altijd weten. Dat zij ook fouten maken, elkaar het leven zuur maken soms. Elkaar de ruimte niet gunnen, of een hak zetten. Voor eigen gewin gaan, soms; aan hun hypotheek denken, in plaats van aan hun leerlingen. Ook hiervan liggen de voorbeelden voor het oprapen voor wie wel eens binnen de muren van een school heeft gekeken. Deze voorbeelden komen alleen minder gauw in de krant.

Hieruit volgt dat het niet in de groep zit, maar in de persoon. En misschien wel in iedere persoon. Wie zal van zichzelf zeggen dat hij of zij perfect is? Geen fouten maakt? Nooit een hork is, en wel eens te snel aan zichzelf denkt, in plaats van aan het belang van een ander?

Het is een menselijk tekort, waar iedereen voortdurend op moet letten. Iedereen heeft daarom de spiegel van een ander nodig die af en toe ongezouten de waarheid zegt. Dat is parrèsia: het vrijuit spreken van de waarheid. Sterker, bij parrèsia gaat het om zodanig vrij spreken, dat de spreker zichzelf in levensgevaar brengt tegenover de machthebber.

Zo’n stukje tegen managers lijkt daar een voorbeeld van, maar is het niet. De spreker houdt het algemeen, en dus veilig. Geen machthebber die zich persoonlijk aangesproken hoeft te voelen, en daarmee geen daadwerkelijk persoonlijk gevaar voor de spreker. Het zou parrèsia zijn, als de spreker zich rechtstreeks richt tot zijn eigen leidinggevende, en daar zijn mening uitspreekt. Dat is veel spannender, omdat het, als het gesprek misloopt, consequenties kan hebben: ‘Jij eruit, of ik eruit.’ Wie durft dat aan?

Ik ben daar overigens erg voor. Ik zou willen dat er meer leraren ‘nee’ zouden zeggen. ‘Nee’ tegen een overmaat aan toetsen, een overmaat aan papierwerk dat nauwelijks meer iets toevoegt in termen van verantwoording. ‘Nee’ tegen het optuigen van een bureaucratie waar het kind in verdwijnt, terwijl het daarom begonnen is. ‘Nee’ tegen dure studiedagen en cursussen waar niemand wat aan heeft. En ‘nee’ tegen een politiek die het onderwijs reduceert tot een schakeltje in een beperkt economisch-wetenschappelijk discours.

Als je dat ‘nee’ persoonlijk uitspreekt, beheerst, omkleed met argumenten en bereid bent te luisteren naar het weerwoord, ontstaat er ook iets anders, als het goed is. Er is de kans om een gesprek aan te gaan over waar het dan wél over moet gaan in het onderwijs. Als je tegen iets bent, heb je de verantwoordelijkheid om ook te benoemen waar je voor bent.

Daar is in het onderwijs maar één antwoord op: de leerling, de goede ontwikkeling van jonge mensen. Als we daarover met elkaar in gesprek komen, leraren, leidinggevenden, wetenschappers, politici, wie dan ook, dan raken we aan onze bron, aan de drijfveren waarom we ons werk doen.

Dan kunnen we samen zoeken naar mogelijkheden om die goede ontwikkeling dichterbij te brengen, in plaats van te blijven hangen in het benoemen van de obstakels. Dan gaan we zoeken naar waar we elkaar kunnen versterken in onze rollen, in plaats van te klagen over waar we last van hebben. En laten we ons erop voorbereiden dat we zullen tekortschieten, dat we fouten gaan maken. Dat doen leerlingen ook, voortdurend. En dan helpen we ze om het nog eens te proberen, maar dan beter. Die houding is niet alleen nuttig in de klas.

Dit stuk verscheen eerder op De professionele dialoog.

  1. 1

    Als je dat ‘nee’ persoonlijk uitspreekt, beheerst, omkleed met argumenten en bereid bent te luisteren naar het weerwoord, ontstaat er ook iets anders, als het goed is.

    ‘Als het goed is’.

    Ik ken wel wat docenten die dit doen en hebben gedaan. Maar in nogal wat gevallen is er helemaal geen weerwoord. Er is gewoon… niks. Iemand hoort het (half) aan, zegt: ‘ja, daar heb je wel een punt, daar moeten we het zeker eens over hebben’ en het jaar daarop heb je exact dezelfde discussie opnieuw. Maar nog altijd zonder argumenten van de ander, zonder helder idee, zonder concrete beslissingen… het moddert maar door.

    (Wat overigens beslist niet uniek voor het onderwijs is hoor, maar wel vrij herkenbaar voor veel mensen die hun best doen om iets te bewerkstelligen bij hun leidinggevenden.)

    En na een keer of wat tegen de muur aangeknald te zijn, verdwijnen de mensen naar een andere plek, of geven op.

  2. 2

    Leuk stukje, met een oproep tot vrijmoedigheid, die ik zeker wil ondersteunen. Maar ik snap niks van de relatie met of de kritiek op het uitoefenen van kritiek in het algemeen. Waarom schuift de auteur die kritiek zo gemakkelijk opzij, alsof zijn parrèsia daarvoor in de plaats kan komen, en zelfs beter zou werken. Dat laatste wordt niet zo stellig beweerd, maar is wel een ondertoon in het artikel, zonder daar enig bewijs voor aan te voeren.

    Ik zou er dus eerder gewoon voor pleiten de algemene kritiek te handhaven, en die kritiek op lager niveau aan te vullen met de vrijmoedigheid van spreken, voor zo ver dat niet al lang gebeurt. Het lijkt mij iig duidelijk, dat die vrijmoedigheid ondersteunt en versterkt wordt door de algemene kritiek en vice versa.

    Ik bedoel maar: wat heeft het voor zin kritiek uit te oefenen op een manager op een school “tegen een politiek die het onderwijs reduceert tot een schakeltje in een beperkt economisch-wetenschappelijk discours”. Dan heb je toch een veel meer algemene kritiek nodig. De fouten liggen niet alleen bij een persoon, maar zitten gedeeltelijk ook in het systeem verweven. En dan heb ik het nog niet eens gehad over de ideologie, die veroorzaakt dat de “politiek het onderwijs reduceert tot een schakeltje in een beperkt economisch-wetenschappelijk discours”. En dat wetenschappelijk mag je er dan als eerste vanaf laten, want veel van het ongemak draait alleen maar om de centjes.

  3. 3

    Afgezien van alles en nog wat: het onderwijs is de laatste 30 (40?) jaar zo achteruit gegaan dat we dat niet alleen op de mijnheren/mevrouwen kunnen afschuiven, het is ook iets met het systeem (hallo geld!) en niet alleen in Nederland.
    Ik deed een paar jaar parttime mee in het mbo en hbo. Nooit meer want als de managers iets vonden dan ging het meestal fout maar als de onderwijzers iets vonden, dan ook. Het vervelende is echter dat het slachtoffer niet wordt ontzien: de leerling/student krijgt nauwelijks nog bagage mee. Triest.

    (ik zie net dat mijn reactie veel overeenkomsten heeft met de reactie van pedro, maakt niet uit, hoe meer zielen hoe meer vreugde)

  4. 4

    wat Inca zegt.

    De auteur lijkt zich nog nooit tussen leraren begeven te hebben of is te jong om te beseffen wat het is om elke dag met je kop tegen een muur te lopen. Idealen zijn leuk maar het houdt ergens op. Iemand die op zijn 40e nog gelooft in onderwijsmanagement is of dom of zelf manager.

    Zoals ik na het stuk van Kneyber al zei : 2/3 van de managers eruit. Het salaris dat overschiet over de leraren verdelen, de managers zelf weer voor de klas of anders naar een andere branche. Geen gelul meer, geen gepolder, geen dialoog. gewoon directe actie. Het is mooi geweest, genoeg mensen kapot gemaakt.

    Opzouten.

  5. 5

    Parrèsia – dat begrip wordt uitvoerig behandeld in het boek wat voortkomt uit de colleges van Michel Foucault, in het Nederlands vertaald met de titel: De moed tot waarheid: het bestuur van zichzelf en de anderen II. Moet zeggen dat ik er niet doorheen kwam, maar dat terzijde.

  6. 6

    Dit stuk slaat de plank volledig mis omdat het helemaal geen weerwoord is op wat Kneyber schreef. Kneyber benoemt een probleem (managers in het onderwijs zijn hun lijntje met de werkvloer kwijt), geeft een oorzaak (zelfoverschatting) en geeft een oplossing (geef ze feedback).

    Waar geeft het stuk van Wassink een weerwoord op? Op een bewering die helemaal niet in het stuk van Kneyber wordt gedaan, namelijk dat volgens Kneyber alle managers ontslagen zouden moeten worden.

    Echt een schaamteloos stukje roeptoeteren dus, dit stuk van Wassink.