Volentekriebels | Een dag in de natuur

COLUMN - Een dagje terug naar het dorp waar ik opgroeide.

Ik ben opgegroeid in Drenthe in een gezellig brinkdorp met een besmeurde naam. Dat kwam door de oorlog. Er was nooit veel te doen, dus hingen we rond. Dan zaten we bij de bushalte en dronken we yogidrink en aten we chips. Soms stapten er toeristen uit de bus die vroegen waar het kamp was. We zeiden: elf kilometer verderop. Dan baalden ze, maar ze vloekten nooit. In het dorp met deze naam is elke tegenslag relatief.

Soms ging ik met mijn ouders naar het bos of naar de hei. Dat herinner ik me nauwelijks. Ik had weinig oog voor de natuur. Een goudvink zou ik niet herkennen.

Samen met mijn moeder haal ik de achterstand af en toe een beetje in. Dit keer gingen we adders zoeken. Ik vond het best eng, maar dat hoefde niet. Adders zijn luie dieren. Ze liggen en wachten en pas als een prooi heel dichtbij komt, slaan ze toe. Dat doen ze zeven keer per jaar. Mensen bijten ze niet, tenzij je op ze gaat staan. Meestal ga je dan niet dood.

Het was bewolkt en niet zo warm en daarom waren de adders er niet. Wel zagen we Schotse hooglanders en twee reeën en heel veel vogels waarvan ik de namen niet meer weet. Die krijsten heel hard om hun nesten te beschermen. Die nesten waren niet op de plek waarboven ze vlogen. Dat was om ons te misleiden, maar dan kenden ze mijn moeder niet. Gelukkig hadden we geen kwaad in de zin.

Er waren ook heel veel verschillende bloemen en planten. Je had muizenoor, biggekruid, waternavel en veenpluis. Mijn favoriet was zonnedauw. Dat is een groen plantje met rode haartjes met kleverige uiteinden. Als je een insect bent en je gaat erop zitten, dan ga je dood.

Het werd drassig. Ik legde me neer bij natte voeten, maar mijn moeder vond aan de hand van de vegetatie een droge route. Trots liep ik achter haar aan.

Later reden we naar een bosje waar de zevenster groeide. Dat is een ijstijdrelict, een overblijfsel uit de ijstijd dat je normaal gesproken niet in Drenthe zou verwachten. Het zag eruit als een gewoon bloemetje, maar ik vond het heel bijzonder.

Thuis dronken we thee in de tuin. Er landde een dikke bij op de tafel. Een hommel, vond ik. Een akkerhommel, corrigeerde mijn moeder.

Vanuit de trein zag ik rond Lelystad kuddes enorme beesten uit vervlogen tijden. Ook ijstijdrelicten misschien. Een kind vroeg wat het waren. Zijn moeder dacht na. Toen zei ze: koeien.

Thuis zat er een mug op het plafond. We sloten vriendschap en speelden toneeltje. De mug was zichzelf en mijn elektrische vliegenmepper was de zonnedauw. De mug knetterde. Dat stonk een beetje.

  1. 1

    een gezellig brinkdorp met een besmeurde naam. Dat kwam door de oorlog

    Maar de Zweedse kok van de Muppets heeft het imago weer een hoop goeds gebracht. Bork bork bork.

  2. 4

    De gevangenen kwamen per trein aan en werden per trein afgevoerd, voor het eerst op 15 juli 1942. Aanvankelijk ging dit via station Hooghalen, waarbij de afstand van 5 km tussen het station en het kamp te voet werd afgelegd, maar vanaf 2 november 1942 werd een spoorlijntje in gebruik genomen dat het kamp verbond met de spoorlijn tussen Beilen en Assen.Met 93 treinen werden in totaal 107.000 mensen weggevoerd uit het doorgangskamp Westerbork. Slechts 5000 keerden terug.