Voedsel of vrijheid?

COLUMN - Wat is belangrijker: voedsel of vrijheid? vraagt Jan Pronk zich af. Maar is deze vraag wel zo simpel als ze lijkt?

Wat is belangrijker: voedsel of vrijheid? Voedsel natuurlijk; dat spreekt vanzelf. Wat heb je aan vrijheid, als je omkomt van honger? Vrijheid voor stervenden is leeg. Je moet eerst overleven, bestaan en echt leven, voordat je vrijheid op waarde kunt schatten.

‘Op waarde schatten’, die term laat zien dat de keuze tussen voedsel en vrijheid te maken heeft met waarden. Maar wanneer het om waarden gaat, spreekt niets vanzelf. Bij het wegen van waarden kunnen meningen verschillen. Weegt vrijheid zwaarder dan gelijkheid, of vrijheid van meningsuiting zwaarder dan non-discriminatie?

Bij de keuze tussen voedsel en vrijheid is voedsel een metafoor. Het gaat om welvaart in het algemeen. Welvaart omvat alle mogelijke basisvoorwaarden om te bestaan: water, gezondheid, een dak boven het hoofd en een omgeving waarin men kan overleven en in het eigen levensonderhoud voorzien. Toegang tot voorzieningen die deze basisvoorwaarden garanderen hoort tot de Economische en Sociale Rechten van de Mens. Die zijn na lange onderhandelingen binnen de VN vastgelegd, nadat eerder de Burgerlijke en Politieke Rechten – zoals het recht op vrijheid – waren overeengekomen.

Omdat ontwikkelingslanden in economisch opzicht een achterstand hadden ten opzichte van landen in het Noorden van de wereld (vooral het Westen) is strijd gevoerd over de vraag of economische rechten net zo belangrijk zijn als politieke rechten, of misschien nog belangrijker. Als dat laatste het geval is, zo werd door ontwikkelingslanden gesteld, is het acceptabel de realisatie van politieke burgerrechten, waaronder vrijheidsrechten, uit te stellen totdat men daar echt van kan genieten. Dat kunnen mensen pas wanneer zij zich geen zorgen hoeven te maken over de dag van morgen. Alleen burgers die vandaag zeker zijn ook morgen voldoende toegang tot voedsel, water, werk en inkomen te hebben, zullen zich storen aan beperkingen van de vrijheid te doen en te spreken zoals men wil.

Westelijke landen dachten daar anders over. De verworven vrijheden na de Amerikaanse onafhankelijkheid en de Franse Revolutie, maar ook het primaat van de vrije markt na de industriële revolutie, legden de grondslag voor een ideologie waarin vrijheid boven alles werd gesteld. Dat gaf wrijving met ontwikkelingslanden. ‘Stel ons eerst in staat te groeien en de armoede uit te bannen, daarna volgt vrijheid vanzelf’, luidde hun devies. ‘Omdat we achter liggen moeten we prioriteiten stellen en spoed betrachten. Dat vereist centrale leiding en dus enige vrijheidsbeperking, maar ook dat halen we later in. Dan stelt die vrijheid meer voor dan vrijheid om in armoede te leven’.

Het rebelse standpunt is: ‘Ik sterf liever in vrijheid dan te leven in gebondenheid.’ Dat is een persoonlijke keuze. Velen zullen dat standpunt bewonderen, maar niet huldigen. Wanneer het er op aan komt, hecht men meer aan de zekerheid te overleven dan aan de vrijheid zich naar eigen inzicht te uiten.

Is daarmee het pleit beslecht? Gaat voedsel inderdaad boven vrijheid? Nee, dit is wederom een drogreden. Het voedsel versus vrijheid dilemma betreft ontwikkelingsbeleid, de samenleving als geheel, geen persoonlijke keuzes. Het gaat om macht. Minder vrijheid kan inderdaad resulteren in meer groei, meer welvaart en meer voedsel, maar dan vooral voor degenen die zich verheugen in de gunst van het regime. Machthebbers die vandaag vrijheden beperken om de welvaart te verhogen zullen daar morgen mee door gaan. Zij zullen hun macht misbruiken, zich de welvaart toe-eigenen en niet ten goede laten komen van ‘onderdanen’ die hen niet gunstig gezind zijn, maar wier rechten en vrijheden zij naar believen kunnen afpakken.

Dus toch: vrijheid gaat voor, juist om zeker te stellen dat al het beschikbare voedsel aan iedereen ten goede komt. Toegang tot basisvoorzieningen is een recht, geen gunst. En voor individuele personen geldt: vrijheid betekent ook het recht de macht uit te dagen en te vechten voor het voedsel dat mij toekomt.

Afbeelding: Patrick Henry (1736-1799), deelnemer aan de Amerikaanse Revolutie en bekend geworden om zijn uitspraak ‘Give me liberty or give me death!’ (Wikipedia)

  1. 1

    ‘Op waarde schatten’, die term laat zien dat de keuze tussen voedsel en vrijheid te maken heeft met waarden.

    Waarde en waarden zijn toch echt twee heel verschillende dingen.

    Waarde is uit te drukken in geld.
    Waarden zijn normatief, ethisch, esthetisch.

    Geld is amoreel, waarden zijn moreel of immoreel.

    Ik zie een enorm verschil. Door de geciteerde zin wordt het stuk voor mij vrijwel waardeloos.

    Vrijheid en voedsel zijn verder twee onvergelijkbare zaken. Ik heb voedsel nodig om überhaupt over vrijheid na te kunnen denken. Het stuk gaat wat mij betreft nergens over.

    En ja, ik vind vrijheid ook belangrijk maar Erst kommt das Fressen, dann kommt die Moral. Dat kan zelfs Jan Pronk niet veranderen.

  2. 5

    @4 En hij doet dat helder. Ik kan me er ook druk om maken. Wat ik van hem lees, daar ben ik het meestal niet mee eens, maar als je impliceert dat ‘waarden’ (als in ‘normen en waarden’), ‘slechts’ een meervoudsvorm is van geldelijke ‘waarde’, dan vind ik dat een perversie van ethiek. Ook als je dat onbewust doet, wat #0 lijkt te doen.

    Vandaar dat ik in #3 vraag: wat is je punt? Is het een (cynische) opmerking waarmee je impliceert dat ‘(geldelijke) waarde’ en ‘(morele) waarden’ slechts verschillen in hoeveelheidsvorm? Want zo komt het op mij in eerste instantie over. Als het er alleen om gaat dat zuiver er een punt van maakt, dan lijkt me dat dat past in de categorie ‘keen observer of the obvious’.