Uit de jeugdzorg | Savanna

COLUMN - Deze week is het precies tien jaar geleden dat de driejarige Savanna alle kranten haalde. Het meisje stond onder toezicht van Bureau Jeugdzorg. Haar gezinsvoogd kon de fatale mishandeling door haar moeder niet voorkomen. De gezinsvoogd werd vervolgd, maar uiteindelijk vrijgesproken.

Deze rechtszaak zorgde er echter wel voor dat sneller wordt overgegaan tot uithuisplaatsing. Het Savanna-effect.

Inmiddels staat Bureau Jeugdzorg bekend als ‘de instantie die altijd maar kinderen uit huis plaatst’. De media spelen daar gretig op in. Maar ook als een kind niet uit huis wordt geplaatst, maar wél in het nieuws komt, wordt Bureau Jeugdzorg (of voor het gemak iedereen die ‘in de jeugdzorg’ werkt) daarop aangekeken. En dat terwijl Bureau Jeugdzorg niet degene is die beslist tot een uithuisplaatsing. Dat is nog altijd de kinderrechter.

Hiermee zeg ik niet dat ik het altijd met beslissingen van Bureau Jeugdzorg eens ben. Of met die van de kinderrechter. En ook niet per definitie met anderen in de jeugdzorg. Ook ik heb collega’s gehad die niet functioneerden. Je vindt ze overal. Waarom dan niet in de jeugdzorg? Dus ook daar kan heel wat worden verbeterd. Ik moet de eerste nog tegengekomen die het daar niet mee eens is.

Maar als bij elk incident met de beschuldigende vinger naar ‘de jeugdzorg’ wordt gewezen, gaan medewerkers zich indekken. Dan werkt men volgens veel te veel protocollen en daar wordt het voor de kinderen niet beter door.

Tot een aantal jaar geleden viel mijn werk onder de cao Jeugdhulpverlening. Als ik over mijn werk vertelde, vond men al snel dat ik ‘goed’ werk deed. Tegenwoordig vallen we onder de cao Jeugdzorg en werk ik ‘in de jeugdzorg’. Het woord ‘jeugdzorg’ valt en ineens ben ik volgens sommigen een boeman. Terwijl ik nog steeds hetzelfde werk doe. Onlangs las ik op Facebook: ‘Mensen in de jeugdzorg hebben geen gevoel en moeten allemaal ontslagen worden.’ Het bleek een tekst van een kennis en toen ik haar later vroeg wat haar probleem met mij precies is, antwoordde ze: ‘Nee, ik bedoelde jou niet. Jij bent zo niet…’ Wie ze dan wel bedoelde, wist ze eigenlijk ook niet. ‘Nou, gewoon, “ze”.’

Dit soort opmerkingen blijven me verbazen. Maar aangesproken voel ik me niet. Ik herken me totaal niet in het beeld dat de media over ‘de jeugdzorg’ schetsen. Als het even kan, wordt gewerkt aan terugplaatsing naar de ouders. Met het overgrote deel van ouders waarmee ik heb te maken, is het contact redelijk tot goed. Dat verbaast me ook niets. We hebben immers hetzelfde doel: zorgen dat het goed gaat met hun kind(eren). En als we fouten maken, mogen ouders ons daar op aanspreken.

Ondanks het negatieve beeld dat er over ‘de jeugdzorg’ bestaat, geniet ik iedere dag van mijn werk. Sterker, ik word regelmatig geraakt. Geraakt als de moeder van Naomi na een terugval haar dochter weer op kan zoeken. Geraakt als de dertienjarige Renate haar zwemdiploma haalt. En geraakt als ik na twintig jaar hoor dat de destijds elfjarige Tamira goed terecht is gekomen.

Ik vind dat ik geweldig mooi werk heb en geniet van kleine succesjes. Van een meisje dat eerst geen vriendinnen had, maar dankzij gesprekken met mij toch een klasgenootje durfde uit te nodigen om eens te komen spelen. Om vervolgens dikke vriendinnen te worden.

Ik vind het bijzonder dat ik een deel van iemands leven mee mag maken. Dat ik mijn steentje bij kan dragen aan de toekomst van een kind. Daarom kan ik na al die jaren nog steeds zeggen dat ik me geen mooiere baan voor kan stellen. Ik ben jeugdzorgwerker. En daar ben ik trots op.

Alle cliëntnamen zijn gefingeerd.

Roselinde van Berkel is pedagogisch medewerker bij TriviumLindenhof, een jeugdzorginstelling in Zuid-Holland. Ze is auteur van het boek Sannah! en schrijft voor Sargasso over de jeugdzorgpraktijk van binnenuit.

  1. 2

    En dat terwijl Bureau Jeugdzorg niet degene is die beslist tot een uithuisplaatsing. Dat is nog altijd de kinderrechter.

    Daar wil ik wel specifiek op reageren: het is gebleken dat de kinderrechter in buitengewoon veel gevallen het advies van jeugdzorg / kinderbescherming volgt en de dossiers niet kritisch bevraagt. JA, dat is een grote tekortkoming van de kinderrechter, die daar toch zit met als hele taak toe te zien op de zorgvuldigheid, maar dat betekent niet dat Jeugdzorg dus niet verantwoordelijk is.

    In tegendeel, zou ik zeggen. Volgens mij kun je alleen maar ‘geen verantwoordelijkheid’ claimen als de rechter iets anders besluit dan je aangeeft. Jeugdrecht is wat dat betreft geen huizenverkoop waar je vaak begint met een onhaalbaar openingsbod – jeugdzorg hoort ten volle verantwoordelijk te zijn voor de zorgvuldigheid van het dossier en, als er advies wordt gegeven, voor de juistheid van dat advies. En als je weet dat de adviezen over het algemeen worden opgevolgd ben je volgens mij alleen maar meer verantwoordelijk, omdat je weet hoeveel gewicht je woorden in de schaal leggen. Met een ‘jamaar dat is niet onze beslissing’ kun je dan echt niet volstaan.

    Dat ‘de jeugdzorg’ een breed terrein is en dat je als werker in de opvang nauwelijks te maken hebt met de dossiervorming / besluitvorming eerder in de keten, dat begrijp ik heel goed. Maar over het algemeen vind ik toch dat jeugdzorg veel te weinig de eigen verantwoordelijkheid erkent. En daarin is het dossier dat Sjors in #1 noemt ook erg relevant.