Uit de jeugdzorg | Patricia

COLUMN - Daar stond ze met haar negen jaar tijdens haar kennismaking met mijn groep. Haar armen zwaaiden heen en weer van de zenuwen en haar tong maakte iedere paar seconde een rondje om haar lippen alsof ze ze aflikte. Knalrood waren ze daarvan, waardoor ze op school de bijnaam ‘lipvis’ kreeg.

Tot haar achtste woonde ze afwisselend bij haar vader en dan weer bij haar moeder. Ze woonde met haar vader in leegstaande caravans of een paar weken bij een vriend, steeds weer op de vlucht voor ‘iets’. Iets dat niemand zag, behalve haar vader.

Bij haar moeder in een huis waar ze onder een krakend bed hoorde hoe haar moeder geld verdiende door zichzelf te verkopen. Moeder had geen tijd en ruimte voor een kind. En ze had er geen zin in. Wat er verder precies bij moeder is gebeurd, weet niemand. Patricia zelf ook niet.

Duidelijk was wel dat Patricia daar koste wat kost weg wilde. Ze heeft zichzelf als achtjarige zodanig in de nesten gewerkt dat ze werd opgepakt door de politie. Op het politiebureau gaf ze aan dat ze absoluut niet terug naar huis wilde. En zo kwam ze via een crisisopvanggroep bij ons terecht. Dappere beslissing van een achtjarige.

Patricia weet haar plekkie redelijk te vinden in onze groep. Ze haalt regelmatig rottigheid uit (en hoe!), maar ze weet duidelijk wat ze wil en gaat ervoor. Regelmatig dachten mijn collega’s en ik het vertrouwen van Patricia te hebben gewonnen of een band te hebben opgebouwd. Maar steeds weer gebeurde er iets waaruit bleek dat die band niet wederzijds was. Dat bleek te bedreigend voor Patricia, iets wat je vaker ziet bij een kind met een hechtingsstoornis. Op zulke momenten beseften we dat een pleeggezin voor haar niet haalbaar was.

Iedere vier weken werk ik de hele zondag. Door een roostertechnisch toeval is Patricia die dag de enige jongere op de groep. Patricia houdt van fietsen. Maandenlang gaan we ‘op pad’. Patricia mag uitzoeken waar naartoe. De ene keer nemen we het fietspad langs het spoor, de andere keer het pontje tien kilometer verderop naar de overkant. Zo gaat het maandenlang.

Patricia geniet. Ze praat honderduit en vraagt de ene zondag al waar we de volgende zondag naartoe gaan. We praten over van alles. Over vogels die we onderweg tegenkomen, over haar toekomstplannen enzovoort.

Van de collega’s die haar als negenjarige al kenden, ben ik de enige die er vijf jaar later nog werkt. Ook haar plaatser van Bureau Jeugdzorg is sinds drie maanden een andere. Er ontstaat een ‘klik’ tussen ons.

Daarom word ik degene die met haar een levensboek maakt. Een boek, waarmee ze haar verleden voorzichtig aan een plekje kan gaan geven. Zodat ze weet waar ze staat in het leven en hoe ze gebruik kan maken van haar sociale netwerk.

Op een dag gaan we een sociale cirkel maken. De binnenste ring is voor mensen die het dichtst bij haar staan. In ring twee komen mensen met wie ze geen band voelt, maar die ze wel om hulp kan vragen. In ring drie kennissen en andere mensen met wie ze regelmatig optrekt.

Maar goed, ring één dus. Ze vult in ‘mijn weekendgezin’, het gezin waar zij iedere vier weken een weekend logeert. Verder weet ze niemand. Ik vraag of er mensen zijn met wie ze een band voelt. Mensen bij wie ze zich prettig voelt, met wie ze positieve dingen heeft meegemaakt. Ze denkt even na en vult dan de naam in van haar plaatser die ze twee keer in haar leven heeft gezien.

Ik vraag door. Ik vraag of ze iemand weet die haar nog kent van toen ze jonger was, iemand die energie in haar stak of waarmee ze goed kan praten. Ze kijkt me serieus aan, denkt duidelijk na. Een paar seconde is het stil. Dan zegt ze: ‘O, ja, natuurlijk!’ En schrijft resoluut op: ‘de kat van de buren.’

Alle cliëntnamen zijn gefingeerd.

Roselinde van Berkel is pedagogisch medewerker bij TriviumLindenhof, een jeugdzorginstelling in Zuid-Holland. Ze is auteur van het boek Sannah! en schrijft voor Sargasso over de jeugdzorgpraktijk van binnenuit.