Uit de jeugdzorg | Destiny

COLUMN - Hoe vaak het wekelijkse mentorgesprekken over het schoon houden van de kamer gingen, weet ik niet. Maar dat het héél vaak was, weet ik wél.

Destiny woont nu een paar maanden op zichzelf. Ze is net achttien, zoals de meeste kinderen uit de jeugdzorg die op zichzelf gaan wonen. Omdat ze volwassen zijn en wettelijk gezien niet meer onder de jeugdzorg vallen, tenzij ze zelf aangeven er nog niet aan toe te zijn om zelfstandig te gaan wonen.

Destiny is de bemoeizucht van de hulpverlening zat en heeft urgentie aangevraagd bij de woningbouwvereniging. En gekregen. Drie maanden na haar inschrijving werd haar een flatje aangeboden.

Ze wilde nog wel een aantal maanden nabegeleiding, dus ik ga kijken hoe het met haar is. Als ik aangebeld heb en wacht tot ze opendoet, denk ik terug aan al die gesprekken.

Dat ging er soms pittig aan toe, want opruimen en schoonhouden vond ze niet zo nodig. Ze ging liever chillen met vriendinnen. Zelfs toen er ongedierte achter haar koelkast bleek te zitten, maakte ze zich niet druk. Soms was er nog nauwelijks vloerbedekking te zien. Ze moest over een berg wasgoed, stapels papieren en lege chipszakken manoeuvreren om bij haar bed te komen. Ik vraag me af of ze inmiddels een nieuwe rijstkoker heeft. De vorige moest ik weggooien. Na drie verzoeken die af te wassen, begon er schimmel in te groeien. En dat in een keuken waar ook andere jongeren moesten koken!

Ook nadat ik hem buiten had gezet, zag ze er de noodzaak niet van in om hem schoon te maken. Na een ‘Of jij maakt hem vandaag nog schoon, of ik gooi hem morgen weg,’ voerde ik mijn dreigement de volgende dag uit. Bóós dat ze was!

Dan gaat de deur open. ‘Hee, Roselinde!’ Destiny geeft me een ‘brasa’. ‘Jeetje meid, wat zie jij er stralend uit’, zeg ik blij verrast. ‘Ja, he?!’ Ze draait een rondje en showt trots haar vlechten. ‘Heeft mijn tante gedaan, je weet toch?’ zegt ze met haar onvervalste Surinaamse accent.

We lopen naar binnen. Ik stap de huiskamer in en kijk rond. Geen papiertje op de grond. Geen afwas te bekennen. Destiny schenkt een kopje thee in. Ze morst een druppel. ‘O, wacht even.’ Ze loopt naar de keuken en komt terug met een doekje om de tafel schoon te maken.

‘Destiny, weet je zeker dat jij Destiny, mijn mentorkind bent? De Destiny die nasi uit de pan at omdat ze geen schoon bord meer over had?’ grap ik. ‘Ja, dat ben ik, in eigen persoon,’ grapt ze terug.

‘Wat gaaf om je zo te zien zeg! En je huis vind ik echt geweldig! Goed hoor meid, ik ben trots op je!’ En dat meen ik. Maar ik vraag me wel hardop af wát er voor zorgde dat ze nu niet meer in de rommel wil leven. Ze haalt haar schouders op. ‘Ik weet het eigenlijk niet, het gaat gewoon vanzelf. Dit is gewoon mijn huis. Hier voel ik me verantwoordelijk of zo.’ En dan, met een grote glimlach: ‘Enne… hier is natuurlijk niemand die de rijstkoker voor me weggooit als ik hem weg laat rotten!’

Alle cliëntnamen zijn gefingeerd.

Roselinde van Berkel is pedagogisch medewerker bij TriviumLindenhof, een jeugdzorginstelling in Zuid-Holland. Ze is auteur van het boek Sannah! en schrijft voor Sargasso over de jeugdzorgpraktijk van binnenuit.

Reacties zijn uitgeschakeld