Uit de jeugdzorg | Daniëla

COLUMN - Toen ze zes was, liep ze al tot ‘s avonds laat op straat. In een achterbuurt. Meestal met haar oudere zus of met haar ‘vriendengroep’, waarvan de jongste een jaar of veertien was. Letterlijk een meisje van de straat dus.

Iedereen kende haar. Iedereen vond haar schattig, niemand viel haar lastig. In de buurt noemden ze haar Pippi, omdat ze klein en tenger was. Maar o zo sterk. Honger had ze nooit, want iedereen stopte haar wat toe. En logeren deed ze vaak bij haar oma. Dat ze meestal naar buiten werd gestuurd door haar ouders omdat die elkaar de tent uit vochten, bleek later pas. Op een dag klopte ze totaal overstuur bij haar vaste logeeradres aan: ‘Oma, oma! Mama is dood!’

Zo ver was het gelukkig niet gekomen. Maar het was wel duidelijk dat het zo niet verder kon. Moeder in het ziekenhuis, vader opgepakt, Bureau Jeugdzorg ingeschakeld.

Helaas, in Daniëla’s eerste pleeggezin escaleerde het. Daniëla vond het belachelijk dat ze ’s avonds al om acht uur naar bed moest en verbouwde de boel. ‘Niemand zegt wat ik moet doen, behalve mijn moeder!’ Gordijnen werden naar beneden getrokken, prullenbakken omgekiept. Met een tafelpoot werd een glazen kast kapot geslagen.

Inmiddels is Daniëla vijftien. Ze woont sinds twee jaar in mijn groep en maakt grote stappen. Ze gaat met veel plezier naar haar werk, vakkenvullen bij de supermarkt. En ze is over naar de derde. Haar grote mond zal ze altijd wel blijven houden, maar daaronder zit een klein hartje.

En het inzicht in haar eigen aandeel aan conflicten met anderen groeit. Had ze twee jaar geleden nog wel eens de neiging om iemand een mep te verkopen, tegenwoordig kan ze zich steeds beter beheersen.

Van de week gaf ze me een grote mond. Haar weektaak was het schoonhouden van de badkamer. Ze keek echter niet goed op de takenlijst en had de huiskamer gestofzuigd. Ik vroeg haar wanneer ze haar taak ging doen. ‘Heb ik allang gedaan joh,’ antwoordde ze. Ik wees haar op de vieze badkamer. ‘Ja, godver, heb ik voor niks de huiskamer gestofzuigd!’ ‘Haha, bedankt Pip! Dat was míjn taak!’ lacht David. ‘Jij moet je muil houden! Ik praat toch niet tegen jou, klootzak!’

‘Daniëla’, zeg ik, ‘ga maar even afkoelen op je kamer. Ik zie je straks wel weer.’ Daniëla stampt naar boven en smijt haar kamerdeur dicht. Een half uur later komt ze beneden. ‘Ik heb de badkamer gedaan,’ zegt ze tegen me. ‘Enne… sorry David. En jij ook…’ Ik glimlach naar haar. ‘Is goed hoor, meissie!’

Tijdens de wekelijkse vergadering bespreek ik het voorval. Iedereen is het ermee eens, het gaat goed met Daniëla. Ze heeft een grote mond, maar we weten dat ze het niet slecht bedoelt.

Nog geen twee dagen later stormt ze de huiskamer binnen. ‘Hè, jij werkte toch tot acht uur?’ vraag ik. ‘Ja, godver, die vent liep te zeiken! Dat ik op moest schieten. Dat ik onder werktijd niet zo lang moet kletsen met vriendinnen. Nou, ik maak toch zeker zelf wel uit met wie ik praat?! Jézus wat een klootzak! Dat heb ik hem gezegd ook! En daarna ben ik buiten een sigaretje gaan roken, ik moest echt effe afkoelen.’ Ik kan me voorstellen hoe dat gegaan is.

‘Maar weet je wat ik zo achterlijk vind? Een half uur later ging ik naar binnen en heb ik mijn excuses aangeboden. Ik heb sorry gezegd dat ik hem uitschold, maar dat ik echt effe geen zin had in dat geouwehoer omdat ik al genoeg aan mijn hoofd had… Maar toen werd ik ontslagen! Nou ja zeg, ik zei toch sorry?’

Volgens mij hebben we toch iets niet helemaal goed gedaan…

Alle cliëntnamen zijn gefingeerd.

Roselinde van Berkel is pedagogisch medewerker bij TriviumLindenhof, een jeugdzorginstelling in Zuid-Holland. Ze is auteur van het boek Sannah! en schrijft voor Sargasso over de jeugdzorgpraktijk van binnenuit.

Reacties zijn uitgeschakeld