Transgender in Nederland

RECENSIE -
Met verschillende vrouwen die ik kende is het slecht afgelopen. Ik ken meerdere mensen die zelfmoord hebben gepleegd of nooit uit de kast zijn gekomen. Wat dat betreft mag ik niet klagen. Ik heb overleefd door stug vol te houden en doordat ik een goede sociale kring had. Wel heb ik veel drank tot me genomen. En als ik in mijn auto langs een dijk reed, werd mijn auto op een of andere gekke manier richting het water gestuurd. Dat is meerdere keren voorgekomen. Voor mijn gevoel deed ik niets, maar onbewust blijkbaar wel.’

Ati Floor is een transvrouw. Haar verlangen om vrouw te worden verwoestte haar huwelijk. Maar haar ex-vrouw wees haar daarna wél de goede kant op. Die werkte namelijk bij een telefonische hulpdienst, en sprak regelmatig mannen die met precies hetzelfde probleem worstelden: ze voelden zich vrouw. Ze wilden een vrouw worden. Gelukkig wist ze van het bestaan van een ontmoetingsavond voor transgenders, georganiseerd door de NVSH. ‘Travestie & transseksualiteit’, T&T, zo heette die club. Het was aan de Blauwburgwal. Daar moest Ati ook eens naartoe. En Ati ging, als vrouw gekleed, naar de grote stad, in een wrakke Volvo die midden op een brug de geest gaf. Ze ziet zichzelf nóg staan, daar: ‘Vrouw op hoge hakken met te veel make up staat diep gebogen onder de open klep.’

De avonden van T&T waren voor Ati ‘een grote bevrijding’. Een eerste stap op weg naar een normaal leven – want dát was haar doel. Ze wilde geen lid worden van een subcultuur maar gewoon vrouw zijn. Ze werd na enige tijd voorzitter van T&T. Maar op haar werk ging het mis. Ze werkte bij Martinair en iedereen (behalve baas Martin Schröder) leek er geen probleem mee te hebben. Maar spoedig begon het gepraat en geschuif. Ze belandde bij de afdeling partyservice en ging er in salaris fors op achteruit. Maar de sfeer was dat ze van geluk mocht spreken. En dat deed ze ook. Ze had erger meegemaakt.

Het zijn de levensverhalen zoals dat van Ati Floor die Transgender in Nederland tot een indrukwekkend boek maken. Levens vaak vol verwarring, wanhoop, eenzaamheid en ellende. De een worstelde jarenlang met de vraag welk geslacht hij of zij nu wérkelijk had; de ander wist vanaf zijn prille jeugd: ik ben een meisje – in het lichaam van een jongen. Of andersom. Maar allemaal kregen ze te maken met afkeer, afwijzing en onbegrip. Vooral als ze niet alleen qua gender maar ook qua seksuele geaardheid buiten de maatschappelijke lijntjes kleurden. Dan was voor de buitenwacht de verwarring compleet. Dan kon je al helemáál klappen verwachten. Niet iedere transgender kon en wilde dat gevecht aan. Ze bleven liever ‘in de kast’. Of pleegden zelfmoord.

Het was daar, bij T&T, dat Ati kennismaakte met de medewerkers van de Genderstichting en van het VU-ziekenhuis. Daar hoorde ze dat het mogelijk was om écht (nou ja, bijna) een vrouw te worden. ‘En zo begon mijn traject van geslachtsverandering.’

Transgender in Nederland is voor het grootste deel gewijd aan de opkomst en groei van de hulpverlening aan transgenders. Aanvankelijk stelde dat niet veel voor. Transgenders, zo luidde de wetenschappelijke consensus, leden aan wanen en moesten in therapie. Ook al was duidelijk dat dat geen effect had. Pioniers als Otto de Vaal en Anton Verschoor hadden de grootste moeite om duidelijk te maken dat niet de theorie voorop moest staan, maar het welzijn van de cliënt. En als die een ander lichaam wilde, dan moest dat lichaam worden aangepast. Snijden in een gezond lichaam, dat was het. En dat riep uiteraard heftige reacties op. Maar het waren de jaren zestig/zeventig. De tijd van One flew over the Cuckoo’s Nest, van provo en ‘kritiese’ artsen. Na een aarzelend begin, een vaak frustrerende zoektocht naar chirurgen die het wel wilden doen en ziekenhuizen die niet terugschrokken voor dergelijke cliënten, bereikte de hulpverlening rustiger vaarwater. Plastisch chirurg Freek Bouman zorgde ervoor dat ze een veilige plek kreeg binnen het VU-ziekenhuis. De christelijke VU bleek in staat compassie voorrang te geven. En verwierf ondertussen ook wereldfaam op dit gebied. Maar het aardige is, die medische visie is aan revisie toe. Ooit namen de artsen het over van de psychiaters. Praten hielp niet, pillen ook niet, zij zouden dat varkentje wel wassen. Met het scalpel en veel chirurgische inventiviteit. Tot geluk van honderden transgenders. Buitenstaanders huiverden – maar het resultaat was in ieder geval een ‘mannetje’ of een ‘vrouwtje’. Die tweedeling is inmiddels verouderd.

Boris Dittrich vertelt dat hij de transgenders eigenlijk pas laat ‘ontdekte’. Hij praatte heel wat af met allerlei belangengroepen, zoals met het COC, maar de transgenders schoven nooit aan. Geen wonder. Ze wilden niet erkend worden, ze wilden veranderen. Ze wilden geen subcultuur zijn maar kunnen leven als een ‘normaal’ mens. En daar had je die hormonen voor nodig, en plastisch chirurgen. Pas de laatste jaren ontstaat er ruimte voor het idee dat die transitie helemaal niet zo drastisch hoeft worden uitgevoerd. Veel transvrouwen bijvoorbeeld hebben helemaal geen hekel aan hun piemel, en hoeven ook niet zo nodig een vagina. Maar wél borsten graag, en minder lichaamshaar uiteraard. Zij voelen zich senang ergens halverwege dat ooit zo vanzelfsprekend geachte medische traject. Zoals Selm Wenselaers zegt:

Het is voor mij niet nodig. De hormonen doen me goed, ik zou ze nooit meer willen missen, maar verder hoeft het niet te gaan. Ik heb geen problemen met mijn geslachtsdeel en heb niet de behoefte om me heel explicit als vrouw te definiëren. Ik raak steeds meer in het reine met mezelf.’

En zo verscheen er een nieuwe kleur in de regenboog. Tot een paar jaar geleden ontving het gendercentrum van de VU een paar honderd aanmeldingen per jaar. Dat zijn er nu honderden per maand. Dat zijn niet allemaal ‘non-binairen’ (zoals de toch wat conservatieve aanduiding luidt). Die groei wordt mede veroorzaakt door succesvolle transgender-rolmodellen (Conchita Würst, Kelly van der Veer in Big Brother), en ook de groeiende acceptatie speelt een rol. De drempel wordt lager. De laatste jaren melden zich steeds meer transmannen. (Ooit één op de tien, nu bijna één op de twee.) Terwijl deze mannen zich vroeger konden verschuilen achter het imago van de tomboy of het stoere wijf, zodat ze niet écht op hoefden te vallen (vergeleken met ‘een vent in een jurk’), durven ze nu steeds vaker uit te komen voor wat ze zich wérkelijk voelen en willen ze fysieke stappen zetten richting man. De gendergrenzen vervagen. De traditionele afkeer lijkt te verdwijnen. Het lijkt bijna een wonder.

Alex Bakker, Transgender in Nederland. Uitgeverij Boom, 288 blz., 24,90 euro.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

| Registreren