Tietje of flesje drinken: de grenzen van evidence based policy

Kan de wetenschap de controverse over borstvoeding en flesvoeding oplossen? Nee natuurlijk niet, constateert Antoinette Thijssen. Ze is Hoofd Communicatie bij het Rathenau Instituut.

Tot mijn grote genoegen zat ik laatst aan bij een dinerconference gehouden ter gelegenheid van het 25-jarig bestaan van het Rathenau Instituut. In de Ridderzaal spraken ruim 200 hoogwaardigheidsbekleders uit politiek, beleid, wetenschap, bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties met elkaar over evidence based policy. Die term slaat op het wenkende perspectief dat beleid rechtstreeks wordt gebaseerd op wetenschappelijke inzichten. Een mooi streven dat in de praktijk nog wel eens lastig blijkt. Denk maar het klimaatdebat. En aan de mislukte vaccinatiecampagne tegen HPV dat baarmoederhalskanker veroorzaakt. Beide cases worden veelvuldig aangehaald in de discussies over evidence based policy.

Eén onderwerp wordt, gek genoeg, nooit in dit verband genoemd. En dat is borstvoeding. Jammer, vind ik dat, want als er één thema is waarbij bij uitstek te zien is hoe ingewikkeld de relatie tussen wetenschap en beleid is dan is het wel bij borstvoeding.

Op het eerste gezicht lijkt er weinig aan de hand te zijn. Er is een grote berg wetenschappelijk bewijs dat borstvoeding gezonder is dan kunstvoeding. Dat geldt niet alleen in ontwikkelingslanden, maar ook in de westerse wereld. Studies wijzen uit dat borstgevoede kinderen minder kans hebben op het ontwikkelen van overgewicht en allerhande allergieën, op chronische luchtweginfecties en astma, en op bepaalde aandoeningen zoals de ziekte van Crohn. Daar komt nog bij dat het geven van borstvoeding de hechting tussen moeder en kind zou bevorderen. Niet voor niets zegt de Wereldgezondheidsorganisatie dat baby’s minimaal zes maanden, maar liever nog twee jaar borstvoeding zouden moeten krijgen. Niet voor niets promoten overheden het geven van borstvoeding. Niet voor niets is er een verbod op reclame voor kunstvoeding voor baby’s onder de zes maanden.

Zo evidence based als maar kan, toch? Maar nee, zo simpel ligt het niet.

Natuurlijk is er de voor de hand liggende antilobby vanuit de poedermelkfabrikanten die hun markt niet willen verliezen. Ze adverteren zich een slag in de rondte (voor peutermelk, want dat mag wel), sponsoren zich suf en financieren graag onderzoek waaruit blijkt – Hé verrassend! – dat poedermelk in bijna niets onderdoet voor moedermelk.

Veel opvallender is het bonte gezelschap aan critici en sceptici dat aan hun zijde meestrijd tegen – wat wel genoemd wordt – de borstvoedingscultus en de moedermelkmaffia. Een hele reeks aan argumenten en overwegingen passeert de revue. Soms feministisch, zoals bij Heleen Mees, die betoogt dat borstvoeding geven en carrière maken niet samengaan. Soms ethisch, zoals bij Sabine Roeser in haar weblog: vrouwen die geen borstvoeding kunnen of willen geven, krijgen een schuldgevoel aangepraat en dat is oneerlijk. Soms zelfs cosmetisch: van borstvoeding geven zou je hangborsten krijgen en aangezien de moderne vrouw tot ver na haar veertigste een MILF wil blijven (en daar ook recht op heeft), kan ze maar beter niet aan borstvoeding beginnen.

Wat mij daarbij het meest intrigeert: hoeveel wetenschappelijk onderzoek er ook wordt gedaan, nooit lijken de strijdende partijen ook maar een millimeter dichter bij elkaar te komen. Sterker nog: het debat heeft zo langzamerhand het karakter gekregen van een bittere uitzichtloze loopgravenoorlog. Met strijdende partijen die elkaar verketteren, elkaar betichten van het voeren van een ‘vuile oorlog’ en allerhande complottheorieën koesteren. Zo suggereert zelfs een wetenschapper als Sabine Roeser dat overheden wetenschappelijk bewijs verdonkeremanen dat kunstvoeding even gezond is als borstvoeding. Een verwijt waar de aanhangers van de moedermelkdoctrine ongetwijfeld tegenin zullen brengen dat die studies zijn gefinancierd door de poedermelkfabrikanten en daarom terecht worden genegeerd.

En zo worden de argumenten en beschuldigingen als handgranaten eindeloos over en weer gegooid tussen de strijdende kampen zonder enig uitzicht op een staakt het vuren.

En één ding is duidelijk: meer wetenschap gaat dit niet oplossen. Er zijn simpelweg al teveel feiten, teveel perspectieven en teveel invalshoeken in het spel. Objectieve overdaad, noemt de Amerikaanse denker Daniel Sarewitz dit fenomeen: een veelheid aan feiten en invalshoeken die strijdig kunnen zijn, maar ook tegelijkertijd waar of gerechtvaardigd.

Want natuurlijk heeft Sabine Roeser gelijk dat vrouwen die graag borstvoeding willen geven, maar bij wie het niet lukt, geen schuldgevoel aangepraat moeten krijgen. Maar mijn collega Floortje Daemen heeft ook gelijk, weet ik uit eigen ervaring als moeder van een dochter die tot in de kleuterleeftijd graag bleef tietje drinken: Nederland is bepaald geen borstvoedingsvriendelijk land en vrouwen die borstvoeding geven, krijgen niet de steun die ze nodig hebben.

In de recent verschenen verkenning over evidence based policy van het Rathenau Instituut getiteld ‘Beleid en het Bewijsbeest’ wordt dan ook gesteld dat we niet de illusie moeten hebben dat omstreden maatschappelijke kwesties met kennis te neutraliseren zijn.

De wetenschap kan de borstvoedingscontroverse niet oplossen. Maar – als troost voor wie dit een onbevredigende uitkomst vindt – de wetenschap kan wel degelijk een belangrijke bijdrage leveren. Natuurlijk om te beginnen door te zorgen voor een gedeelde kennisbasis onder het debat. Maar, en dat is misschien nog wel belangrijker, daarnaast ook door het verhelderen, analyseren en duiden van de begrippen en waarden die in het debat een rol spelen.

Zo kan de wetenschap helpen om de strijdende partijen uit de loopgraven te krijgen en eraan bijdragen dat de discussie op een hoger plan komt.

Ik kan niet wachten tot er eens zo’n analyse op het borstvoedingsdebat wordt losgelaten.

Antoinette Thijssen is Hoofd Communicatie bij het Rathenau Instituut.

foto kynan tait

  1. 2

    Nergens in de discussies lees ik het aspect dat flesvoeding kan helpen om de vader een band met zijn kind te doen opbouwen. Zodra het om het afwegen van veel verschillende soorten voor- en nadelen gaat, kan wetenschap nooit een oplossing bieden. Het is een persoonlijke keuze waarbij veel meer meespeelt dan gezondheidsaspecten. Juist daarom graaft men zich ook zo in en ervaren beide kampen elkaar al snel als `beschuldigende maffia’.

  2. 5

    Inderdaad een aardig stukje, al vind ik de opmerking over HPV wat te ongenuanceerd. Er is hoogstens een (zwakke) correlatie tussen dit virus en baarmoederhalskanker. Eén van de grootste problemen van evidence based policy is namelijk dat veel zaken juist niet zo duidelijk vastliggen.
    Juist het Hoofd Communicatie bij het Rathenau Instituut zou dit moeten begrijpen.

  3. 6

    Mooi stuk. Bijzonder ook om de reacties te lezen waarin direct een groot parade paardje waar juist de fabrikanten van kunstvoeding mee te koop lopen. De band met de vader. Hoe cruciaal wordt die wel niet geacht te zijn de eerste 4 weken. Dat oh zo belangrijke flesje wat vader kost wat het kost niet met moedermelk gevuld wil zien maar met de koeien variant. En dan te bedenken dat dezelfde vader na een maand of 9 niet weet welke kledingmaat zijn wondertje heeft en je ‘m echt niet moet vragen bij een jaar of twee welke schoenmaat zijn kroost heeft. De vaderrol is zoveel groter dan dat flesje.

  4. 7

    Volgens Kweetal zijn er bij iedere discussie tenminste twee kanten. Twee standpunten die proberen het andere ongeldig te verklaren, of tenminste te laten inbinden om tot een compromis te komen. Een discussie kan nauwelijks een echte discussie worden genoemd als de vertegenwoordigers van de beide standpunten zich niet wensen te verdiepen in het standpunt van de tegenstander. De meeste zogenaamde discussies zijn dan ook geen discussies maar twistgesprekken waarin beide partijen enkel hun eigen standpunten blijven herhalen.

  5. 10

    Volledig mee eens. De borstvoedingsdiscussie is een gelopen race. Beide partijen proberen middels een dwangmatige zelfprofilering een argument te brengen. Met het risico dat de toehoorders boos weglopen.