Recensie: Het maakbare nieuws

Het maakbare nieuws

Het moest bijna twee jaar duren voordat er een tegenboek kwam op Het zijn net mensen. Beelden uit het Midden-Oosten van Joris Luyendijk. Lekker actueel. Maar omdat de discussie over (buitenland)journalistiek nog steeds wordt gevoerd, was het blijkbaar nodig om Het maakbare nieuws te schrijven.

Herkenbaar
Net als voor veel andere journalisten was ook voor mij was het boek van Luyendijk herkenbaar ? en ik heb heel kort bij de NOS gewerkt. Toch begon halverwege het boek Luyendijks verwende toontje me te vervelen: ‘Ik probeer hier Hoge Journalistiek te bedrijven, maar de omstandigheden weerhouden me daarvan’. In Het maakbare nieuws schrijven Van Hoogstraten en Jinek dat ‘het jammer is dat hij (Luyendijk, AB) aan zijn correspondentschap begon voordat hij journalist was’.

Publiek bedienen
Was dat echt zo jammer? Volgens mij probeerde Luyendijk een journalist te zijn naar een beeld dat hij van journalisten had. Een beeld dat velen van journalisten hebben. Is dat slecht? Niet per se. Ik vind dat een journalist zich te allen tijden bewust moet zijn van je publiek. Je bent het verplicht om een beeld te schetsen van hoe je werkt. Immers, veel weten is veel begrijpen. Als de journalistiek dat van het begin af aan goed had gedaan, had niemand hoeven zeggen: ‘Journalisten zijn ook maar mensen’. Luyendijk keek naar de journalistiek zoals zijn publiek en probeerde het te bedienen.

Objectiviteit
Wat mij betreft was de grootste misvatting van Luyendijk dat hij ervan uitging dat journalistiek objectief is. Natuurlijk, nieuwsmedia kunnen berichten over opiniepeilingen of objectieve onderzoeken, maar objectief: nee. Dat is ook logisch, want ‘we zijn ook maar mensen’. Wat we wel kunnen zijn, is streven naar een zo onafhankelijk mogelijke en zo volledig mogelijke berichtgeving. Dat dit in het ene land makkelijker is, dan het andere, dat lijkt me duidelijk. Sterker nog: ik merk dat een Drent vaak meer open is dan een Limburger. Moet je in dat geval als journalist huilend in een hoekje zitten en wijzen: Hij wil niet praten? Nee, je doet als journalist je stinkende best om toch een verhaal te krijgen.

Werkveld
In het eerste deel van Het maakbare nieuws proberen diverse correspondenten duidelijk te maken hoe ze werken. Zo schrijft Bram Vermeulen over verhalen die hij in Congo maakte. Coen van Zwol over hoe de Sovjetoverheid hun versie van de waarheid naar buiten brengt. Paul Sneijder over hoe hij met de enorme publiciteitsmachine in Brussel om gaat. Over het algemeen is het echt interessant leesvoer en biedt het een fijn kijkje in de keuken van de buitenlandjournalistiek.

Irritant
Het is alleen erg jammer dat deze mooie verhalen in een ik-zet-me-af-tegen-Luyendijk-vorm is gegoten. Dat hebben ze namelijk helemaal niet nodig. Sterker nog, het is vrij irritant als de naam Luyendijk weer naar boven komt. Dat doet afbreuk aan het verhaal. Waar het niet gebeurt, is in het hoofdstuk van de twee fotojournalisten Stanley Greene en Kadir van Lohuizen. Ze schrijven bijvoorbeeld over de vraag of je eerst mens bent en dan journalist, of omgekeerd. Het is een verademing om te lezen hoe ze te werk gaan. In het laatste hoofdstuk pleit Tim Overdiek ervoor om te bloggen over hoe een verhaal tot stand komt. Of in een blog te schrijven wat je in de krant of nieuwsitem niet kwijt kon. Scheelt een hoop frustratie die bij Luyendijk zich blijkbaar had opgestapeld.

Onderscheidend
Het tweede deel van het boek zet de buitenlandjournalistiek in perspectief. Ad van Liempt noemt bijvoorbeeld de verschillen tussen het eerste NTS Journaal in 1956 en het NOS Journaal en RTL Nieuws van nu: de manier van werken is eens stuk sneller geworden. Luyendijk zelf schrijft ook een hoofdstuk. Hij schrijft dat door alle concurrentie van internet waar iedereen het nieuws vandaan kan halen, kwaliteitsjournalisten zich onderscheiden ‘door hun vermogen informatie te doorgronden, te wegen, in een context te plaatsen’. Het is jammer dat hij het woord ‘invalshoek’ hierbij niet noemt. Immers, je kunt berichten over een brand, en de doden die daarbij zijn gevallen en de schuldvraag. Maar we willen ook graag weten wat zo’n brand nu persoonlijk voor de betrokkenen betekent. Dát is een keuze voor invalshoeken. Niet erg objectief, maar wel journalistiek.

Slotwoord
Dat is iets wat Jan Blokker in zijn slotwoord ook oppert voor Luyendijk als hij schrijft dat deze ‘misschien weer gewoon mooie reportages moet gaan schrijven die de waarheid misschien niet onthullen, maar altijd een heel stuk dichterbij brengen’.

Advies
Laat Luyendijk dat advies van harte nemen. Dan hoeven de boekenplanken misschien in de toekomst niet meer bevuild te worden met tegenboeken – immers niet echt het medium om te discussieren – maar kunnen journalisten zich weer bezighouden met goede en mooie verhalen te brengen.

  1. 1

    Mmmhhh. Ik had uit Luyendijks boek vooral begrepen dat zijn boodschap is: “je kunt niet alles (en meestal helemaal niets) weten. En dat is niet erg, maar doe dan niet alsof je het wel weet en geef aan hoe je te weten bent gekomen wat je wel weet, zodat je lezers, kijkers en luisteraars zelf kunnen oordelen over de relevantie en waarde van je berichtgeving en hoe het in perspectief geplaatst moet worden.”

    Dan is het boekje geen “tegenboekje” maar (onbewust?) in compliance met Joris L’s oproep. Met andere woorden: door te zeggen “het is niet waar dat we soms maar wat aanprutsen, want we werken zus-en-zo”, geven ze hun werk precies de relativering en daarmee de kwalitatieve impuls waar Luyendijk tot oproept.

  2. 2

    @1 – Als in de meeste hoofdstukken echt wordt afgezet tegen wat Luyendijk te zeggen heeft, vind ik het wel degelijk een tegenboek.
    Inderdaad, als journalist kun je niet alles weten en dat moet je ook vooral aangeven. Maar dat is ook niet waar de kritiek van de correspondenten zich in Het maakbare nieuws zich op richt.

  3. 3

    “In het laatste hoofdstuk pleit Tim Overdiek ervoor om te bloggen over hoe een verhaal tot stand komt.”

    Tijdje terug zei ik al:

    “Mijn eerste gedachte was: waarom geen blog waarin de journaals en hun verslaggevers de keuzes uitleggen? En: waarom komt Luyendijk zelf niet op zo’n voor de hand liggend idee? Maar ja, hij heeft drie jaar gewerkt om zijn inmiddels goedverkopende, bejubelde boek te schrijven, dus ik vermoed dat hij eerder tot dezelfde conclusie kwam als ik nu: daar is geen markt voor.”

    Pasgeleden bleek al dat de presentatoren van het NOS journaal helemaal geen zin hebben om te bloggen.

  4. 4

    Interessant idee om in blogs “the making off…” van journalistiek werk te presenteren. Het zou in de transparantie-paragraaf van de gedragscode voor journalisten opgenomen moeten worden.

    Of zoiets goed inzicht zal geven in het acualiteitenmétier, valt te betwijfelen. De journalsiten zijn iet alleen vakgenoten, maar ook elkaars concurrenten. Een kijkje in de keuken zal ons dus niet echt gegund worden.

  5. 5

    Annoesjka schrijft: “Wat mij betreft was de grootste misvatting van Luyendijk dat hij ervan uitging dat journalistiek objectief is.”
    Dat vind ik een vreemde opvatting. Ik neem aan dat we het erover eens zijn dat journalisten niet in de eerste plaats voor zichzelf of voor hun collega’s schrijven, maar voor hun lezers. Dan kun je het moeilijk een misvatting van Luyendijk noemen dat hij de journalistiek door de bril van zijn lezers bekeek. Dat hij toevallig zelf net zo naïef als zijn lezers aan het beroep begon, doet daar niets aan af. Hij mag er namens zijn nietsvermoedende lezers zeker van uitgaan dat die rekenen op min of meer objectieve journalistiek. Luyendijk beschrijft ook een voorbeeld van een vriend van hem die zich bedonderd voelt wanneer hij erachter komt dat nieuws vele malen minder objectief is dan hij gedacht had. Nogal herkenbaar voor veel lezers van het boek.

    Het hele feit dat er überhaupt een tegenboek geschreven is, bewijst eens te meer dat de stelling “niets aan de hand, iedereen wist toch al dat nieuws niet objectief was” een gotspe is. Het boek van Luyendijk heeft namelijk grote impact gehad op al die lezers die helemaal niet wisten in welke mate nieuws niet objectief was. Dat journalisten ook maar mensen zijn en dat het vast niet altijd makkelijk is om helemaal objectief te berichten, dat snapten we allemaal wel. Maar juist de mate waarin de objectiviteit volslagen zoek kan raken door een reeks aan gedetaillerd beschreven oorzaken, terwijl journalisten doodleuk de schijn blijven wekken, is de schokkende boodschap. Dat relativeer je niet even weg met een “dat wisten we toch al”.

    De reactie van Blokker dat Luyendijk maar snel weer mooie reportages moet gaan schrijven (lees: dan doet hij tenminste wat nuttigers dan zijn eigen beroepsgroep aanvallen) vind ik een beschamend zwaktebod. Het betekent: ja, journalistiek is niet helemaal objectief, maar laten we daar vooral geen tijd aan verspillen en gewoon lekker aan het werk gaan alsof er niet veel de hand is, dan valt het allemaal reuze mee. De boodschap van Luyendijk was nu juist dat het helemaal niet meevalt en dat gewoon een beetje meer je best doen en verder je mond houden, volstrekt niet goed genoeg is. Het valt me tegen dat Blokker niet met inhoudelijke tegenargumenten komt maar met dit soort retorische flauwigheden.

    Ook het feit dat het tegenboek twee jaar op zich heeft laten wachten en zelfs dan nog slechts met een lange aaneenrijging van halve nuanceringen en hele afzwakkingen vormt, in plaats van een betoog met enkele heldere argumenten, lijkt me boekdelen te spreken.

    “Dan hoeven de boekenplanken niet bevuild te worden met tegenboeken” is overigens een curieuze en misplaatste uitspraak. De opvatting dat een boek geen medium voor debat is, is nieuw voor mij. Jammer dat elke onderbouwing ontbreekt.

  6. 6

    @5 – Ik begin even met een korte herhaling met wat ik in mijn recensie schreef. Want ik noemde dat journalisten te allen tijden zich bewust moeten zijn van hun publiek. Dus inderdaad, ze schrijven niet voor zichzelf. Ik schreef ook dat het niet per se slecht is dat Luyendijk de journalistiek bekeek op de manier waarop hij (als publiek) dacht dat een journalist hoorde te werken. Dat bijvoorbeeld mensen niet weten dat ?de journalistiek? niet volledig objectief kan zijn, is iets wat misschien wel sinds de oprichting van de journalistiek is opgebouwd. Daar kun je dus niemand op aankijken. Het enige wat journalisten dus nu kunnen doen om dat beeld bij te stellen is openheid geven in de manier hoe ze werken.

    Het is waar dat Het maakbare nieuws is doorspekt met ?duhhh, dat wisten wij toch allang?, maar daarin wordt wel ?wij-journalisten? bedoeld. Maar niet-journalisten weten dat veelal niet. Er is dus behoefte aan openheid. Hoe journalisten dat op kunnen lossen? Bloggen! Boeken schrijven! Dat daaraan behoefte is, heeft Luyendijk prima bloot weten te leggen.

    Nog even verder over objectiviteit. Ik vind dat een journalist moet streven naar een zo objectief mogelijke berichtgeving. Maar dat lukt simpelweg niet altijd. Je bent zelf mens, je hebt te maken met mensen en de omstandigheden werken daarin niet altijd mee. Je moet als journalist dus keihard werken om toch zoveel mogelijk gekleurde feiten eruit te filteren. Dat leer je als journalist, maar Luyendijk begon niet als journalist: die werd het pas toen hij al correspondent was. Een van die dingen die je als journalist leert is dat je geen grote vragen moet willen beantwoorden. Zoals Coen van Zwol in Het maakbare nieuws schrijft: Niet ‘hoe denkt de Arabische wereld over Bin Laden’ maar ‘Wat zeggen Egyptische dadelventers over Bin Laden?.

    Ik vind het juist niet een zwaktebod van Blokker als hij zegt: laat Luyendijk weer mooie verhalen schrijven? Luyendijk is namelijk een journalistiek talent dat in het begin van zijn carrière totaal niet is gecoacht en daarbij plat op zijn snufferd is gegaan, met alle frustraties van dien. Dat daar een interessant boek is uit gekomen, is prettig. Maar het blijft dat het journaille mooie verhalen zoals Luyendijk die maakte, nog altijd hard nodig heeft.

    Tot slot je laatste alinea. In deze tijd vind ik discussies via boeken laten lopen nogal achterhaald. Het gebeurde in de tijd van de Tachtigers, maar inmiddels is het 2008. We hebben snellere en betere manieren om discussies te voeren. (blogs, bijeenkomsten, kranten, televisie). Immers, mensen lezen steeds minder boeken.
    Dat wil overigens niet zeggen dat ik vind dat Het maakbare nieuws de vuilnisbak in kan. Ik hoop alleen dat er een nieuwe druk komt waar het toontje ?ik ben tegen Luyendijk? uitgefilterd wordt. Want dan hou je namelijk een interessant boek over dat over de journalistieke praktijk gaat.

  7. 7

    In je 3e alinea hierbover zeg je nogal wat.

    1. Objectiviteit nastreven is keihard werken. Blijft er dan wel tijd en lust over om ook nog eens te bloggen?

    2. Als de mensen en omstandigheden daarin niet altijd meewerken, dan kan de journalist dat toch vermelden?
    Ik heb het idee dat een “geen commentaar” of het niet toelaten tot bijeenkomsten, gebieden, etc. ook nieuwswaardige feiten zijn.

    3. Zelf wil ik heel graag weten wat de eerste de beste Egyptische kruidenier over Bush denkt. Maar heeft die kruidenier invloed op zijn leven (= de arabische wereld)?
    Dat is toch de reden waarom de opinie van “de Arabische wereld” op de voorpagina komt en de dadelventer in de zaterdagbijlage verschijnt?
    Zou dat anders moeten?

  8. 8

    @7 – Er is wel degelijk tijd en zin om te bloggen. Hoe meer je doet, hoe meer je kunt doen. Zelf heb ik het op het moment razenddruk, maar ik schrijf meer dan toen ik het stil had. Veel leuke dingen doen (en journalisten vinden hun werk nu eenmaal leuk: het is over het algemeen hun passie) geeft energie. Energie om nog meer te doen.

    Zeker, je moet vermelden hoe de omstandigheden zijn. Ook dat is namelijk nieuws. Dat heb ik ook nooit ontkend. Soms schrijf ik dat bij een artikel, en soms vind ik dat niet genoeg en schrijf ik daar een blog over.

    Dé ‘opinie van de Arabische wereld’ bestaat niet. Net zo goed dat er geen één mening is van ‘de Nederlander’ over bijvoorbeeld Beatrix. Als die zou bestaan, dan hoort die inderdaad op de voorpagina.

    Wel hebben genoeg kranten bij grote gebeurtenissen ruimte op hun voorpagina voor die mening van die dadelventer.
    De afgelopen dagen heb je persoonlijke verhalen van Chinezen kunnen lezen. Of van inwoners van Birma/Myanmar. Om maar iets te noemen.

  9. 9

    @10: daarom zijn er opiniepeilingen, om te weten wat de gemiddelde inwoner ergens van denkt. Maar die zijn weer niet betrouwbaar in dictaturen. Zoals Luyendijk als schreef.

    Wat mij betreft moet Luyendijk nu doorpakken: laat eens zien hoe het wel zou moeten. Ga artikelen schrijven en doe er een blog naast.

    Maar eigenlijk gaat het er meer om dat de mainstream het overneemt, want mensen als Thomas Erdbrink laat al veel langer zien hoe het beter kan.

  10. 10

    “Wat mij betreft was de grootste misvatting van Luyendijk dat hij ervan uitging dat journalistiek objectief is. Natuurlijk, nieuwsmedia kunnen berichten over opiniepeilingen of objectieve onderzoeken, maar objectief: nee. Dat is ook logisch, want ‘we zijn ook maar mensen’. Wat we wel kunnen zijn, is streven naar een zo onafhankelijk mogelijke en zo volledig mogelijke berichtgeving.”

    Het is dat laatste wat Luyendijk probeerde over te brengen. Dus bij wie zit nou de misvatting?

  11. 11

    @10 – Ik denk dat we op verschillende manieren het boek hebben gelezen.
    Voor mij was het duidelijk dat Luyendijk de journalistiek op een wetenschappelijke manier heeft proberen te benaderen. Immers, hij vraagt zich af hoe hij een nieuwsfeit moet presenteren als hij het niet weet en het niet kan weten, want er zijn geen (betrouwbare)opiniepeilingen. Een beeld van de journalistiek die volledig objectief moet zijn ligt m.i. daaraan ten grondslag.

  12. 12

    Ik denk ook dat Luyendijk de journalistiek te veel heeft geïdealiseerd en vervolgens heeft vastgesteld dat die niet voldoet aan die hoge maatstaven. En ik was ook wel blij dat verschillende auteurs van dit ‘tegenboek’ niet alleen maar op hem ingingen, maar ook andere zaken aansneden.