Straat en school

Iliass El Hadioui, Hoe de straat de school binnendringt, uitg. Van Gennep, juli 2011, prijs €14,95, 144 blz., ISBN 9 78 94 61 64 04 44

Veel mensen vinden de grootstedelijke straatcultuur charmant. Kenmerken als kleding en taal worden vaak geïmiteerd, en niet alleen door jongeren. Een beetje flirten met de straatcultuur is ook bij volwassenen bon ton.

Uit dit prima boek van de socioloog Iliass el Hadioui valt te leren, wat die straatcultuur werkelijk inhoudt: die is echt niet alleen maar leuk. Voor jongeren die in deze cultuur zijn opgegroeid en niet hebben geleerd om zich in andere kringen te bewegen (El Hadioui noemt dat primaire socialisatie), is de straatcultuur een prettige maar tegelijk genadeloze wereld. De straatjongere is aan deze wereld gebonden doordat ze gemakkelijk en snel plezier biedt en vooral door een zeer sterk besef van erbij te horen: de straat is een thuishaven. Maar de prijs is hoog.

Om niet te worden uitgestoten uit de enige groep waar hij zich thuis voelt, moet een jongen met zo’n primaire socialisatie zich zien te voegen binnen een informele maar strenge hiërarchie. Toont hij niet het “respect” dat de sterkere of slimmere binnen de groep van hem eist, dan wordt hij met dreigementen maar ook met daadwerkelijk geweld op zijn plaats gezet. Op zijn beurt is hij voortdurend op zijn hoede, of hij zelf wel “gerespecteerd” wordt en of het geen tijd wordt om eens een mes te laten zien.

Anderzijds is het plezier dat de straatcultuur biedt een statussymbool tegenover andere straatjongeren. Heb je een snelle auto of een mooi kledingstuk bemachtigd, dan verdien je ook daarmee “respect”. Zowel geweld als plezier zijn dus middelen om je in de groep te handhaven en dat maakt de groep zo absorberend, dat je geen tijd en energie overhoudt om je opleiding af te maken. Daar komt bij, dat ijver op school of in wit (dus voor een starter weinig lucratief) werk op zichzelf al grote afbreuk doen aan het “respect” dat je krijgt. De groep is dus niet alleen gezellig en een bron van plezier. Ze is naar binnen gewelddadig en naar buiten jaloers.

Is de jongere met een primaire socialisatie een meisje, dan komt daar een laag bij: ze wordt door de jongens gezien als een gebruiksvoorwerp voor seksueel plezier en is daarmee zelf een statussymbool. Ze wordt als bezit gezien en als ze zich ook zo gedraagt, wordt ze beloond met leuke spullen en met status, maar zo niet, dan is ze nog minder te benijden.

Rond deze groep jongeren beweegt zich, meer of minder verwijderd, de groep met de secundaire (straat-)socialisatie. Dat zijn jongeren die heel goed weten hoe je je in ABN moet uitdrukken, hoe je een studie moet volgen, en hoe je tegen leraren en andere volwassenen beleefd, mondig en aardig moet zijn. Hun betrokkenheid bij de straatcultuur is veel oppervlakkiger dan die van de zojuist beschreven harde kern. Deze jongeren zeggen bij voorbeeld “doekoe” in plaats van “geld”, maar doen dat niet in een sollicitatiegesprek; een jongere met een primaire socialisatie doet dat wel en maakt daarom geen kans op een reguliere baan.

In het verlengde van het burgerlijke flirten met de straatcultuur waarover ik het in het begin van dit stukje had, wordt een secundaire straatsocialisatie vaak schattig en vertederend gevonden. Maar El Hadioui is van mening, dat het hier vooral bij meisjes niet om iets ongevaarlijks gaat. Zij kunnen op sleeptouw worden genomen door jongens met een primaire straatsocialisatie. De mooie romantische verleidingspraatjes van een gastje leiden zo’n meisje dan om de tuin totdat ze merkt dat ze in de problemen zit, omdat ze een onderdeel is geworden van de machts- en genotshuishouding van de straatcultuur en er voor haar leven als scholier en als kind van haar ouders geen plaats meer is.

Jongeren met een primaire straatcultuur kunnen zich in het onderwijs niet handhaven. Ze weten niet hoe dat moet en mogen het ook niet van zichzelf, omdat leraren de boze buitenwereld zijn en het relax-ethos van de straat willen vervangen door een arbeidsethos. De weg naar een oplossing voor dit probleem wordt bemoeilijkt doordat het als een probleem tussen autochtonen en allochtonen wordt gezien, als een etnische kwestie. Maar de ouders en grootouders van jongeren die bij de straatcultuur zijn betrokken komen uit vele landen, ook uit Nederland zelf. De overeenkomst is dat al deze jongeren uit autoritaire en traditionalistische families komen. Ze weten de weg niet in het subtiele netwerk van gedragswijzen in het huidige onderwijs, dat El Hadioui vergelijkenderwijs “feminien” noemt. Daardoor zijn ze weer niet in staat om aan de verwachtingen van thuis te voldoen. Geen wonder, dat ze ook op school hun toevlucht nemen tot de normen en gedragingen van de straat.

Ik noem hier twee voorstellen die El Hadioui doet om het probleem te lijf te gaan.
In de eerste plaats dringt hij aan op een nauwe samenwerking tussen scholen en ouders- die ontbreekt nu vaak.
In de tweede plaats moedigt hij docenten aan, echt docent te zijn in de ogen van deze jongeren. Met het accepteren van destructieve straatmanieren of met quasi-populaire lesstof (bij voorbeeld een les waarin de economische dynamiek van de drugshandel wordt toegelicht) maken docenten zich juist ongeloofwaardig, omdat ze uit hun rol vallen. De jongeren moeten in de les worden gehouden aan gedragsnormen die goed onderwijs en een bovengrondse carrière mogelijk maken. Ze moeten geboeid worden op een meer indirecte manier, met vraagstellingen die zowel voor de “bovenwereld” als voor de straatcultuur van belang zijn. Beslissend is ook het gesprek, waarin een moeilijke leerling doordrongen wordt van zijn werkelijke belangen.

El Hadioui biedt docenten en ieder die dit verder aangaat in zijn boek een begrippenkader, waarvan ik hier een heel klein deel al heb gegeven. Hij verlevendigt dat met veel boeiende en overtuigende voorbeelden. Hij worstelt vaak zichtbaar met het Nederlands, maar het is niet moeilijk om je daar overheen te zetten. Hij wil een belangrijk probleem helpen oplossen en levert een goede bijdrage.

Bart Berman schrijft ook op http://demodokosbb.blogspot.com

  1. 4

    Leuk bedacht hoor. Zal wel goed vallen op een gesubsidieerd website’tje als de Zeurgasso.

    Feit is natuurlijk dat er grote groepen jeugd zijn die zich als bendes gedragen. Kun je wel praten over ‘primaire en secundaire straatcultuur’ -leuke vondst hoor- maar het is gewoon bendevorming.

    De reden is natuurlijk simpel. Ouders worden niet aangemoedigd om hun kinderen op te voeden of te zorgen dat ze een goede opleiding krijgen. Zijn er bijvoorbeeld ook Nederlandse bendes? Of Chinese? Zou het misschien -wild ideetje hoor- iets met de ‘cultuur’ van de ouders/kinderen te maken hebben? De geciteerde ‘expert’ is toevalligerwijs ook een ‘nieuwe Nederlander’!

    De oplossing volgens dit schrijvertje is natuurlijk meer overheid, minder verantwoordelijkheid voor de ouders en al helemaal geen consequenties voor de kinderen/ouders. Meer knuffelen, dat altijd.

    Wanneer houden we nou eens op met dat stompzinnige jaren-70 gel*l over de maakbare samenleving? Kinderen die zich niet gedragen moet je oppakken. Ouders die hun kinderen niet opvoeden moet je hun uitkering afpakken. En hun Mercedes, dat werkt nog beter.

  2. 5

    Trouwens, als je vind dat ‘de straat’ teveel de school binnen komt moet je die kinderen van school sturen. Hoe moeilijk kan je het maken? Is dat nou zo moeilijk om te bedenken?

    Doen we niet in Nederland, want wij vinden criminelen liev en kinderen die wel er iets van willen maken stom. Wij kiezen altijd voor het schoren en tegen de gewone man. Want criminelen zijn zielug -en toekomstige PvdA stemmertjes- en mensen die zich gedragen niet.

  3. 6

    Er zijn meerdere manieren om de realiteit in woorden te vangen en dit is een hele overtuigende manier.

    Ik heb alleen niet zo’n moeite met een les waarin de economische dynamiek van de drugshandel wordt toegelicht, want die hoeft allesbehalve populair te zijn.

    Maar het belangrijkste is natuurlijk dat de jongeren in de les worden gehouden aan gedragsnormen die goed onderwijs en een bovengrondse carrière mogelijk maken. Alleen zo vallen de weg en het doel samen.

    Kinderen die dat doorzien kun je beter gelijk afschrijven.