Ruinenlust

COLUMN - Het is lastig dilemma: wanneer laat je historische gebouwen vergaan in een vlaag van’ ruinenlust’ en wanneer probeer je ze uit alle macht te beschermen?

Nederland, zo lees ik, maakt zich op voor een zuidenwind die Saharazand met zich meebrengt. Dat is goed nieuws voor de ramenwassers, maar ik geloof dat het verder niet veel zal uitmaken. Op Sicilië is dat wel anders. Daar neemt de wind wel vaker poederzand mee, dat vervolgens de monumenten kaal slijpt.

De bovenstaande foto maakte ik in Eraclea Minoa, de ruïne van een oude Griekse stad in het zuidwesten van Sicilië. De banken van het theater zijn door de winderosie vrijwel weggevreten, en het theater is daarom geplaatst onder een metalen afdak om verdere schade te voorkomen.

Ik beken dat ik teleurgesteld was. Weliswaar zijn antieke theaters allesbehalve zeldzaam – ik heb in mijn collectie 1101 foto’s van 94 theaters – maar het is toch jammer als je een keer niet naar boven kunt klimmen om het standaardkiekje te nemen van de onder je uitwaaierende tribune. Van die aanblik wil ik kunnen genieten, ook als het straks zal gaan om theater numero vijfennegentig.

Er is hier een spanning tussen enerzijds de wetenschappelijke eis dat een monument wordt geconserveerd en anderzijds wat de Duitsers zo mooi “Ruinenlust” noemen: het romantische genieten van de aanblik van een oude ruïne.

In de achttiende en negentiende eeuw wemelde het van de romantische denkers die, door het zien van wat resteerde van de ooit grootse antieke gebouwen, mijmerden over de onvermijdelijke vergankelijkheid van zelfs de grootste wereldrijken. De Britse oudhistoricus Edward Gibbon beweerde dat de aanblik van de resten van het Capitool hem hadden geïnspireerd zijn geschiedenis van de ondergang van het Romeinse Rijk te schrijven. De reizigers die Baalbek in Libanon bezochten, bespiegelden wat af over ondergaande imperia, en verschilden alleen van mening of de ruïne een metafoor was voor de Europese staten, voor het Ottomaanse Rijk of voor verval in het algemeen.

Die mijmeringen zijn uit de mode geraakt. De twintigste eeuw zag een wetenschappelijkere benadering van de oudheden. Ze worden geconserveerd voor wetenschappelijk onderzoek. Het is goed dat dat gebeurt, maar een enkele keer speelt, in elk geval bij mij, de romantische visie weer.