Recensie: DeWolff IV

RECENSIE - DeWolff verenigt op hun vierde plaat pakkende rock met avontuur en experiment.

Het is alweer ruim vijf maanden geleden dat ik op de release party van DeWolff IV in Arnhem was, waar ik het schijfje uiteraard ook kocht – maar op de een of andere manier kom ik er pas nu aan toe om er echt goed naar te luisteren. Eens horen wat de heren van DeWolff nu weer voor moois gemaakt hebben.

Voor wie geen idee heeft waar ik het over heb: DeWolff is een Limburgse rockband, bestaande uit de gebroeders Pablo (gitaar en zang) en Luka (drums) van de Poel en Robin Piso (toetsen). Ze staan er vooral om bekend dat ze in hun muziek sterk teruggrijpen naar stijlen uit de jaren ’60 en ’70, zoals wel meer bands de laatste jaren doen. In 2008 knalden ze op hun titelloze debuut-EP met gitaar, drums en scheurend Hammondorgel (en een beetje hulp van Matthijs van Nieuwkerk) de Nederlandse muziekwereld in, om vervolgens Strange Fruits And Undiscovered Plants uit te brengen: strakke hardrock met hier en daar wat psychedelische passages nogal onbeholpen ertussen gepropt. Toen kwam het dromerig klinkende Orchards/Lupine, dat knap geproduceerd was maar voornamelijk bestond uit lome, langdradige nummers die niet echt bleven hangen. En nu is er dus DeWolff IV.

De plaat opent met wat het vorige album zo node miste: eindelijk weer een lekkere meeblèrrocker! Met “Voodoo Mademoiselle” maken de Wolven gelijk duidelijk dat ze hier voor een stevig, compact rockgeluid gaan, en daarover hoor je mij allerminst klagen. Zowel in dit nummer als in “Crumbling Heart” passen ze een beproefde truc toe: het zijn nummers die aan de oppervlakte op simpele rockstampers lijken, maar waarin allerlei rare dingen zijn uitgehaald met het akkoordenschema en de structuur. Dit moet dan leiden tot muziek die zowel lekker pakkend is als muzikaal interessant en origineel. In onbekwame handen levert het onsamenhangende rommel op, maar in de bekwame handen van Luka, Robin en Pablo werkt het uitstekend. “Crumbling Heart” is met afstand het beste nummer op DeWolff IV, en überhaupt een van de beste DeWolff-nummers tot zover.

Moord en doodslag

De heren waren duidelijk niet in een vrolijke bui, want het album bevat twee murder ballads. “Six Holes And A Ghost” is door de combinatie van de duistere, gewelddadige tekst en de slepende muziek een lekker eng nummer – bijna zoals de Doors eng konden zijn. Ook “Devil’s Due”, dat door de heerlijk “trillende” gitaren een western-achtige sfeer oproept, is sterk, maar wordt toch wel erg opgebroken door het grootste minpunt van deze plaat: de zang.

De stem van Pablo van de Poel klinkt nu eens hoog en afgeknepen, dan weer dromerig en verzuipend in allerlei effecten. Je snakt er als luisteraar naar om hem weer te horen zingen zoals hij dat op eerdere DeWolff-nummers als “Gold And Seaweed”, “Don’t You Go Up The Sky” en “Wicked Moon” deed: mét passie en soul, zónder gedoe. Maar dat doet hij niet en dat is zonde, want zijn teksten zijn juist met sprongen vooruit gegaan. Geen psychedelisch gezever meer, maar volwassen, gestroomlijnde poëzie.

Met de negentien minuten durende, uit zeven delen bestaande suite “A Mind Slip” plaatst de band zichzelf voor een zware opgave. Het is makkelijk om een nummer van negentien minuten te maken – maar een nummer dat ook daadwerkelijk negentien minuten lang interessant blijft om naar te luisteren? Ga er maar aan staan.

Wel, het is DeWolff aardig gelukt. Ik hoor zeventien minuten prima progrock en twee minuten gratuit geklooi met de studiotechniek – dan heb ik het over deel zes, “Astral Awareness”, waarvan je je afvraagt wat het in hemelsnaam toevoegt. Dat is gelukkig snel vergeten als je daarna het laatste deel hoort, het ijzersterke “Vicious Times”. Daarin hoor je ook een duidelijk verband met de rest van de suite, dat verder een beetje ontbreekt – ik heb bij deel vijf echt niet het idee dat ik nog naar hetzelfde nummer zit te luisteren als tijdens deel twee. Maar ja, zo’n lang nummer tot een echte eenheid smeden is helemáál lastig: daarvoor moet je óf tijd rekken met lange solo’s (moeilijk, maar zeker niet onmogelijk, om interessant te houden), óf je moet Pink Floyd zijn.

Dat brengt me weer op dat ‘teruggrijpen naar het verleden’ waar ik het eerder over had. DeWolff doet het nog steeds, maar subtieler. Je kunt niet meer zo snel twee of drie andere bands uit je mouw schudden om hun muziek te beschrijven (“DeWolff klinkt als een kruising tussen Pink Floyd en Deep Purple”), hoewel dat weinigen ervan weerhoudt om het alsnog te proberen. Eigenlijk kun je ze überhaupt niet meer zomaar in dat “retro-rock”-hokje duwen. DeWolff heeft een echt eigen geluid ontwikkeld en dat geluid klinkt goed – alleen nog wat minder klooien met de zang en dan kan het niet meer stuk. Ik ben erg benieuwd wat de heren wolven ons in de toekomst nog voor gaan schotelen. DeWolff IV is in ieder geval een must voor de avontuurlijk ingestelde rockliefhebber.

Reacties zijn uitgeschakeld