Klassieker | De donkere kamer van Damokles

RECENSIE - “De donkere kamer van Damokles” is niet voor niets een klassieker. Het is een dijk van een boek, met een duidelijk thema verwerkt in een ijzersterk verhaal.

Stel, het is 1940 en je bent een jonge man die zijn dagen slijt achter de toonbank van een sigarenwinkel, onder de plak bij zijn lelijke vrouw. Dan biedt de chaos die ontstaat na de Duitse inval een aantrekkelijke kans om aan de sleur te ontsnappen. Maar zo makkelijk gaat dat niet. Een verzetsheld zijn blijkt nog knap lastig, en als je je dan eindelijk een held voelt, krijg je te horen dat er juist geen behoefte is aan helden! Dan weet je ook niet meer over welke boeg je het gooien moet.

Willem Frederik Hermans rekent in “De donkere kamer van Damokles” genadeloos af met de helden uit de talloze jongensboeken over de Tweede Wereldoorlog. Wie het eenmaal gelezen heeft, is meteen van eventuele heroïsche ambities genezen: een held zijn is niet makkelijk, niet leuk en eigenlijk ook nergens goed voor.

Vijftig tinten grijs

Als de krankzinnige moeder van hoofdpersoon Osewoudt aan het begin van het boek zijn vader vermoordt, is de toon gezet. Want donker is het zeker in “De donkere kamer van Damokles”: Osewoudts belevenissen zijn één en al ellende. Er heerst over het algemeen ook een kille, afstandelijke sfeer, al was het alleen maar doordat personages zelden bij hun voornaam genoemd worden (zelfs niet in dialogen).

Het aardige is dat er in al deze duisternis een rijk scala aan grijstinten te ontdekken valt. Hermans vermijdt niet alleen knap het zwart-witcontrast, hij geeft zijn personages ook dynamiek: voel je aan het begin nog minachting voor Osewoudt, uiteindelijk krijg je steeds meer medelijden met hem.

(Vergelijk dit met “Kort Amerikaans” van Jan Wolkers, waar noch wit, noch grijs in te bespeuren valt. Wolkers keert gewoon een grote pot zwarte verf om boven zijn doek – alles en iedereen duister, koud en ziek! – en zegt: ziedaar, een kunstwerk).

Beide benen op de grond

De moord aan het begin is nog op een andere manier een goed voorproefje van de rest van het boek. Met zo’n schokkende gebeurtenis op de eerste bladzijden wordt al snel duidelijk dat Hermans ons geen moment rust gunt. Er is nauwelijks ruimte voor overpeinzingen of andere uitweidingen. De ene gebeurtenis volgt snel op de andere. Hierdoor leest “De donkere kamer van Damokles” als een trein: pak je het op, dan ben je vijftig of zestig bladzijden verder voordat je er erg in hebt. Het hoge tempo maakt het boek ook erg concreet: we hoeven niet door allerlei abstracte, zweverige passages heen te ploegen, er gebeurt voortdurend wat.

Een “echt mannenboek”, wordt deze klassieker wel eens genoemd. Daar zit ook wel wat in, als je naar de thema’s kijkt: de angst voor verlies van status, de daarmee samenhangende drang om jezelf te bewijzen, de onzekerheid of je je wel heldhaftig genoeg gedraagt – het zijn typische mannenproblemen. Hermans schrijft er scherp en aangrijpend over, en volgens mij is het resultaat een boek dat zowel door mannen als door vrouwen gewaardeerd kan worden.

“De donkere kamer van Damokles” is geen gezellig boek; het is op de keper beschouwd niet eens een leuk boek. Maar het staat wel als een huis. Het thema is intrigerend, en is op een heldere manier verweven in een concreet, vlot lezend verhaal met geloofwaardige personages. Een absolute aanrader.

W.F. Hermans, De donkere kamer van Damokles1958.

  1. 1

    Ik heb het ongeveer 25 jaar geleden gelezen.
    Destijds vond ik het spannend en soms grappig, en een beetje triest.
    Achteraf vind ik het verhaal te kunstmatig:
    De hoofdpersoon het Osewoudt met dt, en hij krijgt instructies van ene Dorbeck met ck.

    Wie liever iets grappigs leest (en het niet erg vindt als het verzet bespot wordt), raad ik het volgende boek aan:
    Pastorale ’43 van Simon Vestdijk

  2. 2

    Waar het boek op is gebaseerd is net zo bijzonder, te vinden in:

    Dorbeck, waar ben je? : een biografisch essay over De donkere kamer van Damokles / Willem Otterspeer

    Hermans blijkt de meeste gegevens gebruikt te hebben uit een parlementaire enquete naar het werk van de inlichtingendiensten tijdens de oorlog.

    En hij vroeg zich af of het nog eens goed zou worden uitgezocht wie verantwoordelijk voor wat waren en of er dan nog eens gerechtigheid zou geschieden. Hij vond de historici te bang voor de feiten.

    Dat geloof ik zelf ook wel. Zeer delicate affaires om toch wel machtige personen in politiek en bedrijfsleven.