Populisme & christen-democratie

Abraham Kuyper, oprichter van de ARP (Foto: Wikimedia Commons)

Eerder schreef ik al over de gelijkenissen tussen het 19e eeuwse populisme en de sociaal-democratie. Beide waren vernieuwende, democratische politieke bewegingen die een onderscheid tussen het volk en de elite centraal stelden. Op een element verschilt een man als Wilders van een politicus als Troelstra: het exclusieve, verdelende element. Het idee dat er een gevaarlijke ‘ander’ is die een bedreiging is voor de waarden van het volk. Dit was echter voor het Nederlandse politieke protestantisme, in haar begin jaren, de kern van hun politieke ideeën: zowel de Anti-Revolutionaire stroming, de CHU als de SGP zijn ooit ontstaan uit expliciet wantrouwen ten opzichte van de katholieken in Nederland.

Jarenlang waren katholieken in Nederland tweederangsburgers, die alleen maar in schuilkerken hun geloof mochten belijden. De provincies waar katholieken in de meerderheid waren, mochten zichzelf niet besturen, maar werden als generaliteitsland bestuurd vanuit Den Haag. In de loop van de 19e eeuw kwam hier verandering in: onder het patriottische en later het liberale bewind kwamen er ideeën op om katholieken als gelijke Nederlandse burgers te zien. Dus werd voorgesteld om de katholieken toe te staan bijvoorbeeld hun bisschoppelijke hiërarchie te herstellen. Dat zou betekenen dat er erkend zou worden dat Nederlandse katholieke burgers ook loyaliteit hadden richting de paus en zich naast Nederlander ook lid voelden van een katholieke gemeenschap. De anti-roomse gevoelens waren sterk in Nederland met name onder de orthodoxe calvinisten. Zij zagen Nederland als een protestantse natie waar gewetensvrijheid was doordat de macht van de katholieke kerk was ingedamd. Dus ontstond er een anti-katholieke maatschappelijke beweging, de Aprilbeweging, die zich verzette tegen de groeiende macht van de katholieke kerk in Nederland en de liberale politieke elite die onder het mom van geloofsvrijheid de katholieken hun gang liet gaan. Uit deze Aprilbeweging groeide de latere Anti-Revolutionaire Partij: Stop de ‘katholisering van Nederland’.

Uiteindelijk bleek het voor de ARP toch handig om samen te gaan werken met de katholieken: op de grote vraagstukken van die tijd, stemrecht en bijzonder onderwijs vonden deze twee stromingen elkaar wel. Echter binnen de eigen kring werd het katholicisme nog steeds als een bedreigende beweging gezien. Dat leidde tot twee nieuwe politieke bewegingen: de CHU en de SGP. De Staatkundig Gereformeerde Partij brak op theologische gronden. Het vraagstuk was de Nederlandse geloofsbelijdenis, een van de basisteksten van het Nederlandse protestantisme. Het vraagstuk was of er hierin moest staan of het de opdracht van de overheid was om “te weren en uit te roeien alle afgoderij en valschen godsdienst, om het rijk van den antichrist te gronde te werpen.” Hiermee werd gedoeld op de ‘valse’ katholieke godsdienst, die er afgodsbeelden op na hield en geleid werd door de paus, die de protestanten gezien werd als anti-Christ: de SGP zag dit als een ‘paapse schijnreligie’.

De Christelijk-Historische Unie brak met de ARP’ers over de vraag of er met de katholieken moest worden samengewerkt. Zij hielden er, in grote lijnen, dezelfde ideeën op na als de SGP. Zij stelde ook dat Nederland “[i]n overeenstemming met de historische ontwikkeling van het Christendom op Nederlandschen bodem bestuurd [moet] worden als een Christelijke Staat in Protestantschen zin.” Nederland was in hun ogen, vanuit historisch perspectief, een protestantse natie. Een te grote rol voor katholieken in Nederland, zou een gevaar zijn voor het voortbestaan van Nederland als zodanig.

Uiteindelijk koos ook de CHU ervoor om met de katholieken samen te werken, op een aantal symbolische vraagstukken namen zij echter een principiële lijn in. Tot 1971 was het katholieken niet toegestaan om religieuze processies te houden in bepaalde gemeenten. Zelfs met de katholieken in de regering en met vele katholieke premiers, bleef er een grondwetsartikel bestaan dat bestaande anti-katholieke regelgeving in bepaalde gemeenten in stand hield (art. 167 uit de Grondwet van 1848). De anti-katholieke symbool politiek werd hard gespeeld. Zo viel in 1925 het eerste kabinet Colijn, op een voorstel van de SGP’er Kersten om het gezantschap bij de paus op te heffen. De CHU stemde hiermee in en vervolgens trokken de katholieke ministers zich terug. Het werd door de SGP en de CHU gezien als erkenning van de paus, een gevaarlijke totalitaire heerser, om een Nederlandse gezant daar heen te zenden.

Welke conclusie kunnen we uit deze geschiedenissen trekken? Ten eerste dat exclusionistische politiek niets nieuws is in Nederland. De angst voor een religie die dreigt een deel van de Nederlanders te binden aan een buitenlandse macht, die godsdienstvrijheid in gevaar brengt, is zo oud als de Nederlandse staat. In die zin sluit Wilders prima aan bij een Nederlandse traditie. Ten tweede, de rare paradox dat Wilders vanwege het beschermen van religieuze vrijheden een bepaalde religie wil indammen past prima bij de opstelling van het Nederlandse protestantisme: de vrijheidslievende verzetsbeweging tegen het gevaarlijke katholicisme. Ten derde, ook het katholicisme werd gezien als een politieke beweging in plaats van slechts een religie. De wereldlijke macht van de paus over Nederlandse burgers werd gezien als bedreiging van Nederlandse soevereiniteit. Ten vierde past het benadrukken dat een bepaalde religie wezensvreemd is aan de Nederlandse protestantse c.q. joods-christelijke cultuur ook prima in deze traditie.

Maar, nog veel belangrijker, Nederland is en was een land van compromissen en polderaars. De Anti-Revolutionairen en CHU moesten gaan samenwerken met de katholieken. En uiteindelijk zijn deze anti-roomse partijen samen gegaan met de Katholieke Volkspartij in het CDA. Jarenlang bleef het anti-katholicisme beperkt tot symboolwetgeving over processieverboden en diplomatieke afvaardigingen naar de paus.

Ik zie het nog wel gebeuren: een minister Wilders in het kabinet Marcouch. Programmatische overeenstemming over een conservatieve lijn op veiligheid en centrumlinks economisch programma. En wat strijd over symbolen als burqa’s en minaretten.

  1. 1

    Overeenkomsten tussen het katholicisme ne de islam zoals – hoe de houdingen/zienswijzen vergelijkbaar kunnen zijn.

    Ik beschouw de AR als een emancipatiepartij van de kleine luyden. De katholieken werden demografisch als een bedreiging gezien, maar tevens de niet-godsdienstigen. Immers, Kuypers schreef over links en rechts de antithese – christelijk en onchristelijk. Dus ondanks van alles in tegenstellingen waren de katholieken meer bondgenoot dan vijand.

    Tevens moet je de historische component niet vergeten. De hervormde kerk was eeuwenlang de staatskerk geweest. Voor de hervormden waren zij de vertegenwoordigers van de ware Nederlanders, die hadden gevochten tegen de paapse overheersing. In het boekje Neo-calvinisme van Kuypers staan er interessante vermeldingen.

    De katholieken onder Schaepman gingen zich pas organiseren na de kleine luyden. Hun emancipatie duurde nog decennia, en ondanks oproepen bisschoppen aan het demografisch inhalen op de protestanten hebben zij dankzij de jaren 50/60 nooit de macht echt gehad. Altijd moeten delen met de protestanten of soms de socialisten onder Drees.

  2. 2

    Simon, je bent een held. In het vorige stuk plaatste je al een quote van BSG (op zichzelf al lovenswaardig) en in dit artikel maak je een paar zeer interessante bruggetjes ten aanzien van de huidige politiek en de Nederlandse politieke geschiedenis. Knap werk met mooie vondsten.

  3. 4

    Tot zover Andere Tijden. Terug naar de onze.

    Maar alle gekheid op een stokje: goede (serie) post(s)! Het plaatst de zaken mooi in perspectief.

  4. 5

    @2, @3, @4:

    Ik ga mee in de complimenten, maar bedenk wel, we hoeven het niet klakkeloos aan te nemen. Het zou juist een goed startpunt van een comparerende dialoog kunnen zijn.