Politieke partijen en hun stichtinkjes

Financiering van politieke partijen is altijd goed voor gedoe, onlangs ook weer naar aanleiding van de summiere jaarrekening van de PVV en de wirwar van stichtinkjes waarvan de VVD het bestaan openbaarde. Omdat ik wel eens voorzitter van zo’n stichting geweest ben (Stichting Fractiebeheer GroenLinks Rotterdam) kan ik wat licht werpen op hoe dat zit.

Eerst maar landelijk. De onlangs gepubliceerde jaarverslagen zijn die van de verenigingen. Daarnaast hebben partijen een aparte stichting voor het wetenschappelijk bureau en een jongerenvereniging. Die splitsing is wettelijk afgedwongen, om te zorgen dat de bijbehorende subsidies transparant besteed worden. Deze geldstromen onttrekken zich dus aan de partij als vereniging (en zeker de jongerenvereniging laat doorgaans weinig inmenging toe).

Daarnaast kunnen er nog landelijke stichtingen en verenigingen zijn, die wel aan de partij gelieerd zijn maar er geen deel van uitmaken. GroenLinks, om maar weer het voorbeeld dat ik het beste ken uit de kast te halen, kent een platform voor geloof en politiek, De Linker Wang. Die organiseert bijeenkomsten en geeft een eigen blad uit, waarvoor het contributie ophaalt bij sympathisanten. Daarvoor is een vereniging opgericht, waarvan de geldstroom dus buiten GroenLinks om loopt.

Verder heeft iedere Kamerfractie een eigen stichting. Daarin is bijvoorbeeld het PvdA-personeel ondergebracht dat nu in opstand is tegen Khadija Arib. Deze stichting onttrekt zich principieel aan de controle van de partij. De volksvertegenwoordigers zijn immers zonder last of ruggespraak gekozen, dus mogen op geen enkele manier onderhorig zijn aan hun kiesvereniging.

Dit soort werkgeversstichtingen zijn er lokaal vaak ook. Gemeenten geven ieder raadslid naast een persoonlijke vergoeding namelijk ook geld voor ondersteuning. Daaruit moet hij kantoorkosten betalen. In grotere gemeenten is het bedrag hoog genoeg om een of meer medewerkers van in dienst te nemen – geen overbodige luxe als je de bergen papier ziet die raadsleden te verstouwen krijgen. De besteding van dit geld wordt na accountantscontrole verantwoord aan de gemeenteraad. De crux is dat het geld alleen uitgegeven mag worden aan volksvertegenwoordigende doelen, dus niet aan verenigingsdoelen zoals verkiezingscampagnes. Al valt een volksvertegenwoordiger die verantwoording over zijn acties aflegt aan zijn kiezers, niet altijd te onderscheiden van een partijman die een verkiezingsspeech houdt.

De lokale afdelingen van politieke partijen zijn geen aparte rechtspersonen, maar onderafdelingen van de landelijke vereniging. Lokale leden betalen contributie aan de landelijke partij, die een deel afroomt voor landelijke activiteiten en de rest naar rato doorsluist naar de lokale afdelingen. Soms hebben afdelingen echter ook nog een eigen stichting. Dat kan een praktische reden hebben, bijvoorbeeld omdat er een pand in bezit is of personeel in dienst. Sommige leden (of zelfs niet-leden) willen wel doneren voor een lokale campagne, maar willen niet afdragen aan de landelijke partij. De lokale afdelingen hebben er geen belang bij het bestaan van zulke potjes te onthullen aan de landelijke partij.

Nog vager kan het inzicht in de financiën van lokale partijen zijn. Anders dan de landelijke partijen hadden zij helemaal geen plicht om hun grootste donateurs te onthullen of zelfs maar iets te vertellen over de herkomst van hun gelden. Dat is veranderd met de komst van de nieuwe wet financiering politieke partijen (waar de PVV als enige tegen was).

Samenvattend: ja, iedere partij heeft een biotoop van verenigingen en stichtingen om zich heen. Het grootste deel daarvan is legitiem en onderworpen aan democratische controle, ook als ze zich buiten de greep van de landelijke partij bevinden. Je kunt echter niet verbieden dat partijleden buiten de (formele) greep van hun partij ook nog andere activiteiten ondernemen. Dit is waar de PVV gebruik van maakt om de partijfinanciering vrijwel geheel buiten het vizier te houden, vermoedelijk naar Amerikaans voorbeeld.

Meer effectieve transparantie moet dan ook niet zozeer gezocht worden in strakkere controle op de partijen zelf, maar in het reguleren van politieke activiteiten in het algemeen. De vraag is of je dat wilt. Het is immers een forse inperking van burgerlijke vrijheden, wanneer je alleen maar een politieke boodschap mag brengen als je vertelt wie je financiert. De intransparante neveneffecten moet je dan voor lief nemen, in het vertrouwen dat burgers daar vanzelf bedenkingen bij krijgen.