Overwinning Orbán niet meer zeker

ACHTERGROND - Over een week gaat Hongarije naar de stembus. Tactisch stemmen kan het nog spannend maken volgens onze correspondent uit Boedapest Henk Hirs.

Zelfs een luttele twee maanden geleden was premier Viktor Orbán van Hongarije nog de gedoodverfde winnaar van de verkiezingen van zondag 8 april a.s. Maar nu  is het opeens zelfs niet meer helemaal uitgesloten dat zijn Fidesz-partij verliest. Als tenminste de Hongaarse kiezers verstandiger blijken dan de oppositiepartijen en ze massaal tactisch gaan stemmen: linkse liberalen op rechtse nationalisten, conservatieven op socialisten, alles om Orbán ten val te brengen.

Dat er een meerderheid tegen Orbán is, staat eigenlijk wel buiten kijf. Opiniepeilingen wijzen er al een tijd op dat zeker 60% van de bevolking ontevreden is met de stand en de koers van het land. Er wordt steeds meer en steeds openlijker gekankerd en gefoeterd en het is, in tegenstelling tot een paar jaar terug, niet eenvoudig om in Boedapest burgers te vinden die er openlijk voor uit willen komen dat ze Fidesz stemmen. En er was natuurlijk eind februari de tussentijdse burgermeestersverkiezing in Hódmezővásárhely, een stadje dat algemeen als een Fidesz bastion werd beschouwd, maar waar de tegenkandidaat van de gezamenlijke oppositie, Márki-Zay, toch zeer overtuigend won.

Natuurlijk neemt de regering Orbán ook maatregelen die wel op brede steun van de bevolking kunnen rekenen, met name als het gaat om het geheel weigeren of op zijn minst sterk inperken van immigratie uit Afrika of het Midden-Oosten (alle oppositiepartijen zeggen daarom nu dat ze Orbán’s hek niet willen afbreken). Maar de meerderheid heeft duidelijk ook genoeg van het gebrek aan economisch en sociaal perspectief  voor diegenen die niet tot de Fidesz elite behoren, de totale ineenstorting van de gezondheidszorg en het onderwijs, de enorme en op het allerhoogste niveau georganiseerde corruptie, en de ongegeneerde leugens en propaganda van de regering.

Kiessysteem

Nog los van de gebrekkige persvrijheid, de greep van de autoriteiten op allerlei instituties, of de juridische en administratieve obstakels die de Orbán regering opwerpt om critici de mond te snoeren, is een belangrijk probleem het type kiessysteem dat Orbán in 2012 (eenzijdig) invoerde. Daarin brengt de Hongaarse kiezer twee stemmen uit, een op een landelijke partijlijst en een op een kandidaat in zijn/haar kiesdistrict. Van de 199 parlementszetels gaan er 93 naar landelijke partijen al naar gelang hun percentage stemmen en 106 naar de winnaars in de 106 kiesdistricten, d.w.z diegene die daar de meeste stemmen krijgt (maar een meerderheid is niet vereist). Dat betekent in praktijk dat de huidige oppositie vrijwel geen kans maakt.

Niet alleen zijn er veel oppositiepartijen (vier middelgrote, vier kleintjes), maar ze staan ideologisch ook nog eens ver (socialisten en groenen kunnen elkaar niet luchten of zien) tot mijlenver (wat moet een links-liberaal met een rechtse nationalist en omgekeerd) uit elkaar, zodat er nauwelijks wordt samengewerkt. Zolang Fidesz er maar in slaagt in het gros van de districten de grootste partij te blijven (zelfs al is dat met bijvoorbeeld slechts 30% van de stemmen), is de buit binnen. In de verkiezingen van 2014 (technisch vrij maar niet eerlijk, aldus het oordeel van de OVSE) haalde Fidesz 43% van de landelijke stemmen en was ze in 96 districten de grootste partij; al met al genoeg voor een tweederde meerderheid van 133 zetels.

Moeizame samenwerking

Maar sinds de uitslag in Hódmezővásárhely is het idee van een technische samenwerking tussen oppositiepartijen opeens op de voorgrond gekomen. Iedere partij neemt zelfstandig deel aan de strijd om de 93 lijstzetels, maar in de meeste districten zou er maar één serieuse oppositiekandidaat moeten zijn – diegene die het meeste kans maakt Fidesz te verslaan wordt door iedereen gesteund, van welke partij hij of zij ook is. In praktijk zou het erop neerkomen dat het rechts-nationalistische Jobbik op het platteland meestal de uitdager van Fidesz zou zijn, en in Boedapest en een paar grotere provinciesteden diverse kandidaten van progressieve partijen. Een dergelijke districtencoördinatie is niet makkelijk – niet op de laatste plaats omdat Orbáns kieswet voor partijen allerlei financiele en andere obstakels opwerpt die een dergelijke coordinatie moeten voorkomen – maar het zou de gezamenlijke oppositie wel degelijk een meerderheid kunnen opleveren.

Helaas zijn de oppositiepartijen er de afgelopen weken nauwelijks in geslaagd om op dit punt erg veel vooruitgang te boeken. Op links zijn wel een aantal samenwerkings- en coördinatieovereenkomsten gesloten, waardoor in ieder geval een aantal kiesdistricten in Boedapest aan de oppositie toe zullen vallen. Ook de centrumgroene LMP, die achter jaar lang weigerde met wie dan ook samen te werken, heeft als “gebaar van goede wil” besloten om in een paar districten te coördineren. Maar Jobbik (in peilingen duidelijk de grootste oppositiepartij) wil eigenlijk met niemand samenwerken en omgekeerd. Van een omvattende coördinatie is, een week voor de verkiezingen, dus geen sprake.

Tactisch stemmen

Maar de beweging van onderop ten faveure van tactisch stemmen is nog altijd groeiende. Diverse groepen, van studenten en bekende intelectuelen en kunstenaars, tot voormalige ministers en zelfs een aantal teleurgestelde Fidesz prominenten, roepen de kiezers op tactisch te stemmen “voor de partij die je het meest aan het hart ligt, maar de kandidaat die de meeste kans maakt tegen Fidesz.” Er zijn diverse websites die kiezers uitleggen hoe tactisch stemmen werkt en hoe de verhoudingen in hun district liggen.

Volgens sommige schattingen is nu in zo’n 25 districten de overwinning van een oppositiekandidaat waarschijnlijk en zijn er 40 tot 50 districten waar massaal tactisch stemmen het tij kan keren. Het is uiteraard sterk de vraag of dat gaat lukken, maar het is toch nog onverwacht spannend geworden.

  1. 1

    Maar de meerderheid heeft duidelijk ook genoeg van het gebrek aan economisch en sociaal perspectief voor diegenen die niet tot de Fidesz elite behoren, de totale ineenstorting van de gezondheidszorg en het onderwijs, de enorme en op het allerhoogste niveau georganiseerde corruptie, en de ongegeneerde leugens en propaganda van de regering.

    Heel even zag ik breede rivieren traag door oneindig laagland gaan…

  2. 4

    @2

    Generatiekloof, ben je gek dat woord ontsiert het artikel. Ik vraag me ook af of Orban in brede groepen in Hongarije al zo wordt gehaat dat ze hem een gruwelijke ziekte toewensen.

  3. 5

    @4: Het werkwoord ‘kankeren’ heeft niets te maken met het toewensen van gruwelijke ziekten, en dat zou je weten als je de link die ik heb geplaatst heel eventjes aangeklikt zou hebben.

  4. 6

    @5.

    Dat staat er helemaal niet. Er staat dat de jongere generatie meer moeite mee heeft, of als je niet uit een achterbuurt komt. Het is voor mij gewoon een ongewenste vorm van taakverruwing.

  5. 7

    In dit stuk wordt wel heel gemakkelijk gedaan over Jobbik. Dat zijn neo-nazi’s waarbij vergeleken Orban de hemel op aarde is. Je kan moeilijk van een linkse, en zelfs van een rechtse, oppositie verwachten dat ze mensen vragen daarop te stemmen. Je schiet er ook niets mee op als Orban zijn meerderheid verliest, maar vervolgens geen coalitie mogelijk is, of alleen een coalitie met Jobbik die het vast niet beter zal doen dan de huidige eenpartijstaat.

  6. 15

    Je zegt:

    Maar de meerderheid heeft duidelijk ook genoeg van het gebrek aan economisch en sociaal perspectief voor diegenen die niet tot de Fidesz elite behoren, de totale ineenstorting van de gezondheidszorg en het onderwijs, de enorme en op het allerhoogste niveau georganiseerde corruptie, en de ongegeneerde leugens en propaganda van de regering.

    En vandaag een artikel in het financieel dagblad, dat toch wat strijdig is met bovenstaande.

    … de Hongaarse premier Victor Orbán kan toch niet ongelukkig zijn geweest met de publicatie van het laatste werkloosheidscijfer. Net als de drie voorafgaande maanden bleef de werkloosheid in Hongarije in februari onveranderd staan op 3,8% van de beroepsbevolking. Dat is het laagste punt sinds de val van het communisme eind vorige eeuw.

    Maar iedereen lijkt het wel eens te zijn over de corruptie in Hongarije.

    En dan roept Orban lief: Christian Europe is our home. Dat gedweep met het katholieke is typerend voor het (extreem) conservatisme in de oostelijke kant van Europa. Pas maar op met het oude Oostenrijks/Hongaarse keizerrijk.

  7. 16

    @15:Dat “lage” werkloosheidscijfer van 3,8% verhult heel veel. Zoals het feit dat tussen de 1/2 en 1 miljoen (vooral jonge) Hongaren het land de afgelopen 10 jaar verlaten hebben. Als 5 tot 10% van de bevolking vertrekt, drukt dat de werkloosheid wel ja. Ook zijn 200.000 werklozen in de werkverschaffing gedwongen (40 uur per week werken voor de helft van het minimumloon d.w.z voor 200 euro per maand). Of je nu het hele jaar of een deel van het jaar in deze regeling zit (weigeren mag niet), je geldt in de statistiek als werkend en niet als werkloos. Kortom: de bevolking weet donders goed wat dat cijfer van 3,8% waard is. De schrijver van het FD artikel blijkbaar niet.