Onzichtbaar in een digitale wereld

GeenCommentaar heeft altijd ruimte voor gastloggers. Dit stuk is van Dimitri Tokmetzis, een journalist die op zijn weblog over privacy, controle en toezicht in Nederland en daarbuiten schrijft.

Hier en daar duikt het verhaal op van de Amerikaanse journalist Evan Ratliff. Hij onderzocht of het nog mogelijk is een maand onzichtbaar te blijven in een digitale wereld. Zijn (lange) verhaal is bijzonder ? mede omdat het hem niet lukt.

Ratliff neemt een andere identiteit aan en reist door de VS, terwijl een aantal Wired-lezers hem digitaal op de hielen zit. Ze hebben inzicht in zijn betalingsgegevens en andere informatie die een privedetective boven water haalt. De moraal van het verhaal is dat het een slopende levenswijze is om onzichtbaar te blijven. Het kost veel geld, tijd en energie en al die inspanningen blijken na bijna een maand vergeefs als hij toch wordt achterhaald door de internetmeute.

Het verhaal draagt een zeer interessant thema: in de informatiemaatschappij is volstrekte anonimiteit onmogelijk. En een keuze is er niet meer: je zult vindbaar zijn, of je wilt of niet. Je laat dagelijks zoveel digitale sporen achter, door te betalen, te reizen, te communiceren, tja eigenlijk door te leven, dat je niet meer onzichtbaar kunt zijn.

Toch zijn er meer mensen die dit proberen dan je denkt.

Ratliffs avontuur doet me denken aan het semi-apocalyptische boek The Traveler, van John Twelve Hawks. Een vermakelijk boek, maar mij wat te paranoide. Hoewel… De hoofdpersoon, een dochter van een bijzondere strijder, heeft een missie te vervullen tegen een machtig bedrijf dat al die digitale sporen vrijelijk kan onderzoeken. Het is aan de koene vrouw om het kwaad te verslaan, maar wordt het hele boek achtervolgd. Kortom: een catch me if you can verhaal.

Ook in het echte leven zijn er mensen die onzichtbaar proberen te blijven. In het zeer leesbare jaarboek ‘In de greep van technologie‘ van het Tijdschrift voor Sociale Vraagstukken, staan twee bijdragen over mensen ‘die er niet meer aan meedoen’ of hun uiterste best doen onder de digitale radar te blijven.

Bibi van den Berg beschrijft hierin de mensen die de ict-revolutie aan zich voorbij laten gaan. Ze beargumenteerd dat dit niet alleen maar zielige, kortzichtige of ouderwetse stumpers zijn. Het zijn al wat oudere cijfers, maar wel gevonden op een van de toppen van de internethype:

“Uit het (zeer grootschalige) onderzoek van Horrigan blijkt dat in totaal een overdonderende 44 procent van de Amerikanen ontevreden is over, of helemaal geen behoefte heeft aan het gebruik van ict’s. De aanname dat ict voor iedere burger een verrijking zou brengen, is daarmee op zijn minst aan het wankelen gebracht. (…) Uit een ander onderzoek: Een slordige 13 procent van de niet-gebruikers in het verleden wél gebruiker van internet is geweest, maar ermee is opgehouden. Het gaat dan over zo’n 12 miljoen mensen.”

Een interessante verwijzing is de studie: ‘They came, they surfed, they went back to the beach: why some people stop using the internet‘.

Van den Berg onderscheidt drie groepen niet-gebruikers. De tegenstanders ? dit zijn mensen die nog nooit gebruik hebben gemaakt van een technologie en er bewust voor kiezen dat ook zo te houden. ‘Tegenstanders’ hebben geen interesse omdat ze weinig toegevoegde waarde toekennen aan het gebruik van ict’s. Voor ouderen geldt daarnaast dat technofobie een rol kan spelen. Terwijl in Nederland desinteresse de belangrijkste reden is, richten de ‘tegenstanders’ in de Verenigde Staten zich met name op de gevaren voor de privacy die het gebruik van specifieke technologieën mogelijk met zich meebrengt.

Een tweede groep ‘niet-gebruikers’ vormen de zogenoemde afwijzers, afhakers of drop-outs: mensen die in het verleden wél gebruik hebben gemaakt van ict, maar daarmee om een variëteit van redenen zijn opgehouden. Meestal omdat in de praktijk voor deze mensen is gebleken dat ict hun niet biedt wat ze ervan hadden verwacht. Of gewoon omdat de kosten te hoog bleken, al is bij zulk onvrijwillig niet-gebruik eerder sprake van zogenoemde verdrevenen. Tijdgebrek en het kunnen beschikken over voldoende alternatieve bronnen van informatie en communicatie zijn andere motieven voor afwijzing. ‘Afwijzers’ zijn ook vaak mensen voor wie de institutionele context van pc-gebruik op het werk of op school, om wat voor reden dan ook, wegvalt.

Een derde groep niet-gebruikers laat zich benoemen als de uitgeslotenen. Dit zijn degenen die nog nooit toegang tot ict hebben gehad en die ook niet kunnen krijgen, omdat ze daarvoor bijvoorbeeld niet genoeg geld of onvoldoende kennis hebben, of omdat ze vanwege fysieke beperkingen (handicaps) geen toegang kunnen krijgen.

In dezelfde bundel staat ook het verhaal van Alex Grendel, een jonge ict’er die zijn best doet om onzichtbaar te blijven (sorry Alex!). Een zoektocht op Google levert wel een paar hits op, maar geen inhoudelijk informatie. Hij grendelt zijn leven af, vooral uit anti-autoritaire motieven. Uit het artikel:

“Je zou kunnen zeggen dat zo?n profiel niet zo veel kwaad kan. Dat is ook zo. Maar ik vond het geen prettig idee dat ik in de toekomst in een sollicitatiegesprek zou zitten en dat een vreemde aan de andere kant van de tafel bijzonder veel van mij weet. Het is tegenwoordig heel gewoon dat een potentiële werkgever bij een eerste gesprek via je pagina op een netwerksite als Hyves weet waar je dit weekend dronken bent geworden. Of erger. Je hoeft maar een keer onder je eigen naam iets stoms op een forum te hebben gepost, en het is voor iedereen terug te vinden. Dat wil je toch niet.”

De groep whizzkids waartoe Alex behoort, heeft ook fundamentelere bezwaren. Die richten zich vooral op de macht die autoriteiten aan alle gegevens kunnen ontlenen. Zolang een overheid iedereen in zijn waarde laat, is het niet zo erg dat er veel informatie over je op het net staat. Maar als een regering of inlichtingendienst het op je heeft voorzien, om welke reden dan ook, kunnen onlinegegevens je in de problemen brengen. Alex:

“Dat je nu niet onder een dergelijk regime leeft, is geen garantie. Bijna alles dat online te vinden is, staat daar nog jaren. Meestal kun je het er niet zelf van afhalen, maar de gegevens zijn wel in een handomdraai te kopiëren. Je moet er dus van uitgaan dat wat je op het web zet, voor altijd beschikbaar is. Moet je je voorstellen hoeveel gemakkelijker de Shoah was verlopen als er destijds internet en computers waren geweest.”

Vanaf het moment dat Alex online ging ? en dat was al heel vroeg ? heeft hij zijn prive-informatie afgeschermd. Voor de rest is het een kwestie van consequent zijn.

Dat neemt niet weg dat ook Alex en de niet-gebruikers die hierboven staan al lang zichtbaar zijn. Het rekeningrijden, de OV-chipkaart, de elektronische dossiers, bel- en surfgegevens: allen worden netjes opgeslagen en bewaard.

Daarnaast, en dat is misschien nog wel belangrijker, leidt onzichtbaarheid tot argwaan. Als ik een sollicitant voor me heb over wie ik niets kan vinden, ga ik me toch afvragen wat hij of zij heeft gedaan? Wordt er gelogen? Is er een andere identiteit aangenomen? Dit komt ook terug in het verhaal van Ratliff: om niet op te vallen, moet hij een fictieve identiteit construeren (Don Gatz). Want wie niet bestaat is automatisch verdacht.

  1. 2

    Die fictieve identiteit is echt een goeie tip. Maar dan in de zin van: dat wat ik onder mijn echte naam post, is zo gevormd en gecensureerd, dat het ook voor werkgevers en de overheid alleen maar geschikte informatie bevat.