Onderwijs in de jaren nul (1)

Hieronder volgt een gastbijdrage van pedagoog en filosoof Ron Ritzen over het onderwijs in de jaren nul.

In de serie ‘De jaren nul (2000-2009)’ blikt de Volkskrant terug op het afgelopen decennium. Op 28 december was het onderwijs aan de beurt. Het jaar 2005 was volgens de Volkskrant kennelijk het omslagpunt in het denken over onderwijs: “Halverwege het decennium begint de slinger terug te bewegen. In het najaar van 2005 klagen universiteiten dat nieuwe studenten niet meer kunnen rekenen en schrijven. Een paar maanden later blaast onderwijsminister Maria van der Hoeven in een vraaggesprek met de Volkskrant het studiehuis op. ‘De slinger is te ver doorgeslagen’, zegt ze, en: ‘Het vakkenpakket bestaat nu uit veel vakken en vakjes. Er is te weinig ruimte voor kennis en vaardigheden, voor verdieping. Het blijft vaak oppervlakkig. In datzelfde najaar boort Martin Sommer in zijn Volkskrant-column ‘Onder Onderwijzers’ een vat aan frustraties onder leraren aan. Ze klagen dat ze hun vak zijn kwijtgeraakt door tegenwerkend management en nieuwe leermethoden. Vanuit hetzelfde ongenoegen wordt een half jaar daarop Beter Onderwijs Nederland opgericht.”

Er zitten een paar verrassende stukjes in dit citaat. Najaar 2005 klagen universiteiten over de nieuwe studenten, de politiek is ontevreden over de onderwijsvernieuwing en het onderwijsveld mort. Najaar 2005? Er werd altijd gemord over het onderwijs. En door iedereen.

De jaren tachtig

Zo uitte de Wetenschappelijke Raad voor Regeringsbeleid (WRR) halverwege de jaren tachtig haar bezorgdheid over de achteruitging van het kennisniveau in het onderwijs. In politieke kringen was er een soortgelijk gemor te horen. Het toenmalige Kamerlid Grol-Overling (CDA) mopperde eind jaren tachtig over de kwaliteit van de lerarenopleiding voor het basisonderwijs die benedenmaats was. Ze kreeg bijval van haar collega Van Boven, die voor de VVD in de Kamer zat. Volgens hem was in het basisonderwijs te weinig tijd en aandacht voor het bijbrengen van de grondbeginselen van rekenen en taal. De oude kweekschool, dat was pas een gedegen opleiding, aldus Van Boven.

Ongeveer tegelijkertijd werd de alarmklok weer geluid. Er waren te weinig vruchtbare initiatieven getoond om de lerarenopleidingen voor het basisonderwijs op niveau te krijgen. Het toenmalige kabinet liet daarom een ballonnetje op: wie naar de leraar in het basisonderwijs wilde worden, moest wiskunde in het eindexamenpakket hebben. Daarmee zou weliswaar het rekenprobleem van aanstaande leraren worden opgelost, maar tegelijkertijd doemde het probleem op dat het aantal aanmeldingen wellicht zou decimeren. Veel meer dan een ballonnetje was het dan ook niet.

Bijna twintig jaar geleden bleek slechts 43 procent van de pabostudenten opgaven van een toets op het niveau van de hoogste groep van het basisonderwijs goed te kunnen maken. Uit een enquête onder 300 pabodocenten, eind jaren tachtig, bleek dat zij van mening waren dat pabostudenten steeds minder over intellectuele vaardigheden beschikten. Ook zou het opleidingsprogramma een te laag niveau hebben.

Ook de publieke opinie was toen bepaald niet positief over de kwaliteit van het onderwijs. In een paar fikse kritische analyses in onder meer Intermediair konden we lezen waarom er steeds minder geleerd werd in het onderwijs: “alleen de mindere goden kiezen voor onderwijs”. En ook toen al, eind jaren tachtig, werden er de pleidooien gehouden voor meer kennisgericht onderwijs.

De jaren negentig

Niet veel later deden ook de ondernemers een duit in het zakje van de onderwijskritiek. Bij monde van de stichting SMO lieten ze weten dat er een nieuw elan wenselijk én noodzakelijk was. Zij pleitten niet voor meer rekenkunsten, maar wel voor meer aandacht voor het taalonderwijs (en voor meer concurrentie). Kennelijk hadden die waarschuwingen weinig gevolgen, want later riep de Utrechtse rector magnificus Van der Linden de minister op het sluipend kwaliteitsverlies in het VWO te stoppen.

De jaren nul

Ook Maria van der Hoeven, de toenmalige minister van onderwijs, wordt in het citaat opgevoerd. Maar zij was helemaal niet ontevreden over het onderwijs. Op haar weblog schreef ze “We vergeten te makkelijk dat er ook veel goed gaat in het onderwijs. Dat mag ook wel eens gezegd worden.”

Stemming

Maar goed. 2005 was het omslagpunt. “Waarom is de stemming omgeslagen”, vroeg Martin Sommer zich al twee jaar eerder af in de Volkskrant. Aanleiding tot deze vraag was de omslag in het denken over onderwijsvernieuwing. “Het antwoord moet zijn: Pim Fortuyn. Hij liet in zijn korte politieke carrière duidelijk zien dat de zittende politici en ambtenaren op gebieden als immigratie , zorg en inrichting van het landsbestuur liever een andere bevolking hadden. En hij schrijf nog over onderwijs ook.” Fortuyn schreef iets – m.i. niet erg veel – over onderwijs, en daarmee “heeft hij van alles losgewoeld, de opstand in het onderwijs zou je kunnen samenvatten als Fortuyn voor gevorderden.”

In maart 2008 verscheen dezelfde bijdrage van Sommer in ‘De tien plagen van de staat’ onder redactie van Ankersmit en Klinkers (Van Gennep, Amsterdam). Maar in deze versie was Fortuyn volledig weggeschreven. Waar Fortuyn eerst de oorzaak van de omslag in het denken over onderwijsvernieuwing was, blijkt zijn rol vijf maanden later van dien aard te zijn dat zelfs een voetnoot niet meer nodig is. Roem is erg vergankelijk (en in dit geval vijf maanden).

  1. 1

    De vraag is eigenlijk meer: bij wie is de stemming omgeslagen? Bij de bestuurlijke elite dan toch zeker? Een groot aantal mensen dacht er namelijk altijd al zo over, maar vond eenvoudigweg geen gehoor.
    Misschien was het eigen belang? Kwam die elite er achter dat jong academisch personeel niet meer zo ontwikkeld was als ze gewend waren en teveel moest worden bijgespijkerd?

    Een zin in het stuk is niet helemaal begrijpelijk: “wie naar de leraar in het basisonderwijs wilde worden, moest wiskunde in het eindexamenpakket hebben.”

  2. 2

    @1 Ernest: Die zin loopt inderdaad niet. Eind jaren tachtig vond het ministerie het rekenpeil van aanstaande onderwijzers dermate slecht, dat men overwoog om de eis om toegelaten te worden tot de pabo te veranderen. Die nieuwe eis werd havo met – verplicht – wiskunde in het pakket.
    Ik vermoed dat de onvrede in en over het onderwijs gemobiliseerd werd, met name door de combinatie internet & BON (Beter Onderwijs Nederland).

  3. 3

    @artikel: haal even de fouten eruit. Gezien de inhoud leiden die namelijk meer af dan in een willekeurig ander topic.

    Daarnaast neem je heel makkelijk veel verschillende onderdelen samen. Je springt op en neer tussen het niveau van lager onderwijs/pabostudenten naar het niveau van afgeleverde VWO-studenten. Met name dat laatste lijkt me hier de directe aanleiding van je topic. Als we daar naar kijken, dan blijkt er afgelopen decennium ook wel degelijk een omslag te hebben plaatsgevonden. Universiteiten hebben namelijk besloten dat het VWO tegenwoordig niet noodzakelijk een niveau garandeert dat benodigd is voor universitaire opleidingen. Daarom zijn dit decennium ingevoerd/fors uitgebreid: Selectie aan de poort, bindend studieadvies en sinds kort ook voor de bachelor (voor de master bestonden die al langer) toelatingsexamens. Dat lijkt mij nogal een omslagpunt in het denken over (wetenschappelijk) onderwijs.