Onder de dolenden (3) – een kort verhaal

klik voor vergroting
Illustratie: Crachàt

Hij zag zichzelf zoals anderen hem altijd moeten hebben gezien, zonder de speling tussen het brandpunt in de ogen en de spiegel. Dit besef zorgde ervoor dat de scène die zich nog maar zo kort geleden in deze slaapkamer had afgespeeld, weer langzaam bij hem begon te dagen. Hij sloeg de lakens terug om te zien waar al het bloed vandaan kwam. Drie wonden zaten in de buik van het lijk, het bloed was nog maar net gestold. De steken voltrokken zich in zijn herinnering gepaard gaande met de pijn die door zijn lijf was getrokken. Hij trok zijn shirt omhoog en zag daar de drie wonden zitten op exact dezelfde plekken als die op het lichaam op het bed. Het kon niet anders dan dat hij dood was, morsdood. Wat hij nu ervoer was de perceptie van zijn geest die nog vastgeklonken zat aan het leven dat hij zojuist had verlaten. Er restte niets meer dan een ziel die zich had onttrokken aan zijn stoffelijke omhulsel. Het lijf ervoer hij als het zijne, maar het was slechts een hallucinatie van zijn afgestorven geest. Was hij nu terecht gekomen in het hiernamaals of was het slechts een tijdelijke toestand waarin hij in staat werd gesteld het besef tot hem door te laten dringen dat hij afscheid diende te gaan nemen van het leven?

De roes bedwelmde hem in een mechanische toestand. Hij kreeg medelijden met het lijk dat verdronken leek in een rood bassin. Werktuigelijk liep hij naar de badkamer en pakte daar een handdoek, maakte deze nat en begon zorgvuldig het bloed rondom de wonden weg te vegen. De klonters van het gestolde bloed krabde hij weg met zijn nagel. Hij sloot de ogen door lichtjes met zijn vingers over de leden te bewegen. Aan de rand van zijn bed overzag hij zijn arbeid. Het lijk leek ervan op te knappen. Hij had het morbide karakter van de dood uitgewist en daarvoor in de plaats was een een vredige uitstraling over het lichaam neergestreken. Maar daarmee was het werk nog niet gedaan. Hij schoof het lichaam iets omhoog waarbij hij zijn armen onder de oksels plaatste. Het hoofd rustte tegen de muur.

Met veel moeite kreeg hij het lijk van het bed. Van het smetteloze wit van de lakens was niets meer over. Haastig trok hij ze ervan af, de aanblik van de lijkwade was ondraaglijk voor hem. Met een schrobber waste hij de vlek op het matras zo goed als het kon. Het rood verbleekte maar de vlek liep wel verder uit. De lakens en het dekbed gooide hij in de wasmachine. Alles moest schoon zijn, hij accepteerde geen overgebleven tekenen van zijn dood. Met nieuwe lakens dekte hij het bed toe en trok deze tot over het hoofd van het lijk. Slechts de vorm van een menselijk lichaam bleef zichtbaar onder het dekbed. Maar wat nu? Moest hij het huis verlaten en het lijk aan zijn lot overlaten? Hij kon moeilijk hier een wake blijven houden totdat het zou worden gevonden. Hoeveel dagen zouden erover heengaan voordat de stank door de muren drong en het huis zou vervullen met een penetrante geur? Dat de buren zouden gaan denken dat er ergens tussen de plafondplaten een dode rat moest liggen, maar niemand de moed zou hebben om een kijkje te gaan nemen?

Hij dacht aan de krantenberichten over de de stakkers die onopgemerkt drie weken lang in hun huizen lagen te rotten voordat ze gevonden werden. Of aan de man die twee jaar lang zijn overleden vrouw in zijn huis had gehouden totdat ze hen beiden hadden gevonden nadat hij was gestorven. Een macabere man had hij het gevonden, maar nog meer verbaasde hij zich over de omgeving die in al die tijd niets had gemerkt. Het werd Brecht somber te moede. Hij vreesde dat hem eenzelfde lot zou zijn beschoren en dat zijn dood op zulk een manier de kranten zou halen. Brecht voelde de onmacht in hem opwellen die hem volledig verlamde. Apatisch zakte hij onderuit in een stoel en bleef daar zitten tot het moment dat het kloppen op de deur hem onmiddelijk terughaalde naar de realiteit.

Niet lang had hij zich verscholen gehouden tussen de colberts en de jassen. Na enkele minuten was hij tevoorschijn gekomen uit zijn schuilplaats en sloeg hij met zijn rug tegen de muur gezeten de verrichtingen van de agenten gade. Nadat het lichaam was afgevoerd voelde hij geen noodzaak meer om te blijven. Hij moest eruit, weg uit de benauwende omgeving van de obscure kamer die zijn noodlot had bezegeld. Het lichaam was in veilige handen gekomen, hij had zijn taak volbracht. Nog even keek hij om zich heen, maar toen hij besefte dat niets in het huis hem ergens meer toe diende, glipte hij tussen de in- en uitlopende agenten door de deur, de trap af naar buiten. Op straat gekomen, hield hij zijn pas even in. Net nadat hij de deur achter zich in het slot hoorde vallen, draaide een groepje mannen dat wel vaker in de buurt bijeen kwam hun gezichten in zijn richting. Brecht voelde zich ongemakkelijk, als het ware betrapt terwijl hij deze priemende blikken op hem gericht zag, maar even snel als dat ze zich hadden omgedraaid, draaiden ze zich ook weer terug, schouderophalend en weer verder mompelend.

Het dichtvallen van de deur had ze opmerkzaam gemaakt, maar het uitblijven van een gestalte bracht ze in de veronderstelling dat ze het waarschijnlijk verkeerd hadden gehoord. Hij stak de Jan van Galenstraat over, de van Reigersbergenstraat in, op weg naar het Westerpark. Hij had de route vaak gelopen, maar de laatste tijd kwam het er niet meer van. De Kostverlorenvaart deed haar naam volledig eer aan, daar deze door de huizenrij aan het zicht werd onttrokken. Vroeger was daar een en al bedrijvigheid geweest. De zaagmolen halverwege lag er als enig overgbleven relikwie uit de geschiedenis, enigszins verloren bij. De nieuwbouw die hem omringde haalde de wind uit zijn wieken, waardoor het houtrot vrij spel kreeg. De eigenaar wilde ‘de Otter’ zoals de molen heette naar de polder verplaatsen, om hem te redden, maar dit werd uit stedelijk-historisch oogpunt door de gemeente tegengehouden. Telkens weer hield Brecht even stil bij de molen en snoof hij de geur van de vers gezaagde houtsplinters op. Het maakte hem weemoedig naar vroegere ambachtelijke tijden zoals hij die kende van Breitner’s schilderijen van het Prinseneiland.

De stad lag volledig open, net zoals nu en kende een ongekende bloei, maar op een of andere manier ademde het een grotere romantiek. Het leven in die jaren leek zich minder snel te voltrekken en daarmee verkreeg het een grotere eenvoud. Hoewel Brecht een echt kind van deze tijd was, kende hij een heimwee naar deze tijd waarin alles zo eenvoudig leek. In de Limburg van Stirumstraat passeerde hij de manshoge beelden waarbij vooral die van de wandelende man hem deed denken aan de sleuteldrager van de Burgers van Calais die imponeerde door het wegvallen van het voetstuk. De ingang van het park lag voor hem hem, hij liep het bruggetje over en keek door de kleine steeg waar aan weerszijden de oude fabriekspanden lagen. Nadat het park een grondige herinrichting had ondergaan was het verworden tot zijn meest geliefde park in de stad. Meer zelfs dan het veel populairdere Vondelpark dat hem juist om die reden afschrok. Hij zocht een een bankje op aan de rand van de vijver waar de onthoofde gipsen ballerina onverstoord haar rondjes maakte. Het park lag er verlaten bij, waarschijnlijk omdat het een van die typisch grijze najaarsdagen was. Slechts hier en daar liep een enkeling langs de spoorbrug op doortocht naar de erachtergelegen buurten.

Het was een tijd geleden dat Brecht op hetzelfde bankje had gezeten en dat terwijl hij tegenwoordig meer tijd ervoor vrij kon maken. In de loop der tijd was hij zich steeds ongemakkelijker gaan voelen wanneer hij het park bezocht. Men sprak altijd over de anonimiteit van de grote stad, maar wat dat aanging was het net een dorp. Op den duur werd hij herkend door andere regelmatige bezoekers en hij kon zich niet onttrekken aan de meewarige blikken die op hem neerdaalden, wanneer hij voor de zoveelste keer alleen aankwam in het park. Hij wist dat hij als een zonderling werd gezien en normaal gesproken zou hem dat verheugen, maar niet wanneer deze een constante factor kreeg. Alsof men zijn eenzaamheid kon ruiken, zo ervoer hij die blikken. En daarom bleef hij vaker thuis, zeker ook omdat daar zij manuscript op hem lag te wachten. Een jaar geleden had hij zijn baan opgezegd, zomaar ineens een beslissing die uit het niets leek voortgekomen. Althans zo leek het voor de buitenwacht, maar Brecht had het allemaal vantevoren uitgedacht.

Het begon met een reeks opeenvolgende ziekmeldingen. Hij verkortte de duur tussen de ziektes telkens met een aantal dagen en toen dat in het oog begon te springen werd hij ontboden bij de bedrijfsarts. In de weken voorafgaand aan zijn eerste bezoek oefende hij zijn gemoedstoestand in passiviteit en paste deze steeds vaker toe in zijn werk. Hij haatte zijn werk in alle toonaarden, maar in het begin wist hij zichzelf ervan te overtuigen dat dit van voorbijgaande aard was en dat het slechts heimwee was naar het luxe leven dat hij als student had geleid. Het werkzame leven was nu eenmaal een voldongen feit en hij moest zijn verantwoordelijkheid daarin leren te dragen. Het gevoel van onvrede hield echter hardnekkig aan en werd hoe langer hoe heviger. Hij voelde als het ware een soort splitsing in hemzelf ontstaan waarbij de ene helft een keurige jongeman vertegenwoordigde die nauwgezet zijn taken vervulde, terwijl aan de andere kant een volledig uitgebluste man zich manifesteerde die zich nergens toe kon zetten. De tweede bekeek de eerste in al zijn verrichtingen als het ware van bovenaf en veroordeelde deze telkens wanneer hij zich buiten zijn aard gedroeg. Deze verwijdering tussen twee ego’s leidde ertoe dat hij steeds meer een rol moest vervullen wanneer hij het kantoor binnen liep en het vergde een gedegen voorbereiding die zich op weg naar het kantoor in hem voltrok. Het kostte hem steeds meer moeite en hij liet hier en daar wat kleine steekjes vallen die echter niet direct in het oog sprongen.

Wordt Vervolgd

Deel 1
Deel 2

  1. 2

    Zeg maar, spannend @all…een splitsing is in pimyin Chinees” een ‘mond’, bijna gelijk aan ‘deur of ‘opening’. Het karakter is bijna een vierkant.

    ik wacht ongeduldig op je vervolg @Jorn.