Onder de dolenden (2) – een kort verhaal

klik voor vergroting
Illustratie: Crachàt

De avond ervoor was Brecht vroeg naar bed gegaan. Eigenlijk was hij al doodmoe sinds hij was opgestaan en moeizaam had hij zich door de dag heengesleept. Dagen lang was hij niet buiten geweest, hij had behoefte aan zuurstof en om aan de steeds nauwer wordende vertrekken van zijn appartement te ontkomen, had hij zijn vaste route naar de bibliotheek afgelegd. Via de Rozengracht naar de Prinsengracht. Maar toen hij het lompe gebouw betrad, wist hij niet zo goed wat hij er te zoeken had. Hij liepen tusen de rijen boeken door, ging de verschillende verdiepingen af, maar het leek of er geen enkel boek hem uitnodigde. Hij las de krant half door zonder dat de informatie tot hem doordrong en na een half uur keerde hij onverrichter zake huiswaarts. Hij struinde doelloos door de stad, bewandelde de grachten, af en toe onderbroken doordat hij wat verstrooiing zocht in een cafe bij een kop koffie verkeerd. Hij sliep buitengewoon veel zonder werkelijk uit te rusten. De slaap leek hem alleen maar vermoeider te maken.

’s Ochtends probeerde hij tijdig op te staan, maar hij hoorde de wekker niet of bleef nog uren lang in een sluimering in bed liggen. Hij bracht de dag door met een latent aanwezige hoofdpijn die iets weg had van een chemische sluier die zich in zijn hoofd genesteld had. Zijn concentratie nam af, het maakte hem het functioneren weliswaar niet onmogelijk, maar hij kon zich nergens toe zetten. Zijn gemoed was lethargisch, een toestand die hij nog kende na een avond teveel zuipen, waarna hij het liefst de hele dag in bed bleef liggen. Maar dat kon het niet zijn, hij was al maanden sober. De dokter had hem verzekerd dat hij geen ziekte onder de leden had, dat het eerder een gevolg van stress was, maar waar moest hij deze vandaan halen? Rond een uur of vijf was hij weer thuisgekomen en had de televisie aangezet, verveeld de programma’s uitgezeten. Na een paar uur had hij daar genoeg van en sloeg een boek open, maar het duurde niet lang voordat de letters vervaagden en het boek uit zijn handen viel, overmand als hij was door de slaap. Om een uur of twaalf werd hij gewekt door de kou in zijn benen waarna hij zonder zich uit te kleden in bed kroop. Hij genoot van een relatief rustige slaap tot het moment dat hij daarin onverwacht werd verstoord door een steek in zijn linkerzij. Het was een lichte prik, die hem weliswaar irriteerde, maar niet zodanig dat hij er werkelijk wakker door werd. Hij maakte een slaande beweging in de richting van zijn zij en wilde zich al wegdraaien op zijn andere, toen het plotseling weer ophield. Maar na een paar minuten voelde hij het opnieuw en scherper. Het had iets weg van een lange naald die langzaam maar zeker, krachtiger in zijn vel werd geduwd. Hij voelde dat zijn vel door de aanhoudende druk onder spanning kwam te staan maar niet bezweek door de elastisciteit van de huid.

Brecht greep in de richting van zijn zij, maar voelde daar niets. De steek verdween weer voor even totdat hij deze rechtstreeks door zijn huid voelde binnendringen, een ijzig koud stuk metaal tussen de warme organen en zijn ogen sperden zich open tot een stand die zij nog niet eerder hadden bereikt, de aders op zijn oogbollen duidelijk zichtbaar makend. Hij was vlakbij zijn milt geraakt, de pijn liet zich niet direct gelden, maar werd des te heviger toen het voorwerp er met een ruk uit werd gehaald. Brecht zeeg ineen en greep met beide handen naar de wond om het bloed, dat rijkelijk vloeide, tegen te houden. Het was een gapende wond die hem was toegebracht. Hij kon zich een dergelijke pijn niet herinneren uit zijn dromen en op dit punt besefte hij dat hij te maken had met de harde werkelijkheid. Hij strekte zijn nek iets uit in de richting waar hij de dader verwachtte, hij probeerde lichamelijke vormen te onderscheiden, een silhouet, een been, een arm, maar kon niets zien. Hij sprak zijn gehoor aan op beweging van voeten, het geschuifel over de vloer, maar ook dit leverde niets op. Toch voelde hij iets in zijn nabijheid dat elk moment weer kon toeslaan. Zijn rug werd nat, druppels stroomden langs zijn heup omlaag, maar hij wist niet of het zweet of bloed was. Hij trok zijn benen bij elkaar als het ware als verdediging om een volgende aanval af te wenden, maar bij de volgende steek miste hij de kracht die door het vele bloeden uit zijn lichaam was weggezogen. Hij wilde het uitschreeuwen, iemand waarschuwen, maar zijn schreeuw werd gesmoord in zijn keel die het geluid in omgekeerde richting terug het lichaam in stuwde. Verder verzet was zinloos. Brecht gaf zich over en verloor langzaam zijn bewustzijn. Zijn lichaam verslapte en zakte ineen. De opwinding maakte plaats voor een zekere kalmte, zijn bewustzijn doofde langzaam uit als een nachtkaars.

Na een uur kwam hij weer bij zijn positieven. Aanvankelijk wist hij niet beter dan dat hij ontwaakte zoals elke morgen. Toch kon hij op een of andere manier ergens uit afleiden dat er iets niet klopte. Zijn kamer werd niet verlicht door het daglicht, maar door het vertrouwde gelige schijnsel van de straatlantaarn. Normaal gesproken werd hij alleen midden in de nacht wakker wanneer hij naar de wc moest, maar daar was geen sprake van, het leek er zelfs op alsof hij volledig uitgerust was. Hij greep naar de wekker en zag dat de verlichte wijzers tien voor half vier aangaven. Hij had het gevoel dat hij niet alleen in de kamer was. Hij keek in de rondte of hij ergens iemand kon zien, riep wat, maar kreeg geen gehoor. Hij strekte zijn arm uit naar links en maakte de lamp op het nachtkastje aan. Toen hij terugrolde op zijn rug stootte hij zijn elleboog ergens aan, waarop hij opzij keek en de omtrek van een lichaam ontwaarde, waarvan alleen de kruin zichtbaar boven het dekbed uitstak. Halverwege het lichaam zag hij een paar donkerrode vlekken die vanonder het dekbed vandaan moesten komen. Hij vreesde het ergste.

‘Zou hij?’ Hij probeerde een aanknopingspunt te vinden, maar het bracht hem nergens. Het was onmogelijk, de avond ervoor was niet bijzonder geweest, zoals de meeste avonden had hij deze alleen doorgebracht en was er niemand bij hem geweest. Maar wat deed dat lichaam dan in godsnaam daar? Voorzichtig ging hij uit bed en liep er omheen, zodat hij het van de andere kant kon bekijken. Hij ging op zijn hurken zitten, tilde de punt van het dekbed op, liftte het hoofd iets op en draaide het langzaam in zijn richting. Meteen viel het levenloze hoofd weer uit zijn handen. Het duizelde voor zijn ogen en hij verloor zijn evenwicht, maar kon zich ternauwernood opvangen op zijn handen waardoor hij een botsing van zijn hoofd met de vensterbank wist te voorkomen. De gelijkenis was treffend, het was zijn eigen kop waar hij naar had gekeken, waarin een verstarde blik school die in het niets langs hem heen keek. Hij betastte het hoofd nogmaals, eerst aarzelend, bang om het uit zijn rust te halen, maar naarmate een reactie langer uitbleef, begon hij werkelijk te voelen. Hij drukte op de jukbeenderen en voelde de harde botten door de huid onder zijn duimen.

Brecht greep naar zijn eigen hoofd en deed dit zo weinig subtiel dat hij zich bezeerde. Hij liet zijn handen over zijn schedel gaan, liet ze afglijden naar beneden en betastte voorzichtig zijn huid. De haren van zijn baard prikten tegen zijn vingers, hij kneep in zijn wangen en voelde het weefsel heen en weer gaan. Hij keek omlaag en overbrugde daarmee de afstand tot zijn voeten die uitmondden in zijn enigszins kromme tenen. Hij wreef in zijn ogen en hoopte dat alles uitgewist zou zijn wanneer hij ze weer opende, maar het lichaam lag er nog steeds. Langzaam liep hij naar de spiegel van zijn kledingkast. Er was iets vreemds aan de hand, hij liep meer naar het midden van de spiegel om de juiste hoek te vinden, maar zelfs toen hij op een meter afstand stond, zag hij geen weerspiegeling. Dwars door hemzelf heen zag hij het lichaam op het bed op de achtergrond. Weer keek hij omlaag langs zijn ledematen naar zijn voeten en weer zag hij zijn jubelende tenen aan het uiteinde. Het scheelde weinig of hij viel wederom flauw maar hij wist zich staande te houden. Het duurde even voordat hij tot zichzelf kwam. Hij naderde het lijk, behoedzaam alsof het elk moment zou kunnen ontwaken. Hij pakte de pols en voelde met zijn duim aan de binnenkant. Het voelde koud en stijf, nergens was meer een teken van leven te bekennen. Nu hij het gezicht aandachtiger bekeek, herkende hij het minder dan zoals het op zijn netvlies gebrand was. Het gezicht was ruwer, minder gladgestreken en de littekens die zich op zijn gezicht hadden afgetekend zaten niet daar waar hij ze verwachtte. Het was net als wanneer men een foto spiegelt waardoor het aanzicht vervormt en men zichzelf nauwelijks meer herkent.

Deel 1

  1. 2

    Mooi geschreven…maar té zwartgallig naar de zin. Alles en iedereen in het zwart…Gregoriaans….zes plankjes en een steen…het gat in de grond…de doodgraver die vraagt of alles naar wens was…

    Ik kan er niet goed tegen.

  2. 3

    Heb geduld, YP. Toen ik het verhaal voor het eerst las, had ik ook een seconde dat gevoel op dit punt aanbeland. En toch, en toch, zag ik rare rimpeltjes in dit doorgaans clichématige genre. Vooralsnog tussen de regeljes, maar des te voelbaarder.
    Laat maar bezinken, sta morgen op, en je zal hervoelen dat er meer inzit.
    Laat staan wanneer je deel drie van de acht te lezen krijgt.

  3. 4

    @Larie: les yeux sont faits was inderdaad een prachtboekje, ik heb het gelezen tijdens Frans les op de middelbare school. Overigens apart dat Sartre zichzelf min of meer plagieerde in De dood in het hart, waar hij eenzelfde soort begrafenis schetst.

  4. 7

    Het verhaalt voelt ook wel een beetje Kafka-esque, vooral de sfeer.

    De stijl vind ik bij vlagen net iets te geornamenteerd. Een woord als ‘wederom’ hoort eigenlijk niet voor te komen.