Onder de dolenden (1) – een kort verhaal

klik voor vergroting
Illustratie: Crachàt

Het lichaam lag languit op bed. Er was niets meer van overgebleven dan een zielloze homp vlees, vaalbleek met hier en daar een blauwe vlek, daar waar het bloed zich opeen had gehoopt. De huid was slap geworden alsof deze geen enkele verbinding meer had met de substantie die het hoorde te omhullen. Brecht zat er al een paar uur roerloos als in een roes naar te kijken. De systematiek van de dood zou zodadelijk onherroepelijk in gaan treden; de langzame versterving van het lichaam, de zogenaamde rigor mortis. De verstijving zou beginnen in de oogleden en zich langzaam uitbreiden over het hele lichaam waardoor de berusting van de gestorvene plaatsmaakte voor een angstaanjagend gezicht. Het had hem altijd vreemd in de oren geklonken, dat rigor mortis, de omkering van de klinkers bracht een samenklank in de woorden die het een dichterlijke lading meegaf, zo in tegenstelling tot de halsstarrigheid van de dood. Hij zou niet verbaasd hebben opgekeken wanneer iemand zijn hand naar hem zou uitsteken en zou zeggen; ‘mijn naam is Rigor Mortis.’ Het was de vreemdeling die men slechts een keer in het leven zou ontmoeten.

Hij had de ramen gesloten en de kieren met tape afgeplakt om de reukzin van de aasvliegen en ander ongedierte niet direct te prikkelen. Elkaar opeenvolgend zouden ze komen; eerst de bromvliegen die de eitjes in de openingen van het lichaam legden en zich dankzij het eten van het onderhuidse vet konden ontpoppen tot maden, daarna de kevers, de wespen en de mieren. En als het lichaam maar lang genoeg bleef liggen zou het groter ongedierte zoals muizen en ratten volgen. De bacterienkolonies die tijdens het leven nog meewerkten aan de spijsvertering, keerden zich meteen na het intreden van de dood tegen de gastheer en hielpen het lichaam af te breken. Het systeem was vernuftig, nieuw leven ontstond bij de gratie des doods. Het verval van het vlees gold als het bestaansrecht voor een complete micro-gemeenschap. De fysiologie van de dood intrigeerde hem, maar nu deze uit haar abstractie werd gehaald kwam ze te dichtbij. Brecht wilde afstand nemen van hetgeen zich voor zijn ogen afspeelde. De afbraak moest koste wat kost worden uitgesteld om de conservering van het lichaam te waarborgen.

Het ferme geklop van ongeduldige knokkels op zijn deur gevolgd door het korte roepen van zijn naam, haalde hem uit zijn gedachten. In een reflex schoot hij op uit zijn stoel en dook weg in het kledingrek aan de andere kant van de kamer, tussen de overhemden en colberts. Het bleef even stil aan de andere kant van de deur, maar na een halve minuut herhaalde het ritueel zich. Toen ook daar geen gehoor aan werd gegeven, werd de deur ontzet en stonden er ineens twee gewapende mannen in zijn huis. Het was een vreemd schouwspel; voorzichtig slopen ze langs de wanden met hun pistolen omhoog in rechte lijn langs hun kaken. In korte hevige bewegingen verschenen ze ineens in de deuropening van de slaapkamer en richtten ze hun vizier op de vier hoeken die de kamer rijk was. Op het bed zagen ze het lijk liggen. Ze doorzochten het huis verder, maar al snel bleek dat er niemand anders meer in het huis aanwezig was. Een derde man deed zijn intrede in de slaapkamer.

‘Het ziet ernaar uit dat we niet voor niets zijn gekomen,’ zei de man. ‘Hoe laat zijn we gebeld?’
‘Een half uur geleden’, antwoordde de ander.
De man keek op zijn horloge die 8:33 uur aangaf.
‘Zo te zien ligt het lijk er al een paar uur. Is er iets bekend over diegene die gebeld heeft?’
‘Niet veel, ze hield het vrij kort. Ze meldde dat het tussen twee en drie vannacht gebeurd moet zijn. Het was een jonge vrouw die uiterst kalm overkwam.
‘Heb je haar weten te traceren?’
‘Negatief, ze hing binnen twintig seconden op.’
‘Daar schieten we dus ook niet veel mee op.’

De derde man monsterde de kamer uitvoerig en liep langzaam naar het bed. Hij sloeg het dekbed opzij waaronder een op een boxershort na naakt lichaam te zien was. Drie steekwonden in de buik staarden hen onschuldig aan. Hij tuitte zijn lippen en knikte langdurig met zijn hoofd.
‘Zeer vakkundig uitgevoerd’, sprak hij routineus. ‘Allerminst een amateur; wonden keurig schoon gemaakt en de lakens na afloop vervangen. De dader wist wat hem te doen stond, bewijsmateriaal vakkundig weggewerkt en sporen uitgewist.’
Hij liet het dekbed weer zakken en beval een van de mannen: ‘laat de technische recherche de buurt onderzoeken op bloedsporen en laat de dokter komen. Dit kan nog eens een lastige zaak worden.’

De agent begon direct te bellen. De rechercheur en zijn assistent gingen de buren ondervragen. De onderbuurvrouw, een vrouw van een jaar of zestig, bleek als enige thuis te zijn. Ze observeerde de mannen door het spionnetje in de deur en haalde deze van de knip, nadat de mannen hun legitimaties door het kleine kijkgaatje hadden laten zien.
‘Heeft u vannacht misschien iets verdachts gehoord?’, vroeg de rechercheur.
De vrouw keek van hem naar de ander en weer terug.
‘Hoe laat zou dat geweest moeten zijn?’
‘Tussen twee en drie.’
‘Toen sliep ik al.’
‘Hoe laat bent u naar bed gegaan?’
‘Rond een uur of twaalf. Ik ben vrij snel in slaap gevallen.’
‘U heeft dus niets verdachts gehoord, geen geschreeuw, geen gestommel of een ander geluid dat u vreemd voorkwam?’
‘Je hoort hier van alles, zelfs meer dan je lief is, maar op den duur raak je eraan gewend. Mag ik vragen wat er aan de hand is?’
‘We hebben het lijk van een man aangetroffen in een woning hierboven. We vermoeden dat het om een misdrijf gaat.’
‘Oh mijn hemel’, zei de vrouw verschrikt en sloeg beide handen voor haar mond.
‘Komt u maar even’, zei de rechercheur en duwde zachtjes tegen haar arm waarmee hij haar in de richting van de bank dirigeerde zodat ze kon gaan zitten.
‘Dat kan toch niet waar zijn?’, ging ze verder. ‘Weet u wie het is?’
‘We hebben het vermoeden dat het om uw bovenbuurman gaat, maar we weten het nog niet zeker. Daarom wilden we u vragen of u misschien bereid bent met ons mee te komen om het lichaam te identificeren.’

De vrouw keek vertwijfeld naar de grond.
‘Mijn god, daar vraagt u mij wat’, zei ze, niet goed wetend wat ze met dit verzoek aan moest. ‘Zoiets word je natuurlijk niet dagelijks gevraagd. Ik weet niet of ik hiertoe in staat ben’
‘Ik begrijp het mevrouw, maar in het belang van het onderzoek zouden wij het erg op prijs stellen als u mee zou willen werken, antwoordde de rechercheur vriendelijk doch dwingend.
‘Is ie er erg aan toe?, vroeg de vrouw.
‘Ik verzeker u dat u geen ernstige verwondingen zult zien en dat u alleen het gezicht te zien krijgt. Het zal maar een paar tellen duren.’
De vrouw stemde in. Onder begeleiding werd ze naar het lijk gebracht. Ze knikte bevestigend toen haar werd gevraagd of het haar bovenbuurman was.
‘Kunt u ons ook vertellen hoe hij heet?, vroeg de rechercheur toen ze weer op de gang stonden.
‘Zijn naam is Brecht’, antwoordde ze zacht.
Ze kenden elkaar ongeveer vier jaar, vanaf het moment dat Brecht in het huis was komen wonen. Ze zagen elkaar niet zo vaak, maar toch wel minstens een keer per week wanneer ze elkaar tegenkwamen in het trappenhuis of op straat. Ze spraken dan over alledaagse dingen, niets bijzonders verder. Hij was altijd aardig in de omgang geweest, nooit te beroerd om even de tijd te nemen en een praatje aan te knopen en altijd geinteresseerd in waar ze mee bezig was. Ze kon zich geen enkel voorval herinneren, waarbij Brecht haar overlast had bezorgd en ze had ook nooit iets dergelijks van anderen gehoord. Er was niets verdachts rondom deze man geweest, ze had hem niet in gezelschap van verdacht uitziende figuren gezien, sterker nog, ze zag zelden iemand bij hem langs zien komen. Hij was nogal op zichzelf, had ze de indruk.
‘En dan dit, dat gaat toch elk verstand te boven.’

Ze schudde haar hoofd vol ongeloof en bracht een zakdoek naar haar ogen. Een agent bracht haar weer naar haar woning en bleef nog een poosje bij haar voor nazorg. De technische recherche en de dokter arriveerden en kregen latex handschoenen aangereikt waarna ze begonnen met hun onderzoek. Het profiel van Brecht werd opgetekend; 1 meter 84 lang, normaal postuur, ongeveer dertig jaar oud, blank met een lichte tint, donkerbruin kort haar en donkerbruine ogen. De dokter mat Brecht’s lichaamstemperatuur; 34,6 graden Celsius. Daarmee kon de dood op omstreeks half drie worden vastgesteld. De rechercheur besprak met de dokter of hij nog iets vreemds was tegengekomen. ‘Niet direct’, zei deze, ‘het onderzoek in het lab zal meer moeten uitwijzen.’

Hij had enkele bloedmonsters genomen van de lakens, terwijl de technische recherche op zoek was gegaan naar vingerafdrukken. Er werden vanuit verschillende hoeken foto’s genomen van de het lijk en de kamer en het plaats delict werd volledig uitgekamd waarbij de nodige zorvuldigheid in acht werd genomen dat een forensisch onderzoek vereist. Na een paar uur had de technische recherche genoeg materiaal verzameld. Brecht’s lichaam werd opgetild, in een lijkzak gelegd, dichtgeritst en op een brancard naar buiten gebracht. De ambulance reed de straat uit en de drie mannen die als eerste waren gekomen, bleven nog even in de woonkamer achter om zich een beeld te vormen over het misdrijf.

Wordt vervolgd

  1. 4

    Niet echt, gentlemen. Ik heb de eer het volledige verhaal gelezen te hebben, en kan u verzekeren: het wordt … beeldend, intrigerend. Mijn illustratie zal mee met het verhaal evolueren -vooralsnog leek deze stijl zeer passend op het begin.
    Ik heb met de kleurkanalen verschoven, volgens een chaosprincipe, niet volgend driedé. Eerder de notie, de associatie van ruimte (clostrofobis) scheppend, in tegenstelling tot de ruimte zelf nabootsen.

    Op het einde zal u wellicht alles verklaard worden.

  2. 6

    Wordt…beeldend?..het is, ik smul.

    Soms heb ik smakelijk gegeten maar zit niet ‘vol’ slechts mijn maag, als ik bovenstaande post lees zit ik ff aangenaam vol, zeg maar.

  3. 12

    @larie: ik heb geloof ik al flink gespuugd op dit verhaal, maar dat was in een intieme, vertrouwelijke correspondentie met de echte Harry Mulisch onder ons, en als constructieve kritiek, hetgeen geen spugen mag heten natuurlijk, daar is het niet bitterzuur genoeg voor. Het moge duidelijk zijn dat mocht het Boekenbal dit jaar opnieuw saai blijken te zijn, met vooral uitgeslapen, vervelende overgestudeerde Henry Miller doctoraatjes met een potentie probleem, net zoals vorig jaar, dat wij het lek in ieder geval boven hebben.

  4. 14

    Intrigerend begin, zeer beeldende tekening! Wanneer mogen we het vervolg verwachten? Ben nogal een ongeduldig tiepje wat vervolgverhalen betreft…

  5. 19

    eh… als verwoed e-book-lezertje: inderdaad graag een volledige versie, maar dan ook graag in html of rtf. PDF is niet zo lekker lezen op een pda-schermpje…

  6. 21

    Aj, wil niets af doen aan dat pdf idee, maar om er ook een iPod van te maken, voorgelezen door de auteur zelf, en de vrouwenrol door het buurmeisje van Geenstijl in een unieke multi-cross-discipline-stijlen-fusion samenwerking, lijkt me ook wel wat.

  7. 22

    Filmpje met twee kaders, links auteur leest voor (benadrukt de kwaliteit van het proza), rechts de beelden van Rutgers camera, FvJ is Brecht enz. Iedere scene leidt in met Crachats tekening, die overgaat in het echt.

  8. 23

    @mescaline: hm, interessant idee, waarbij de centrale persoon in Crachat’s tekening langzaam concreet en reeel zichtbaar wordt, inzoomen en dan over naar celluloid. Jammer, dat er geen spontane filmmaker meeleest, zou erg interessante samenwerking zijn.