Nieuw doch irritant

COLUMN - nwa_logo_nlMarc van Oostendorp gaat in op voor taalkundigen onverwachte vragen die ‘het publiek’ gesteld heeft aan de Nationale Wetenschapsagenda

Soms – misschien niet heel vaak, maar wel een enkele keer – zou je willen dat taalkundigen meer zouden samenwerken met bijvoorbeeld economen of marketingtypes. Dat zou vermoedelijk interessante inzichten kunnen opleveren in vragen zoals de volgende, gesteld aan de Nationale Wetenschapsagenda:

Hoe kan de populariteit van nieuw doch irritant taalgebruik worden voorspeld? Valt ook te voorspellen hoe lang dergelijk taalgebruik in zwang blijft?
In de jaren zestig/zeventig hadden we de dus-zeggers, gevolgd door het enorme succesvolle ‘een stuk(je)’; beide zijn goeddeels verdwenen uit het hedendaagse spraakgebruik. Nieuwer waren versies van ‘ermee omgaan’ (‘Hoe gaan we daarmee om’, ‘Ik kan daar niet mee omgaan’), ‘zoiets hebben van’ en ‘absoluut’ in de betekenis van ‘ja(, ik denk het wel)’. Recent treffen we ‘plek’ aan in plaats van ‘plaats’ (‘op de eerste plek’, ‘is er nog plek?’, ‘plek maken’ (Van Dale noemt de laatste twee gewestelijk, maar dat gevoelsniveau lijkt overstegen), ‘de plek waar’ (in plaats van ‘waar’), ‘een mooie plek’ (in plaats van ‘plaats’, ‘punt’, ‘locatie’, ‘adres’, ‘gelegenheid’, enz.) en ‘klopt’ in de betekenis van ‘ja’. Hoe ontstaat het en hoe groot is de blijfkans?

 

Afgezien van het oordeel dat de vraagsteller over het verschijnsel (‘irritant’) uitspreekt, is het inderdaad een intrigerende vraag. Ieder woord is precies even duur om te gebruiken als ieder ander woord: gratis. Waarom hebben mensen dan de neiging om in een bepaalde periode sommige woorden ineens en masse te gaan gebruiken, om ze in sommige gevallen na verloop van tijd weer stilzwijgend te verlaten?

(Ik weet niet zeker of alle voorbeelden juist zijn; ik heb de indruk dat plek helemaal niet ‘recent’ is en dat de vraagsteller daarom te kampen heet met wat in de taalwetenschap soms de recency illusion wordt genoemd: het idee dat iets wat jou recentelijk is opgevallen ook inderdaad een recent verschijnsel is. Maar misschien heb ik het juist wel mis, en in ieder geval doet het er niet toe. Plek lijkt me wel van een andere categorie, dat is meer een woord dat een ander woord vervangt dan een stopwoord, zoals de andere voorbeelden.)

Veel onderzoek is er naar het verschijnsel niet gedaan, al is het maar om praktische redenen: om dat goed te doen zou je veel gegevens moeten hebben over de manier waarop Nederlandstaligen de afgelopen decennia informeel met elkaar gesproken hebben. Dankzij een aantal specifieke projecten (het Corpus Gesproken Nederlands) en dankzij de sociale media hebben we een heel klein beetje inzicht in hoe een en ander de laatste paar jaar verlopen is, maar dat is feitelijk niet genoeg. Wat je het liefst zou willen is de komende dertig jaar om de vijf jaar een redelijk grote groep mensen de hele dag laten opnemen wat ze zeggen. Misschien kan de Nationale Wetenschapsagenda dat betalen.

Een paar dingen vallen er voor die tijd wel over te zeggen. De meeste voorbeelden die de vraagsteller noemt, en de meeste andere voorbeelden die ik kan bedenken (‘zeg maar’, ‘eigenlijk’) zijn laten we zeggen weinig concreet. Dat heeft iets te maken met een vermoedelijke functie van die stopwoorden. Terwijl je aan het praten bent, moet je van alles tegelijkertijd doen: je ideeën bij elkaar rapen, ze formuleren, ervoor zorgen dat de ander je niet onderbreekt. Om dat makkelijker te laten verlopen, kun je dan teruggrijpen op allerlei brokjes taal die ergens makkelijk in het geheugen liggen. Maar dat moeten dan natuurlijk niet al te specifieke brokjes taal zijn.

De kans dat brandweerautootje het ooit tot ‘nieuw doch irritant taalgebruik’ schopt lijkt daarmee niet zo erg groot.

Een verschijnsel waar geloof ik nog nooit iemand op gewezen heeft is dat dit onirritante taalgebruik nóóit eeuwig is. Sommige dingen blijven decennia lang hangen (‘zeg maar’ is daar denk ik een voorbeeld van), maar ik geloof niet dat er voorbeelden zijn van stopwoorden uit de negentiende eeuw die nog steeds rondzoemen. Waarom dat zo is, verklaart de paniektheorie niet. Waarom zijn de brokjes taal waar we in wanhoop naar grijpen om de zoveel tijd aan vervanging toe?

  1. 2

    @0

    Ieder woord is precies even duur om te gebruiken als ieder ander woord: gratis.

    Dat is natuurlijk niet waar. Het kost tijd en moeite, en dus zijn korte woorden ‘goedkoper’ dan lange, en zijn bepaalde klanken / combinaties ook makkelijker uit te spreken dan andere.

    Oh ja, wat zou je verwachten van economen of marketingtypes? Hun wetenschappelijke niveau is niet zo hoog….

  2. 3

    @1: Ah, daarom begon je daar een keer over te zeuren.

    “De groei in import is spectaculair te noemen”
    Maar is hij ook spectaculair? Of is hij onterecht spectaculair te noemen?

    Bij woorden die een waardering uitdrukken, zoals “veel” of “spectaculair”, is “te noemen” (o.i.d.) erachter zetten echter gewoon een kwestie van nauwkeurigheid. Iets “is” namelijk nooit spectaculair, je kan iets alleen spectaculair vinden (of, inderdaad, noemen).

    Wat je dus vroeg: “[m]aar is hij ook spectaculair” (mijn dik), was een volkomen onzinnige vraag, en ik ben dan ook zo verstandig geweest om hem te negeren.

    Bij dezen alsnog graag uitgelegd.

    ______
    Overigens +1 voor (o.a.) de titel van #0 …

  3. 4

    Mensen die over een, zeg maar, min of meer traumatische ervaring zeggen dat ze het “een plekje hebben gegeven”. Ik vraag dan maar niet waar dat plekje precies zit; een stukje wellevendheid mijnerzijds

  4. 5

    @3: Heerlijk die Krekel. Toch?

    Toch is ook zo’n woordje trouwens. Trouwens trouwens ook. Kan ik een zin maken zonder in dat soort woorden te vervallen maar wel mijn aandacht krijgen?

    @4: En jij hebt dus nog nooit wat meegemaakt. Maar ook zonder heb je hier je plek hoor.

  5. 7

    Vroeger dacht ik dat de taal van de oren was (en van dat daartussen)… maar dat blijkt maar deels waar te zijn – (leer ik nu met terugwerkende kracht).

    Taal is voornamelijk iets van de mond: woorden smaken

    (soms lekker, soms bitter, soms goedkoop)

  6. 8

    @5: Ergens proef ik een gekwetste ziel. Bij deze dan mijn welgemeende en oprechte excuses. Maar als men uit mijn opmerking concludeert dat ik niets meemaak, zit dat voornamelijk tussen de oren.

  7. 9

    @3: Jammer, maar geen banaan. Alles is namelijk alles te noemen. Een zwarte auto is rood te noemen. De frase “te noemen” drukt ook geen subjectiviteit uit (als je iets als spectaculair te noemen beschrijft, betekent dat nog niet dat je het spectaculair vindt). Dat natuurlijk los van het feit dat waarderingen gewoonlijk een zekere intersubjectiviteit uitdrukken (iets is spectaculair als veel mensen dat vinden), de toevoeging “te noemen” aan dat waardeoordeel heeft dan al helemaal geen enkel nut meer, anders dan de stopwoordvulling waar dit topic over gaat.