Had Nederland eigenlijk wel fascisten?

RECENSIE - Laat ik beginnen met te zeggen wat ik níét goed vind aan dit boek. In de ban van een beter verleden is een half geslaagde poging om een historisch overzicht van het Nederlands fascisme om te bouwen tot een wetenschappelijke studie. Willem Huberts heeft heel veel materiaal over zijn onderwerp verzameld; meer dan genoeg voor een spannend boek. Maar ergens onderweg bracht men hem (of kwam hij) op het idee om erop te promoveren (hetgeen inmiddels ook is gebeurd). En dat betekende dat zijn liefdewerk een theoretisch fundament moest krijgen.

Er moest een vraagstelling komen. Dat werd: past het Nederlands fascisme binnen de definitie voor fascisme die historici hebben ontwikkeld? En dus moest er aan het boek een theoretische in- en uitleiding worden toegevoegd, en in de tekst moesten op gepaste momenten extra alinea’s worden toegevoegd over de vraag: maar was dit-en-dit clubje wel ‘echt’ fascistisch? Met name de inleiding is doorbijten voor de lezer. Huberts is nu eenmaal geen professioneel historicus, en ook geen groot stilist. Kortom, leuk voor de Groninger universiteit, deze promotie, maar Huberts levenswerk is er daarmee niet beter op geworden.

Wat is fascisme? Is het conservatief of progressief? Een onecht kind van het irrationele conservatisme, of van de Verlichting, het socialisme? Was Franco een fascist, of gewoon een oerconservatieve katholiek? En waarom waren ze in Italië niet, en in Duitsland wél antisemitisch? Het is volkomen duidelijk dat het uiterst lastig is een sluitende definitie te geven van fascisme.  Daardoor (en door alle daaraan verbonden, zeer beladen vragen) is er de laatste decennia rond dit onderwerp een ware historische cottage industry ontstaan.

In de warrige inleiding kiest Huberts uiteindelijk voor de definitie van de historicus Roger Griffin, die in 1993 vier kenmerken formuleerde van een ‘generiek’ fascisme. Dat zijn: revolutionair, palingenetisch (gericht op het herstel van een groots verleden), populistisch en ultranationalistisch. Volgens Griffin  zijn dat de minimum-eisen waaraan een partij moet voldoen om ‘fascistisch’ te mogen heten. Om een voorbeeld te geven: het nationaalsocialisme behoorde daar volgens hem níét toe, want daarin stond niet de (Duitse) natie maar het (Germaanse) ras centraal. Zodra dit fundament is gelegd, kan Huberts zijn verhaal vertellen. En dat is zeker de moeite waard.

Het Nederlandse fascisme kenmerkte zich door haantjesgedrag, intriges, haarkloverij, geruzie en geroddel. De ene partij was nog niet goed en wel opgericht, of er waren alweer een stel spijtoptanten die besloten om een ándere partij op te richten. Soms vond men elkaar, tijdelijk, maar meestal liep men elkaar voor de voeten. Vandaar dat de Nederlandse overheid lange tijd weinig reden zag om in te grijpen. Pas na 1934, toen duidelijk werd dat de Nationaal Socialistische Beweging van ingenieur Anton Mussert wél over enige groeipotentie beschikte, werden er maatregelen gekomen en kwamen ook de kerken in actie. Die stappen, samen met de ontwikkelingen in Italië en Duitsland, zorgden ervoor dat de NSB langzaam maar zeker radicaler werd. Antisemitischer ook. Maar toen was ook de NSB over haar electorale hoogtepunt heen.

Die achterdocht en splijtzucht waren overigens kenmerkend voor de hele rechterflank van de vaderlandse politiek. De grenzen tussen fascisme en extreem conservatisme waren dan ook vaag. De voornaamste oorzaak was een voortdurende strijd tussen de conservatieve studeerkamergeleerden die in woord flirtten Mussolini en zijn corporatieve staat, versus de revolutionaire ‘mannen van de daad’ die zich lieten inspireren door de knokploegen van de Italiaanse dictator, die er met hun ‘Mars op Rome’ in 1921 voor hadden gezorgd dat Mussolini aan de macht kwam.

Maar er waren meer problemen. Huberts wijst met name op de rol van de schatrijke ‘financier van het fascisme’ Alfred Haighton, die de beweging met zijn ‘manipulatieve, twistzieke en achterdochtige karakter’ meer kwaad dan goed zou hebben gedaan. Waar het verder vooral aan ontbrak was een sterke en bindende leider. Emile Verviers, volgens Huberts ‘de eerste Nederlandse fascist’, was te zeer een conservatieve katholiek annex Mussolini-fan. Erich Wichmann,  bedenker van de Rapaille-partij (waarmee je een zwerver in de Amsterdamse gemeenteraad kon kiezen), was te veel een intellectueel. Hetzelfde gold voor Hugo Sinclair, oprichter van het weekblad De Bezem. Een blad bestemd voor arbeiders, maar vol hoogdravende retoriek. De Amsterdamse marktkoopman en Bezem-medewerker Jan Baars was een uitstekend redenaar maar kon niet overweg met intellectuelen.

En dan was er het rechtse grut (een gevoel van déja vu is bij lezing onvermijdelijk), de kleine mannetjes met grote ego’s die leentjebuur speelden bij het fascistisch gedachtegoed om hun antidemocratische club nog enig cachet te geven. Majoor Kruyt bijvoorbeeld, van de Nationaal-Socialistische Nederlandsche Arbeiderspartij (of beter: van een van de NSNAP’tjes), kijkt ons van een foto streng aan en noemde zichzelf ‘Rijksleider’, maar waar hij opdook zaaide hij vooral chaos en verwarring.

Want het moet gezegd, het Nederlands fascisme kende zeer veel kleurrijke persoonlijkheden. Het zijn dan ook vooral de vele kaders met biografietjes die het boek naar boven halen. Helaas zijn die vaak onvolledig.

En hoe zit het met de theorie? Eigenlijk, zo constateert Huberts (op pagina 163) heeft Nederland maar een echte fascistische partij gehad, die ‘alle vier de componenten van het fascist minimum in zich bergde’. Dat was Zwart Front van Arnold Meijer, opgericht in 1934. (Meijer werd in 1941 door de Duitsers opzij geschoven, zat na de oorlog een paar jaar vast en werd daarna eigenaar van een hotel annex bungalowpark in Oisterwijk, zo vermeldt Huberts in de korte bio.) Zwart Front stelde heel weinig voor (buiten Tilburg), maar ze was als enige écht revolutionair, dat wil zeggen van plan om de Nederlandse staat omver te werpen. De knokploeg, de ‘Zwarte Stormers’, veroorzaakte graag opstootjes en relletjes. Alle andere partijen, inclusief de NSB, wilden de macht langs parlementaire weg veroveren, en etaleerden regelmatig hun trouw aan het koningshuis. Daarmee vallen ze volgens de definitie van Griffin buiten de boot. Het waren niet meer dan conservatieve clubjes die slechts fascistisch leken.

Vanwaar dit gebrek aan revolutionair elan? Praten over revolutie was, aldus Huberts, in ons land volstrekt ongeloofwaardig geworden, sinds de faliekant mislukte staatsgreep van Troelstra in 1918. Wellicht. Het kon ook het gevolg zijn geweest van een gebrek aan echt leiderschap, en daardoor een te grote invloed van reactionaire antidemocratische denkertjes, voor wie zowel democratie  als revolutie vieze woorden waren.

Hoe dan ook, met die conclusie haalt Huberts natuurlijk het fundament onder zijn eigen onderzoek vandaan. Blijkbaar heeft er (vrijwel) geen Nederlands fascisme bestaan. Dat is moeilijk aanvaardbaar – alsof wij hier nooit dapper gestreden hebben tegen het fascisme! De oplossing ligt voor de hand. De theorie moet buigen. In zijn slothoofdstuk loopt Huberts de criteria van Griffin nog eens langs, en legt de Nederlandse fascisten langs deze meetlat. Als eerste het kenmerk ‘revolutionair’. Dat gold dus alleen voor het Zwart Front. Huberts constateert (p. 213):

Een en ander impliceert dat óf het Nederlands fascisme geen ‘echt’ fascisme was, óf dat de definitie van Griffin toelichting behoeft – en eventueel aanpassing. De eerste optie leg ik terzijde, want het lijkt me evident dat het Nederlands fascisme zowel in zijn uitgangspunten als in zijn daden even fascistisch was als het fascisme in andere West-Europese landen gedurende het interbellum.

Einde paragraaf. Dit is zijn laatste woord hierover. Blijkbaar is het aan anderen om Griffins definitie te ontdoen van het begrip ‘revolutionair’, zodat die Nederlandse schreeuwertjes toegelaten kunnen worden tot de Hall of shame. Mét het gevaar dat daarmee de grens tussen fascisme en ordinair nationalistisch conservatisme zou verdwijnen. Het centrale probleem is in elk geval weer duidelijk: het begrip fascisme laat zich niet in een definitie vangen.

  • Willem Huberts, In de ban van een beter verleden. Uitgeverij Vantilt, 280 blz., 24,95 euro.
  1. 1

    @0: “het begrip fascisme laat zich niet in een definitie vangen.”
    Dat is wel makkelijk geconstateerd. Je kunt ook zeggen: de definitie van Griffin is niet toereikend om het begrip fascisme in te vangen (op grond van je recensie ben ik daar trouwens naar geneigd). Overigens vind ik op zijn minst enkele van de eerder opgeworpen vragen om maar aan te tonen dat fascisme zich niet makkelijk in een definitie laat vangen er ook wel met de haren bij gesleept (Met name “Was Franco een fascist, of gewoon een oerconservatieve katholiek? En waarom waren ze in Italië niet, en in Duitsland wél antisemitisch?”, de eerste is een schijntegenstelling, want oerconservatieve katholieken kunnen heel goed fascisten zijn, om niet te zeggen dat zouden ze per definitie moeten zijn en de tweede lijkt me irrelevant voor de definitie van fascisme, of impliceert dat het bestaan van het joodse volk noodzakelijk is aan het bestaan van het fascisme en/of nazisme, hetgeen zou beteken dat de definitie wel heel erg specifiek wordt).

  2. 2

    ”Het waren niet meer dan conservatieve clubjes die slechts fascistisch leken.”

    Wie zo verrekte stinkend zijn best doet om ergens op te lijken, wil het zijn en —wat mij betreft— zijn ze het dan ook.

    Overigens, wat is een definitie waard? Is ook die niet onderhevig aan de evolutie van het gebruik en dus in vorige eeuw niet gelijk aan het huidige?

  3. 5

    Over fascisme gesproken—heeft Geband van Joop hier nog wel eens gereaguurd sinds de verkiezingen? Of zien we die pas weer terug over drie-en-een-half jaar, om middels breedsprakige discussiebijdragen de potentiële overwinning van een volgend revolutionair, palingenetisch, populistisch en ultranationalistisch kabinet te faciliteren?

  4. 8

    Het is inderdaad opmerkelijk, dat het katholicisme eigenlijk geheel buiten beschouwing wordt gelaten in deze recensie.

    Emile Verviers, volgens Huberts ‘de eerste Nederlandse fascist’, was te zeer een conservatieve katholiek annex Mussolini-fan.

    Dit is echt een bijzonder zinnetje. Katholiek zijn en Mussolinifan sluiten je dus uit om fascist te zijn? Onbegrijpelijk! Eens met #1.

    Zeer irritant trouwens die recensies van Hulspas door zijn columns heen. Het blijft lastig – en lijkt steeds lastiger – om zijn mening te scheiden van feiten of meningen van anderen. Of ligt dat alleen aan mij?

    Anyway, In 1963 heeft Joosten al een proefschrift geschreven over Katholieken en Fascisme in Nederland:

    Katholieken & Fascisme in Nederland – 1920 – 1940, Dr. L.M.H.Joosten, heruitgave 1982, HES Publishers Utrecht. Oorspronkelijke uitgave 1964. De volledige tekst van de uitgave uit 1964 vindt u hier.

    Dat lijkt me ter info een aardige toevoeging.

    Naar aanleiding van de vaak genoemde verwarring over wat fascisme is, wil ik er nog wel aan toe voegen, dat die verwarring volgens mij opzettelijk wordt gecreëerd, om fascistische stromingen te ontdoen van de kwalificatie fascisme en zo salonfähig te worden. We hebben daar in Nederland mooie voorbeelden van, vroeger en vandaag (NSB en PVV en nog wel een paar).

    #1 heeft een punt maar ik zou het krachtiger willen zeggen:

    Katholicisme is in essentie fascistisch EN antisemitisch en ligt aan de basis van het moderne Europese fascisme. Na de Franse revolutie heeft de Roomse Kerk de facto een sociale leer ontwikkeld en verzet georganiseerd dat de samenleving ernstig heeft gedestabiliseerd.

    Ik heb die gedachten uitgewerkt in (jaja, schaamteloze eigenspam):

    1) Fascisten en Katholieken
    2) Antisemitisme en Katholieken
    3) Katholiek antisemitisme – twee recensies

    Nederland heeft gewoon al – sinds zeker het begin van de 20e eeuw – fascisten in allerlei vormen en maten rondlopen. Alle herdefinities van fascisme maken die groepen steeds kleiner en buiten het fascisme vallend. Nederland wordt een soort van ex post facto en post truth gezuiverd van fascisten. Het waren allemaal lieve katholieken en fans.

    Men zou de herdefiniërende onderzoekers, misschien maar eens op hun politieke gezindheid moeten onderzoeken. Het zou me niets verbazen, als dat rechtsgezinde lieve mensen zijn, die het allemaal nog eens nader willen beschouwen. Lieden als onze Thierry en zo. Die willen wel salonfähig zijn, er bij horen. Dan moet je niet de verkeerde associaties hebben natuurlijk. Dan ben je wel rechts maar nooit een fascist.

  5. 9

    @7: Nee, ze worden juist van elkaar onderscheiden, vooral hier:

    Dat zijn: revolutionair, palingenetisch (gericht op het herstel van een groots verleden), populistisch en ultranationalistisch. Volgens Griffin zijn dat de minimum-eisen waaraan een partij moet voldoen om ‘fascistisch’ te mogen heten. Om een voorbeeld te geven: het nationaalsocialisme behoorde daar volgens hem níét toe, want daarin stond niet de (Duitse) natie maar het (Germaanse) ras centraal.

  6. 10

    @7: Is het de moeite waard dan om ze uit elkaar te houden? Of zijn het gewoon toch twee uitingen van in wezen dezelfde stroming (waar je het Stalinisme, niet het communisme, wat mij betreft absoluut ook toe mag rekenen)? Men kan immers ook haren blijven splijten, maar of daarmee duiding en duidelijkheid gediend zijn?

  7. 11

    @7: Fascisten denken dat alle problemen door andere mensen komen.
    Communisten denken dat niet de mensen slecht zijn, maar het kapitalisme slecht is.
    Dat is toch een essentiëel verschil

    Het grootste verschil tussen nazi’s en de italiaanse fascisten is dat de nazi’s joden haatten en vervolgden.
    De overeenkomsten (nationalistisch en anti-democratisch en gewelddadig) blijven groot.
    Je kunt zeggen dat het communistische bewind in Rusland ook nationalistisch, anti-democratisch en gewelddadig (en misschien anti-semitisch) was, maar het communisme is in principe niet nationalistisch maar internationaal.

  8. 12

    En waarom waren ze in Italië niet, en in Duitsland wél antisemitisch?

    Ze waren in Italië net zo goed antisemitisch, het Vaticaan had nog grote invloed en daar dus ook. Het antisemitisme was Europees. Wat zeg ik: wereldwijd. Alleen de endlosung hadden ze in Italië niet uitgevonden. Er was geen systematische vernietiging, geen systematische vervolging. Dat is ook een van de grote verschillen tussen het Italiaanse fascisme en het nazisme.

  9. 13

    @11: “Het grootste verschil tussen nazi’s en de italiaanse fascisten is dat de nazi’s joden haatten en vervolgden.”

    Even dat duidelijk moge zijn dat de verschillen dus verdomde klein waren (want de Italiaanse fascisten deden hetzelfde, maar dan met andere “rastechnische untermenschen”).

  10. 14

    @13: Dat verschil is volgens mij toch groter dan je op het eerste gezicht zou zeggen. Het nazisme was echt gebaseerd op een rassenleer, waarin er werd uitgegaan van een aangeboren superioriteit van het Germaanse ras. Dat goldt, voor zover ik weet, niet voor het fascisme, dat eigenlijk niets deed met ras.

  11. 15

    @4: Hm, de keuze wordt dus niet echt beargumenteerd. Er is slechts verwijzing naar een of andere consensus die eigenlijk geen consensus is. En de auteur vergeet toch wel enkele belangrijke auteurs op dit vlak te noemen bij zijn overwegingen; ik ben niet zo onder de indruk.

  12. 16

    @14: Maar je moet niet de indruk wekken, dat het nazisme daarmee geen fascistische stroming zou zijn. De rassenleer is een toevoeging, een onderscheid, met andere stromingen. Het nazisme is zeker niet alleen gebaseerd op rassenleer.

    /neem aan dat je het zelf ook wel weet maar zeg het toch maar even voor de duidelijkheid.

  13. 17

    @16: Is dat eigenlijk wel zo ? Ik merk, dat ik eigenlijk vrijwel niets weet over het ontstaan van het fascisme, terwijl ik vrij goed weet hoe het nazisme is ontstaan, dus het kan wel zijn dat ik de plank mis sla. Maar ik heb altijd begrepen, dat het fascisme eigenlijk voortkwam uit een soort gedesillusioneerd socialisme. Dat is echt compleet anders dan het nazisme, dat juist voortkomt uit de nationalistische, Volkische bewegingen die al veel langer actief waren, gecombineerd met het anti-semitisme dat Karl Lueger in Wenen had geintroduceerd toen Hitler daar studeerde.

    Natuurlijk is het enigszins beperkt om zuiver naar de ontstaansgeschiedenis te kijken, trouwens. Als je dat niet doet, en alleen kijkt naar de inhoud van de twee stromingen, dan lijkt nazisme inderdaad een soort “fascisme plus rassenleer” te zijn, dat ben ik volkomen met je eens.

  14. 18

    @17: Het lijkt me idd nuttig als je fascisme en antisemitisme niet alleen beschouwd als ontstaan aan het begin van de 20e eeuw. De geschiedenis daarvan gaat veel verder terug. Maar als je toch die vragen stelt nodig ik je uit om mijn link uit #8 te lezen en dan de geciteerde encyclieken niet over te slaan.

    Het moderne Fascisme komt zeker niet voort uit gefrustreerd socialisme.

    Overigens zou een genealogie van het fascisme een erg nuttige toevoeging zijn.

  15. 19

    @18: als je fascisme ziet als ‘de hang naar een autoritair leider, verheerlijking van tradities/bestaande structuren, onkritisch zijn tegenover iedere vorm van autoriteit, etc’ (zeg maar, de lat waarlangs Adorno de autoriteire persoonlijkheid definieert) dan moet dat haast ook eerder wel bestaan hebben.

  16. 20

    @8 Hier een interessante interview met David Kertzer over de rol van Pius XI in de aan de macht komen van Mussolini. Helaas wel doorspekt met fundraising boodschappen. Vanaf 00:38:30 wordt het zeer interressant.

    https://kpfa.org/episode/letters-and-politics-february-28-2017/

    De herdefinitie van Fascisme heeft mijns inziens te maken met de steeds wederkerende heilloze verbintenis tussen centrumrechtse regimes en Fascisten als onderdrukking van onvrede onder de bevolking en consolidatie van de macht. In die zin zou het eerlijk zijn om Fascisme eerder te scharen onder een centristische stroming in plaats van aan de periferie. Fascisme in zichzelf is een marginale beweging dat slechts met inmenging van gevestigde machten zijn populaire steun verwerft.

  17. 21

    @19: idd

    @20: Dank voor de link. En fascisme als centrumstroming ipv een randverschijnsel? Is iets voor te zeggen maar ik zie het meer als een ‘state of mind’. Een fout gevoel voor macht als doel. In die zin is het geen centrum of randverschijnsel maar is het gewoon een permanente aanwezigheid van machtsdenken binnen de populatie tegenover andere vormen van machtsdenken. Soms aan de rand, soms aan de periferie afhankelijk van het tijdsgewricht. Wat dat laatste dan ook weer zijn mag ;)