Naar eeuwen van duisternis

RECENSIE - Ze hadden het er liever helemaal niet over. En als het dat toch moest, spraken ze verhullend over ‘de huidige omstandigheden’. En over de dreiging van ‘de tiran’. De laatste Atheense filosofen voelden bij het woord ‘christendom’ alleen maar een diepe weerzin.

Het christendom, de tiran, had eeuwenoude tempels verwoest. De christelijke ‘gieren’ en ‘cyclopen’ hadden de beelden van de goden omvergehaald, ze hadden priesters vermoord, bibliotheken op straat gesmeten. En natuurlijk, dat tuig had in 415 de grote filosofe Hypatia vermoord. Na dat gruwelijke voorval waren tientallen Alexandrijnse filosofen hun toevlucht gezocht in het nog ‘heidense’ Athene. Maar ruim een eeuw later deelde de tiran ook dáár de genadeklap uit. Keizer Justinianus besloot dat de Academie, de laatste filosofische school, gesloten moest worden. Korte tijd later vertrokken Damascius, het laatste ‘hoofd’ van die school, samen met zes collega’s, naar het oosten, naar Perzië. Ze hadden gehoord dat de Perzische koning Khosru een tolerant en belezen man was.

De sluiting van de School van Athene, in 529, is ook het slothoofdstuk van Eeuwen van duisternis van Catherine Nixey. Met nauwelijks verholen woede beschrijft Nixey (dochter van een uitgetreden monnik en dito non) de ‘triomf’ van het christendom. Een triomf die gepaard ging met een ongekende vernietiging van cultureel kapitaal. Tempels, badhuizen, scholen, plus alles wat daarin aan ‘afgodsbeelden’ en ‘demonische kennis’ te vinden was, werd grondig vernietigd.

De grootste sloop voltrok zich zo rond 400, onder keizer Theodosius. Het was deze keizer (en niet Constantijn) die het traditionele Grieks/romeinse polytheïsme de nek omdraaide. Bisschoppen kregen van hem toestemming om naar hartenlust te stelen en te plunderen – en velen maakten daar enthousiast gebruik van, geholpen door het christelijk gepeupel. Schitterende tempels werden rokende puinhopen. Een enkele dappere heidense filosoof (Libanius) riep de keizer op om de sloop van onvervangbare kunstschatten een halt toe te roepen. Tevergeefs.

Nixey wijst op de vrome sprookjes die christenen sindsdien hebben verzonnen om hun terroristische gedrag te verhullen. Het sprookje van de wrede vervolging onder de heidense keizers. Het sprookje van de wijze kerkvaders en bisschoppen (haatzaaiers waren het), het sprookjes van de vrome monniken (oncontroleerbare roversbenden die het vuile werk opknapten). En het sprookje van de kloosters waar nijvere monniken de klassieke geschriften kopieerden (veel en veel meer kostbare werken gingen verloren omdat het perkament schoon werd geschrapt om de zoveelste bundel psalmen te schrijven).

Nixey zet het fanatisme en de domheid van de eerste christenen midden voor het voetlicht, zoals Edward Gibbon dat trouwens drie eeuwen geleden al deed in zijn Decline and Fall (en hij kreeg daarna een vloedgolf van ‘geschokte’ kritiek over zich heen). En ze heeft volkomen gelijk wanneer ze zegt dat deze ramp sindsdien bedolven is geraakt onder vrome praatjes en onder de mythe van de ‘onvermijdelijke’ ondergang van het klassieke polytheïsme, dat ‘vermoeid’ zou zijn terwijl het christendom zo verfrissend was. Dat aspect van de klassieke geschiedenis mag best wel weer eens aandacht krijgen – maar het heeft ook een beter boek verdiend.

Nixey wil duidelijk haar ongezouten mening geven over het christendom. Ze laat haar verontwaardiging de vrije loop. Ze schrijft gedreven, geeft vele citaten, vlecht hier en daar een persoonlijke anekdote in haar betoog, maar al met al is Eeuwen van Duisternis meer een uitgesponnen essay of pamflet dan een geschiedenis.

Ze springt van de hak op de tak, maakt hetzelfde punt nét iets te vaak, terwijl de grote lijnen aan de aandacht van de lezer ontglippen. Ook besteedt ze geen aandacht aan drie toch wel belangrijke parallelle processen. Ten eerste de interne ontwikkeling van het polytheïsme en de relatie met de filosofie. Beide zaken komen te weinig aan de orde. Ten tweede de sloop van synagogen: de joden genoten in principe keizerlijke bescherming; het jodendom was een erkende religie, maar daar trokken de christenen zich niets van aan. Ten derde de strijd tussen verschillende christelijke stromingen. De oorlog tegen het polytheïsme was meedogenloos, maar minstens zo meedogenloos, en veel omvangrijker, was de oorlog tegen allerlei ‘ketterse’ sekten zoals donatisten, arianen, nestorianen, monofysieten en ga zo maar door.

In die laatste oorlog zijn zeker minder boeken en kunstschatten verloren gegaan dan in de strijd tegen de heidenen. En zeker, Nixey wil vooral schrijven over verloren schatten. Ze geeft ook geen schatting van het aantal mensen dat vanwege hun ‘heidense’ geloof gedood is. Maar het aantal slachtoffers onder ‘ketters’ lag zonder twijfel vele malen hoger. Christenen hebben in die eeuwen vooral christenen vermoord.

Damascius keerde overigens na korte tijd weer terug. Hij ontdekte al snel dat de Perzische hoofdstad nog erger was dan Alexandrië, en dat Khosru nauwelijks enige ontwikkeling had. Maar de koning had respect voor de filosofen, en toen Justinianus vrede wilde sluiten, bedong Khosru dat zij terug mochten keren en, eenmaal thuis, niet lastiggevallen zouden worden en mochten denken en schrijven wat ze wilden. Dat was volgens Nixey, ‘de enige verklaring van ideologische verdraagzaamheid die Justinianus ooit zou ondertekenen’.

Dat is niet waar, maar dat doet er nu niet toe. Het clubje filosofen keerde terug. Heeft Justinianus woord gehouden? We weten het niet. Verdere sporen van deze mannen ontbreken.

Catherine Nixey, Eeuwen van Duisternis. De christelijke vernietiging van de klassieke cultuur. Uitgeverij Nieuw Amsterdam, 400 blz., 29,99 euro.

 

  1. 1

    Je druk maken over een beeldenstorm van zestienhonderd jaar geleden heeft iets onbeholpens. Ik vind het ook erg dat de bibliotheek van Alexandrië verwoest is.

  2. 2

    @0: Kan allemaal waar zijn, is ook zeer interessant, maar de eeuwen van duisternis (voor Europa) die volgden, zijn eerder een gevolg van de pestepidemie ten tijde van Justinianus, mogelijk nog dodelijker dan die van 1347.