Met gewoon Jos door Gewoon NL, afl. 1: Geertruidenberg

Waarin de auteur op pad gaat met gewoon Jos op campagne door gewoon Nederland. Aflevering 1: Geertruidenberg, verpleeghuis De Riethorst.

REPORTAGE – Geertruideberg. Daar zijn we op weg naartoe. Gewoon Jos heeft besloten dat Geertruidenberg de eerste plek wordt die de verkiezingskaravaan van Gewoon NL (lees: Jos Kuintjes op z’n Thomos met mij achterop) aandoet. Waarom Geertruidenberg, vraag ik. Jos haalt z’n schouders op. “Gewoon”, zegt hij. Voelde het goed? Niet per se. “Volgens mij wonen er louter gewone mensen in Geertruidenberg”, schreeuwt Jos boven het geknetter van zijn brommertje uit. Ik houd mijn broekspijpen vast.

“Welkom Fons.” Boven de ingang van bejaardentehuis De Riethorst hangt een zelfgeschreven spandoek. Jos staat er even bij stil. “Typisch”, mompelt hij. We lopen verder en worden ontvangen door een gezette vrouw van een jaar of vijftig met een sjaaltje om haar hals. Type Annemarie Jorritsma. Jos stelt zich voor. “Ik heb veel over je gehoord”, zegt de vrouw. Ze glundert. “Journalist”, zegt Jos terwijl hij naar mij wijst. De vrouw kijkt me niet aan terwijl ik haar de hand schud. Met haar vrije hand gebaart ze Jos voor te gaan. “De zaal heeft er zin in”, zegt ze. “Zul je net zien”, zegt Jos.

TL-licht. Aan grote ronde tafels zitten een kleine vijftig bejaarden. Sommige staren voor zich uit. Kwijlen een beetje. Anderen kwebbelen er driftig op los. Jos beklimt het podium en gaat zitten op een van de stoeltjes. Ik neem plaats aan een tafel met een lege stoel. “Van wie ben jij d’r eentje”, zegt de man naast me . “Van Molovich”, zeg ik. “Ah”, zegt de man, “van die schijtende paarden.” Ik vraag hem wat hij van de avond verwacht, wat hij van Jos verwacht. “Van wie?”, vraagt de man. “Van Jos”, zeg ik, “Van Jos Kuintjes.” “Niks”, zegt de man, “ik verwacht nergens meer wat van. Mijn dochter zou vandaag komen, maar ze heeft d’r Poolse werkster gestuurd.”

De directrice vraagt of de microfoon aan staat. Luid gepiep. Ze schrikt en deinst een beetje naar achteren. Tegenover me haalt een vrouw haar gehoorapparaat uit haar oor en begint ermee op de tafel te tikken. “Altijd gezeik”, schreeuwt ze tegen niemand in het bijzonder.

Als alles genormaliseerd is, vertelt de directrice hoe vereerd ze is dat Fons Kuintjes de moeite heeft genomen naar huize Avondzon af te reizen en dat ze ons niet langer zou ophouden en dat je gewoon je hand op mag steken als je naar de wc moet, een mededeling die vooral mevrouw Beentjes treft. Een welgemeend ‘Rot op met je pokke-wc’ klinkt er achter in de zaal.

Jos houdt z’n speech. Hij staat er gewoon ontspannen bij. Hij vertelt dat het Nederland van nu niet meer het Nederland is waarin hij is opgegroeid. Het Nederland dat de mensen die hier in de zaal zitten hebben opgebouwd. Hun erfenis wordt verkwanseld en zij worden als een soort melaatsen buiten de samenleving geplaatst en in een tehuis gestopt. Waar ze niemand kwaad kunnen doen. Is dat terecht? Jos laat een dramatische stilte vallen. “Ja”, zegt hij. De directrice verslikt zich in haar koffie. Haar enorme hoestbui zorgt ervoor dat een deel van Jos’ speech niet te horen is. Als ze klaar is, hoor ik Jos zeggen: “Laten we gewoon eerlijk zijn. Uw leven zit erop. U heeft niks meer aan de samenleving toe te voegen. U produceert niks meer, u heeft niks te vertellen. Mocht u, zoals de mythe over ouderdom ons leert, over enige wijsheid beschikken, dan heeft niemand zin om daar naar te luisteren. Laat staan om het serieus te nemen. U bent uw tijd aan het uitzingen. U wacht totdat u ophoudt. U kost de samenleving alleen maar geld. Niet heel veel geld, maar wel genoeg om een kostenpost genoemd te worden. U heeft wat mij betreft het recht om het uit te zingen tot u er bij neer valt, maar als ik het voor het zeggen krijg in Nederland, dan heeft u ook gewoon het volste recht er voortijdig uit te stappen. Sterker nog, ik zal dat gewoon aanmoedigen. Euthanasie? Gewoon doen! Ik dank u wel.”

De directrice zit op een stoeltje bij te komen en krijgt water van een verpleger. Zij die daartoe in staat zijn, applaudisseren luid. “Bingo”, hoor ik iemand roepen.