Met dank aan Max Pam

Linkse politici zijn eerlijke idealisten. Rechtse politici zijn realistische jokkebrokken. Mihai Martoiu Ticu test een bewering van Max Pam.

In zijn column van woensdag in de Volkskrant verzekert Max Pam ons dat hij de verkiezingen met 99,9% zekerheid kan voorspellen. Waarom? Omdat hij het geheim van links en rechts kent:

“Ten eerste hebben linkse mensen als wereldverbeteraars de neiging om te optimistisch te zijn over hun eigen kansen. Links is altijd optimistisch, rechts pessimistisch, of zo men wil realistisch. Ten tweede hebben linkse mensen ook meer de neiging om te theoretiseren…”

Er zit wat in. Max Pam geeft geen echte voorbeelden, dus heb ik die er zelf bij gezocht.

Neem bijvoorbeeld Paul Feldman. Feldman was directeur van The Public Research Institute of the Center For Naval Analyses, maar hij nam ontslag om bagels te verkopen. Hij ging ’s ochtends bij bedrijven rond en legde er een mandje met bagels en een doos voor geld neer. ’s Avonds haalde hij zijn mandje en het doosje op.

Maar Feldman was ook wetenschapper; hij hield alles keurig bij, en ontdekte dat mensen niet altijd eerlijk zijn. Vlak voor de kerstdagen, Thanksgiving en Valentijnsdag nam de diefstal met 15% toe. Op Fourth of July, Labor Day, en Columbus Day werd er normaal betaald. Na 11 September daalde de diefstal met 15%. Met mooi weer nam diefstal af en met slecht weer toe. Bij grote bedrijven was de diefstal bovendien hoger; ik vermoed dat meer concurrentie tot meer vals spelen leidt. Het mooiste is dat Feldman ook een verschil ontdekte tussen arbeiders (zeg maar de PvdA-stemmers) en de bazen (zeg maar de VVD-stemmers). Bij sommige bedrijven werkten de verschillende sociale klassen op verschillende verdiepingen. Hoe hoger de klasse hoe hoger de diefstal.

Laten we dit voorbeeld in de theorie van Pam gieten. De linkse mens is een theoreticus. Hij denkt bijvoorbeeld: ‘Het is wetenschappelijk bewezen dat mensen een aantal keer per dag liegen. Maar als we allemaal altijd liegen, stort de maatschappij in elkaar. Het is daardoor veel beter om te streven om altijd de waarheid te vertellen.’ De linkse mens is ook een optimist, een wereldverbeteraar. Hij hoopt dat als hij altijd de waarheid vertelt andere mensen hetzelfde zullen doen en de wereld gaat vooruit. De linkse mens gelooft dat je correct moet spelen ook bij geringe kans om gesnapt te worden. Ook als je oppermachtig bent.

De rechtse mens is een realist. Hij weet dat de hogere klasse harder jat. Dus om de ladder te beklimmen dient iemand ook te stelen en op andere manieren vals te spelen. Hij weet dat de praktijk anders werkt dan de theorie; dat de meerderheid zich de meeste tijd aan de regels houdt, maar dat slimme mensen de spelregels handig kunnen omzeilen. Bij Feldman was er zelden een bedrijf met diefstal boven de 10%. Als realist weet de rechtse mens dat hij in het openbaar anderen niet kan adviseren om vals te spelen, anders werkt de truc niet meer. Want als iedereen vals speelt, dan zijn we meteen in anarchie. Het aantal valsspelers moet daarom beperkt blijven. Daarom pleit rechts ook voor strenge wetten. Zero tolerance. Op de knieschijven schieten. Maar dan vooral bij kruimeldieven, niet bij de jongens op Wall Street.

Dus de rechtse mens weet dat je de meeste tijd correct moet spelen, vooral om het vertrouwen van anderen te winnen. En op cruciale momenten, of op momenten dat je niet gepakt kan worden, of als je voldoende macht hebt, moet je als realist vals spelen. Denk bijvoorbeeld aan de Amerikaanse conservatief John Bolton, ambassadeur bij de VN. Hij zegt dat Amerika internationaal recht slechts moet volgen als het voor Amerika uitkomt. En als Amerika meer voordeel kan behalen, dan moet Amerika het recht aan haar laars lappen. Realisme pur sang. Of die andere gerespecteerde Amerikaanse intellectueel, de realist George Kennan, toen hij hoofd was van buitenlandse zaken:

“We will have to dispense with all sentimentality and day dreaming and our attention will have to be concentrated everywhere on our immediate national objectives. We should cease to talk about vague and unrealistic objectives such as human rights, the raising of living standards and democratisation. The day is not far off when we will have to deal in straight power concepts. The less we are hampered by idealistic slogans the better.”

Als we deze theorie op de huidige Nederlandse verkiezingen toepassen, zien we dat het klopt. Toen Rutte op zijn leugens werd betrapt, verloor hij geen kiezers. Hij won juist meer rechtse kiezers van Wilders. Want deze rechtse kiezers waren net zo realistisch als Rutte. Zij dachten: “Politici liegen vaak. Het is naïef om te verwachten dat politici niet zouden liegen. Waar het om gaat is om beter dan links te liegen.”

Samsom deed zich heel handig als de eerlijke politicus voor. Hij steeg meteen in de peilingen, maar dit ging ten koste van andere linkse partijen. Want de linkse stemmers denken theoretisch en naïef idealistisch: “Als iedereen correct speelt, gaat iedereen vooruit.”

En zo hebben we het 99,9% verschil tussen links en rechts ontdekt. Met dank aan Max Pam.

Foto: Flickr cc Crashworks

  1. 1

    Iedereen weet natuurlijk dat niet de rechtse kiezers maar de linkse kiezers doorlopend pessimistisch zijn. Het gras voor de linkse kiezer altijd groener bij de buurman en dat is altijd omdat de buurman oneerlijk speelt, nooit omdat hij zelf te lui is om zijn eigen gras te onderhouden. Zijn politieke voorkeur gaat dan ook zonder voorbehoud naar diegene die belooft het grasveld van de buurman zo veel mogelijk te verzieken, niet naar diegene die probeert het gehele grasveld groener te krijgen of die mensen aanmoedigd wat meer aandacht aan hun eigen grasveld te geven.

    Je ziet het ook aan de linkse politicus, altijd hebben ze het over de breedste schouder, maar wee je gebeente als ze zelf de breedste schouders worden. Kok, Bos de voormalige sociale woningbouw mannetjes, allemaal lachen ze zich rot met goedgevulde zakken op kosten van hun voormalige kiezers. Of wat denk je de van Dam’s die ongegeneerd commentaar op hun rechtse buurman geven vanuit hun eigen miljoenenpand aan de gracht.

    Kijk naar een Samsom die zijn agressieve tactieken uit zij radicale actie verleden toepast om zijn linkse zusterpartij genadeloos onderuit te halen en te kannibaliseren, maar oh wat vindt de linkse kiezer hem een sociale en eerlijke vent. Even 2 weken een pak aan, een stropdas een een andere spreeksnelheid en het is opeens een betrouwbare staatsman, hoezo naïef? Op dezelfde grove wijze gaan ze trouwens met hun eigen politici om Job Cohen en Wouter Bos werden net zo genadeloos afgeserveerd toe de peilingen zakten. Nee, sociaal, eerlijk en betrouwbaar is niet echt van toepassing op links in de politiek mijnheer Pam.

  2. 2

    Toch vind ik dat hier wat gemakkelijk meegegaan wordt in de standaard beeldvorming over links en rechts.

    Allereerst de term ‘realistisch’. Realistisch betekent volgens mij slechts dat je de situatie goed inschat. Dat bepaalt niet automatisch het gedrag dat daarop volgt. Iemand kan bijvoorbeeld geld lenen en daarbij realistisch weten dat de kans groot is het niet terug te krijgen – en het desondanks toch doen, daarbij het risico gewoon inschattend.

    De voorbeelden die je aanhaalt zijn dan ook eerder opportunistisch: men grijpt de kans waar het uitkomt. Een realistische inschatting van je kansen helpt daarbij natuurlijk, maar je hebt ook de basishouding nodig dat je verder wilt komen, wilt winnen, en dat je bereid bent integriteit daarvoor op te geven. En het een volgt niet uit het ander.

    Realisme lijkt me daarbij bij uitstek gebaseerd te zijn op feiten. Toch is uit de verkiezingscampagne van de afgelopen tijd wel gebleken dat de feiten in veel opzichten niet van belang zijn. Het imago dat men rechts zuinig is en links voor sinterklaas speelt, is veel sterker gebleken dan de bewijzen van het tegendeel. Kiezers zijn niet geinteresseerd in de feiten. Ook feiten over immigratie worden gewoon genegeerd, het doet er niet toe. Realistisch is dat nadrukkelijk niet.

    Verder het optimisme. Op dit moment zijn het juist de mensen ter rechter zijde die vaak erg optimistisch zijn, met name over de invloed die zijzelf hebben gehad op hun gefortuneerde omstandigheden. Ze dragen immers uit dat ze zelf door hard werken hun positie hebben bereikt, niet ziek zijn omdat ze een gezonde werkethos hebben, etc. Misschien niet in de maakbare samenleving, maar wel de maakbare mens. En indirect toch een maakbare samenleving: dat criminaliteit verdwijnt als je maar hard genoeg straft, en dat mensen met een uitkering gaan werken als je hun leven maar miserabel genoeg maakt.

    Een andere vorm van optimisme wordt treffend geillustreerd door dit artikel in VN. Ambitieuze projecten met geweldige vooruitzichten, opgesteld met optimistische begrotingen en fantastische planningen. Een deel daarvan is ongetwijfeld opportunisme: men wordt er zelf beter van. Maar sommige dingen zijn gewoon op het naieve af, gestuurd door grenzeloze zelfoverschatting en vertrouwen in de goede afloop. Als het dan toch mis gaat, blijkt men echt verbaasd. En soms houdt men tegen de klippen op aan overtuigingen vast, zelfs als allang blijkt dat dat geen zin meer heeft. (Een ander voorbeeld van niet-zo-realistisch.)

    Tot slot het theoretiseren. Op dit moment zijn bij ‘links’ de meeste idealen over de maakbare samenleving waarin alle mensen goed zijn en lief wel behoorlijk op de achtergrond geraakt. De inzet van de verkiezingen was veel realistischer: werk, een sociaal vangnet, dak boven je hoofd, toegang tot zorg en onderwijs. Veel meer pretentie zat er niet achter. Aan de andere kant blijft echter de theorie van de vrije markt op alle punten heilig. Niet alleen omdat het nou eenmaal is waarmee we het moeten doen op dit moment, maar omdat men er echt in gelooft. Men doet aannames over de motivatie van mensen, en baseert daarop de veronderstelling dat het gedrag van mensen te sturen is door straf, of dat mensen beter presteren met grote bonussen. Dat is veel meer theoretiseren dan links op dit moment doet – en niet altijd even realistisch overigens, want diverse theorieen zijn bewezen onjuist.

    Het lijkt mij dus niet dat rechts realistischer is, ze zijn in diverse opzichten zelfs onrealistisch optimistischer, en zeker ook niet minder theoretiserend.

  3. 6

    Denken dat bijstandsmoeders vanzelf een baan vinden wanneer je hun uitkering maar voldoende verlaagt getuigt ook van een grenzeloos optimisme en totaal gebrek aan realisme.