Levensbedreigende dingen

RECENSIE – “Het tikken van de klok / had zich voorgoed op de voorgrond geplaatst”, schrijft Bernard Wesseling in het gedicht Het is geen feest tot de doemprofeet is langsgeweest (uit: Naar de daken, zijn nieuwste dichtbundel).

Nu stond het tikken van de klok eigenlijk altijd al op de voorgrond in de gedichten van Bernard, die ik alweer meer dan tien jaar geleden leerde kennen als stamgast en huisdichter van café Festina Lente (dat u weet dat mijn oordeel over deze wonderschone bundel wellicht gekleurd is door enige gevoelens van genegenheid). De gedichten die ik mij kan herinneren (uit zijn voordrachten en zijn ‘bekroonde eersteling’ Focus) en de twee romans die ik van hem heb gelezen (De Favoriet en Portret van een onaangepaste, dat ik hier ooit besprak) gingen al over dat wat nooit meer terugkwam. En stonden ook al bol van herinneringen aan momenten die voorgoed waren opgelost in de tijd en enkel nog in Bernards hoofd bestonden.

Het verschil met zijn vorige werk is dat in Naar de daken niet alleen het tikken van de klok op de voorgrond staat, maar vooral ook dat wat het tikken van de klok zo problematisch maakt: de dood. Het zijn niet alleen de momenten die nooit meer terug zullen komen en op z’n best als herinnering of gedicht blijven voortbestaan, het is dit keer een heel mens dat er niet meer is. Een heus leven. De herinneringen zijn er nog, maar die mens, dat leven, komt nooit meer terug.

Het moet gezegd: dankzij de dood zijn de observaties en overpeinzingen van Bernard in een schitterend, subliem licht komen te staan. De stem van de dichter Gerard Reve drong zich aan mij op. Waarbij genoteerd is dat de stem van Bernard Wesseling een geheel eigen is. Maar bij de gedichten van Gerard Reve loerde de dood ook altijd over diens schouders mee, wellicht is dat het wat ik voel. Bovendien schuwt Bernard, net als de dichter Gerard Reve, normale mensentaal niet. Er zitten wel zinsconstructies in waar ik even naar moest staren voordat hun betekenis zich schoorvoetend aan mij openbaarde, maar de meeste zinnen komen direct binnen. Ik raakte nogal vaak ontroerd, om het voorzichtig te zeggen.

Net als bij Reve krijgen de beschrijvingen van de kleine magische momenten die het leven zo de moeite waard maken en die moeiteloos onopgemerkt blijven als je er geen taal aan geeft, een diepere lading doordat je hier en daar en tussen neus en lippen door ineens bij de kladden wordt gegrepen en met je neus op de feiten wordt gedrukt: alles houdt onherroepelijk op en is voorbij voor je er erg in hebt. Bernard is zijn zorgeloosheid verloren. In het eerste deel rouwt hij. Met alle verdriet, woede, angst en berusting van dien. En in het tweede deel dicht hij zichzelf er weer bovenop. Wijzer, tegen wil en dank.

“Berust liever in het feit
dat de Grote Gelijktrekker je in zijn achterhoofd heeft.
In iedere deling rekent hij je mee”

(Uit: Etiquette voor een toekomstige nabestaande)

Gelouterd heet dat, denk ik. Zo voelde ik me in ieder geval na afloop.

  1. 1

    En dan staat het gedicht “Etiquette voor een toekomstige nabestaande” in de bundel tegenover het gedicht “Etiquette voor een stervende”, ze spiegelen mekaar. En ook dit gedicht heeft zo’n sterke slotregel: “neem een ruim getal als je voelt dat je moet aftellen, je hoeft niet uit te komen.” Mooi. In Vrij Nederland noemt Rob Schouten Menno Wigman als vergelijk. En mooi dat er aan deze bundel aandacht besteed is.

  2. 2

    Wat een zin inderdaad. Er zitten zulke mooie typeringen in. Mijn favoriete gedicht is denk ik over het staan met je handen op je rug. De citaten die Rob Schouten uitkoos zijn trouwens ook erg goed. Mooie recensie ook. ‘Heldere misantroop’ is een rake typering. Ik moet overigens nog wel zeggen dat ik niet bepaald een poëziekenner ben. Als ik Bernard niet had gekend, had ik het boekje nooit gekocht.