Laat het oor niet hangen naar een televisiepresentator

COLUMN - Door Jan-Willem Romeijn, Remco Heesen, Hendrik Siebe.

Sluwe lobbyisten zaaien twijfel door selectief te winkelen in wetenschappelijke informatie. Stel daar de wijsheid van de groep tegenover, betoogt een drietal filosofen. Al leren de wetenschappelijke en juridische praktijk dat gezamenlijke oordeelsvorming een subtiele en soms precaire aangelegenheid is.

In hun inspirerende boek Merchants of Doubt laten Naomi Oreskes en Erik Conway zien hoe de tabakslobby erin slaagde systematisch twijfel te zaaien over de negatieve effecten van roken. Deels deed men dat door partijdig onderzoek te ondersteunen. Een andere lobby-strategie bestond eruit dat de weinige onderzoeksbevindingen die ruimte lieten voor twijfel over de schadelijke effecten van roken in de media werden uitvergroot.

Die strategie was vooral overtuigend wanneer het onderzoek verricht was door onderzoeksgroepen die niet door de tabakslobby zelf werden gefinancierd. Vandaar de titel van hun studie: kooplui van de twijfel. Het voornaamste doel was om beleidsmaatregelen op grond van vermeende voorbarigheid uit te kunnen stellen.

Onlangs onderzochten Bruner, O’Connor en Weatherall aan de hand van computersimulaties de rol van zulke lobbyisten in de publieke meningsvorming; hun artikel werd onder andere besproken in The Guardian. De conclusies zijn verontrustend. We leven in een sterk verknoopte en enigszins verkokerde samenleving. Daardoor kunnen lobbyisten uit een verzameling van overwegend correcte en enkele misleidende resultaten al een toxische cocktail fabriceren, waarmee de publieke opinie in verwarring kan worden gebracht.

De boodschap is: het publiek is in haar oordeelsvorming heel makkelijk te manipuleren, juist doordat wetenschappers hun resultaten met gepaste nuance willen overbrengen. Ander onderzoek in dezelfde sfeer suggereert bovendien dat vergelijkbare effecten optreden wanneer mensen niet eenzijdig worden voorgelicht, zolang ze maar voldoende volgzaam zijn.

De paradox van de groepswijsheid

Als de publieke opinie zo eenvoudig te bederven is, laat dat dan zien dat we geheel op ons eigen oordeelsvermogen zijn aangewezen? Zeker niet. Los van de politieke legitimiteit die een groepsoordeel – zoals de publieke opinie – in veel ogen verleent aan onze gezamenlijke beslissingen, hebben we ook kentheoretische redenen om te vertrouwen op de groep. Twee weten nu eenmaal meer dan één.

De Markies van Condorcet, Verlichtingsdenker en voorvechter in de Franse Revolutie, bewees dat zelfs wiskundig: het meerderheidsoordeel van een grote groep is waarschijnlijk juist, als de groepsleden maar minimaal ter zake kundig zijn en, nota bene, een zekere eigenwijsheid betrachten. Men moet niet het oor laten hangen naar een televisiepresentator of een belangrijke vlogger. En hoewel niemand een messcherp begrip hoeft te hebben, moeten de groepsleden gemiddeld gesproken wel een globaal idee hebben van de waarheid. Voor een verzameling totale nitwits, die voor elke mening een muntje opgooien, gaat de stelling van Condorcet niet op.

In deze voorwaarden voor het optreden van groepswijsheid, zit meteen het probleem. Om enigszins in de richting te komen van het juiste antwoord, moeten de groepsleden zichzelf informeren, en deze informatievergaring bestaat uit een uitwisseling van ideeën en feiten. Maar daardoor komt onmiddellijk de andere voorwaarde voor een betrouwbare groepsmening, namelijk die van de onafhankelijke oordeelsvorming, in het gedrang.

De paradox van de groepswijsheid is dat die tot stand komt door onafhankelijkheid én onderlinge betrokkenheid. De groep moet enerzijds divers zijn en blijven, opdat groepsleden elkaar kunnen corrigeren. Anderzijds moet de groep voldoende samenhang vertonen, zodat groepsleden zich allemaal goed en volledig kunnen laten informeren, en elkaar in die informatievoorziening tot steun kunnen zijn.

Tunnelvisie en polarisatie liggen voortdurend op de loer

Zoals wel vaker met paradoxen, gaat het hier slechts om een schijnbare tegenstrijdigheid. Het is heel goed mogelijk om je te laten informeren door de meningen van anderen zonder de onafhankelijke blik te verliezen. Kenniswerkers die gebruik maken van de wijsheid van de groep, zoals wetenschappers en rechters, maken veelal gebruik van procedures die deze onafhankelijkheid waarborgen.

Rechters oordelen in grote zaken gewoonlijk gedrieën, in een zogenoemde raadkamer, en wisselen onderling standpunten uit. In die beraadslaging wordt extra aandacht besteed aan de verschillen van mening, met de bedoeling om daarvan wat te leren. De verschillen worden daarbij juist aangezet. In de vorming van het groepsoordeel wordt dat oordeel steeds gescheiden gehouden van wat ieder er zelf van vindt. Datzelfde geldt in de wetenschap, waar op conferenties gezichtspunten worden uitgewisseld maar niet alle informatie zomaar gedeeld wordt, en waar een bepaalde mate van koppigheid en geheimhouding soms zelfs waarheidsbevorderend is.

Uit deze praktijken leren we dat samenwerken in de vorming van een oordeel een subtiele en soms precaire aangelegenheid is. In een bredere maatschappelijke context liggen vormen van groepsdenken, zoals tunnelvisie en polarisatie, voortdurend op de loer.

Niet alleen van belang voor kenniswerkers

Dit roept belangrijke vragen op. Hoe kunnen we voorkomen we dat maatschappelijke debatten niet ten prooi vallen aan eenzijdige opinievorming? En hoe zorgen we dat de daarop volgende collectieve besluitvorming door grote delen van de groep gedragen wordt, zodat we ons ook samen verantwoordelijk kunnen voelen?

Goed beschouwd zijn deze vragen niet alleen van belang voor kenniswerkers. Een deugdelijke uitwisseling van feiten en meningen staat aan de basis van elke duurzame samenwerking. Zoals we hebben betoogd, vereist dat een fundamenteel begrip van hoe onafhankelijkheid en betrokkenheid kunnen samengaan.


Dit artikel verscheen eerder op Sociale Vraagstukken. Jan-Willem Romeijn is hoogleraar wetenschapsfilosofie aan de Rijksuniversiteit Groningen. Remco Heesen werkt bij diezelfde vakgroep als postdoc aan epistemische samenwerking in de wetenschap, en Hendrik Siebe doet een promotie-onderzoek naar diversiteit en collectieve besluitvorming.

  1. 1

    @0: het meerderheidsoordeel van een grote groep is waarschijnlijk juist, als de groepsleden maar minimaal ter zake kundig zijn en, nota bene, een zekere eigenwijsheid betrachten

    Je hebt een enorme berg aannames nodig om van Condorcets stelling naar die interpretatie te komen en dan geldt ook nog eens dat de stelling uitsluitend gaat over binaire uitkomsten, iets wat in de politiek nooit voorkomt.

    Maar als de ene groep hoogopgeleide, goed geïnformeerde juryleden nu A kiest en de andere B, wat concludeer je dan? Dat ze het niet snappen? Dat de vraag fout is? Je zult daar toch iets mee moeten om dit idee in de economie toe te passen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

| Registreren