Kwaliteit van hoger onderwijs (5) – Onverdiend vertrouwen

ACHTERGROND - Lees ook deel één, twee, drie en vier.

In de afgelopen vier artikelen is aan bod gekomen hoe de overheid de kwaliteit van ons hoger onderwijs probeert te garanderen, en waar het de afgelopen jaren mis ging. Vanaf dit stuk wordt (eindelijk) besproken wat ten grondslag ligt aan deze reeks: de door de minister voorgestelde wijziging van wetten en regels.

Het meest opvallende aan de nieuwe voorstellen is dat ze een vrij verregaande versoepeling van het stelsel inhouden. De jarenlange lobby van de vereniging van universiteiten (VSNU) lijkt eindelijk zijn vruchten af te werpen. Want, naast andere maatregelen die de controle op kwaliteit afzwakken, komt er een experiment waarbij niet langer opleidingen gecontroleerd worden, maar onderwijsinstellingen. De minister wil een soepelere controle op de kwaliteit van het onderwijs.

En dat is ook niet gek, wanneer je bekijkt wat de doelstellingen* van de nieuwe regels zijn. Eén van de doestellingen is ‘meer vertrouwen geven’, en een ander is ‘de ervaren lasten substantieel verminderen’. Dat deze uitgangspunten zijn zoals ze zijn, dat is wél heel gek.

Dit artikel gaat over het geven van meer vertrouwen. Zoals hier al is toegelicht, bestaat eigenlijk pas sinds 2011 een situatie waarin de visitatiepanels die de controles uitvoeren zich veilig voelen om een bestaande, bekostigde opleiding een onvoldoende te geven. Immers, voor deze tijd was er geen mogelijkheid tot herstel (een onvoldoende leidde tot directe sluiting van de opleiding) en ontbrak een duidelijke norm op basis waarvan het panel kon zeggen dat het eindniveau onvoldoende was. Nadat deze situatie wijzigde, bleek zeven à acht procent van onze opleidingen onder de maat.

Op basis waarvan zou dan vertrouwd moeten worden dat instellingen zelf in staat zijn om te bepalen of hun opleidingen voldoen, en waar verbeteringen (dringend) nodig zijn? Want de afgelopen jaren tonen aan dat ze daartoe duidelijk niet in staat zijn. Aan vrijwel alle grote hogescholen en universiteiten zijn onvoldoendes gevallen.

Dit klinkt misschien hard, want het woord ‘vertrouwen’ roept op dat als je dat niet geeft, je de docenten en medewerkers niet vertrouwt. Dat is echter maar net hoe je het bekijkt. Vertrouwen dat docenten hun uiterste best doen, en dat er op hogescholen en universiteiten keihard wordt gewerkt: ja. Maar óók vertrouwen dat er nooit iets fout gaat met de kwaliteit van een opleiding, en dat men het vanzelf wel merkt als er iets mis is? Neen, dat is geen ‘vertrouwen’ maar ‘naïviteit’.

Er zijn een aantal omstandigheden waarin een opleiding kan afglijden. Bijvoorbeeld: wanneer het management de boel niet onder controle heeft; wanneer docenten een te hoge werkdruk hebben en geen tijd hebben om met elkaar af te stemmen wat nou eigenlijk een voldoende niveau inhoudt; wanneer een opleiding de blik naar binnen heeft gericht en niet openstaat voor kritiek van buiten. Juist in dit soort omstandigheden, is het ook niet aannemelijk dat de opleiding zelf signaleert dat men is afgegleden.

In aanloop naar de vorige stelselwijziging in 2007 vroeg de vereniging van universiteiten (VSNU) om ‘verdiend vertrouwen’. De eerste ronde accreditaties had immers toch aangetoond dat er geen enkele opleiding van een bekostigde instelling onder de maat was, dus of we niet alsjeblieft dat gedoe met die opleidingsbeoordelingen af konden schaffen. Acht jaar later blijken ook aan de universiteiten tientallen opleidingen onder de maat. Het pleidooi van de VSNU is echter nog hetzelfde: vertrouw ons, we kunnen het zelf wel! Bizar genoeg lijkt de minister nu hun kant op te bewegen.

Daarvoor gebruikt mevrouw Bussemaker een wonderlijke redenering (p10): “Overigens spreek ik niet van verdiend vertrouwen. In gesprekken met het veld heb ik gezien dat die formulering geïnterpreteerd kan worden alsof het vertrouwen er niet is, maar nog moet worden verdiend. Dat is onjuist; het is al verdiend.”

“Wanneer dan?”, vraag ik mij oprecht af.

János Betkó was ruim vijf jaar lang secretaris bij opleidingscontroles (‘visitaties’) door onafhankelijke experts en was als bestuurslid van de Landelijke Studenten Vakbond betrokken bij de totstandkoming van de huidige wetgeving op dit gebied.

* De doelstellingen zijn opgesteld door de ‘stuurgroep accreditatie 3.0’, bestaande uit vertegenwoordigers van verschillende belangenorganisaties. Zie hier hun advies.

  1. 1

    Bovenwijs Onderwijs
    Is iemand goed in iets kunnen, autoriteit gunnen.
    Kan degene dat niet, doe de autoriteit dan teniet;
    want als men lang wacht, wordt het macht.
    (Mijn korte samenvatting van het boek “autoriteit” van Paul Verhaeghe: een autoriteit wordt verleend maar ook gedragen)

  2. 3

    In het programma “boeken” vertelde Paul Verhaeghe over zijn boek “Autoriteit”.

    Degene die een belangrijke functie heeft in de maatschappij van hoog tot laag (rechters, politie, kaartjesknipper, enz) heeft tegenwoordig geen autoriteit meer, ze worden negatief benaderd: “ze doen het niet goed, rechters zijn allemaal D66-stemmers, ze zijn maar watjes, ga boeven vangen” enz. Autoriteit wordt niet serieus genomen.
    Daarom stelt P Verhaeghe dat deze functieuitoefenaars meer autoriteit moeten krijgen. Maar zoiets moet verleend worden. Dit is dus al, maar men er moet ook achter staan, het moet gedragen worden.
    Daarbij komt dat men “onervarenen” een functie verleend die zij niet waar kunnen maken.
    — Kan diegene dat niet, doe de autoriteit dan teniet;
    “Toch moet er gehandhaafd worden”, ook met de “onervarenen”; men krijgt ausschreitungen.
    — want als men lang wacht, wordt het macht.*

    Daarom stel ik dat alleen zij die functie** mogen uitoefenen die het kunnen, daartoe in staat zijn, ervaring hebben, goed zijn in … .
    — Is iemand goed in iets kunnen, autoriteit gunnen.

    Zo ook in het onderwijs, van hoog tot laag,
    Dus dat de “wijzen” ook gegund wordt kennis over te dragen, BOVEN anderen te mogen staan. zonder er negatief tegenin te gaan. Zodat die ONDER staan kennis op kunnen doen.

    *Definitie: Macht is het vermogen om het gedrag van anderen te sturen. Kan ik stellen ”Macht is niet meer als de autoriteit teniet wordt gedaan”? (is dit waar of is er ergens een onlogica in verborgen?) misschien had ik beter “Machtsmisbruik” kunnen schrijven, maar dan rijmt het niet meer, jammer eigenlijk.
    **(hoe maakt men zo’n functieprofiel? Sommigen zijn er zeer goed in, ik niet)
    Beter kan ik het niet uitleggen.