Klassiekers | De stille kracht

RECENSIE - “De stille kracht” is een merkwaardig boek: traag en belegen, maar ook stijlvol en intrigerend. En misschien progressiever dan Couperus ooit bedoeld heeft.

De beroemdste Nederlandse romans gaan bijna allemaal over Indië, over de oorlog, of over allebei. “De stille kracht”, waar ik me deze vakantie op gestort heb, behoort tot de eerste categorie. Marc van Oostendorp raadde eerder deze maand een gratis online-editie aan; zelf heb ik het boek ouderwets in gedrukte vorm tot me genomen.

Het verhaal gaat voornamelijk over getouwtrek tussen het Nederlandse koloniale bestuur en de inlandse adel, tussen resident en regent. Beide partijen bedienen zich daarbij van maffia-achtige tactieken: het is een spel van “toevallige” ongelukken, vage verdenkingen en dreigementen verpakt in vleierij. De geheimzinnig glimlachende Javanen zijn in het voordeel, want zij hebben de stille kracht aan hun zijde.

Het vervelende van Couperus lezen is dat je zijn stijl gaat overnemen: alles wat je denkt en schrijft, krijgt iets van dat deftige, dat trage – en vooral van die onnatuurlijk lang uitgerekte zinnen, bijeengehouden door een eindeloze massa komma’s, puntkomma’s, dubbele punten, liggende streepjes, doorlooppuntjes… Goed, ik hoop dat deze alinea daar afdoende bewijs van is.

En dan is er het wel erg bloemrijke proza waarmee Couperus zijn decor beschrijft. De beste man staat erom bekend, maar het is altijd weer even wennen als je een boek van hem openslaat en geconfronteerd wordt met ‘sterretintelluchten, waar, mystiek, het Zuiderkruis opdiamantte, of, Turksch half, de maan soms hoornde.’

De hele dag blowen

Het mooie is dat het wérkt. Je ziet het allemaal voor je, de huizen, de bossen, de lucht. En eigenlijk past de nogal lome, trage schrijfstijl perfect bij de setting: het leven in de (verzonnen) Javaanse provinciestad Laboewangi is loom en traag, al was het alleen maar door de tropische hitte.

Sommige passages zijn ook gewoon móói. Neem de kwaadaardige anonieme brieven aan Otto’s adres: ‘Het waren beschuldigingen tegen zijn vrouw, het waren besmeuringen tegen zijn dochter. Het waren bangmakerijen, dat een kris in het duister mikte naar zijn leven.’ Ik weet niet waarom – misschien is het het ritme, misschien de ouderwetse woordkeus – maar ik kan enorm genieten van dat soort zinnetjes, op een heel basaal, esthetisch niveau.

De personages komen prima uit de verf. Resident Otto van Oudijck is een zelfgenoegzaam bestuurder met grote ambities en een nog groter bord voor zijn kop. Zijn vrouw Léonie, die er een flinke stoet minnaars op nahoudt, bekommert zich alleen om haar eigen genot en niet om wat er verder om haar heen gebeurt. Een kind van rijke (en veel te gulle) ouders, dat de hele dag op haar kamer zit te blowen en zich helemaal niet bezighoudt met de wereld of de maatschappij – dat zou haar moderne equivalent zijn. En dan die arme Eva Eldersma, wegkwijnend aan de zijde van haar zwaar overwerkte man, wanhopig proberend om wat cultuur en wat deftigheid te brengen in het afgelegen Laboewangi. Kleurrijk zijn ze zeker.

En toch, als je anno 2013 met een manuscript in de stijl van “De stille kracht” aan zou komen, zou geen uitgever met je in zee willen. Als je het online zou publiceren, op een site voor amateurschrijvers, zou je van het forum af gelachen worden. Dat heeft voor een groot deel te maken met een adagium dat je tegenwoordig in iedere lijst met schrijftips tegenkomt: show, don’t tell.

Magie en mystiek

Dit betekent dat je sommige dingen, vooral emoties en karaktertrekken, beter indirect dan direct kunt weergeven. Je schrijft niet op: ‘Marietje was boos op Jantje.’ Nee, je “laat zien” dat Marietje boos is op Jantje, bijvoorbeeld door haar lichaamstaal te beschrijven of haar op een bepaalde manier te laten praten. ‘Marietjes handen trilden. ‘Klootzak!’ schreeuwde ze.’ Het idee is dat het op die manier voor de lezer makkelijker is om zich in te leven in je personages.

Couperus’ motto lijkt eerder tell, don’t show te zijn. De sfeer, de karakters van zijn personages, allerlei psychologische en sociale processen – hij beschríjft ze, expliciet, uitvoerig en bombastisch. En dat is misschien ook wel het zwakste punt van “De stille kracht”. Show, don’t tell is niet voor niets zo’n populaire kreet geworden: een schrijver die alles voor je duidt en interpreteert, laat weinig aan je eigen verbeelding over. Bovendien legt Couperus het er wel erg dik bovenop. Als hij voor de vijfde of zesde keer uitweidt over Léonies onverschilligheid, Otto’s dadendrang en naïviteit, of die mysterieuze, onzichtbare krachten die de Nederlanders maar niet begrijpen, denk je als lezer: ja zeg, nou geloof ik het wel!

Ik had ook moeite met het concept “stille kracht” zelf. Dat er in een schijnbaar rustig en welvarend gebied onder de oppervlakte van alles kan broeien waar een man als Otto van Oudijck geen idee van heeft – ja, dat haalt je de koekoek. Maar moet dat nou echt als een soort ongrijpbare kracht worden beschreven? Couperus bedient zich van het oude stereotype van het Oosten en de oosterlingen als mystiek, geheimzinnig, een beetje magisch. Dat is geen compliment voor het Oosten: het suggereert dat de nuchtere, wetenschappelijke kijk op de wereld alleen aan Europeanen is voorbehouden.

Onbewust radicaal?

Minstens zo storend is de subtiele aanname dat alleen mensen uit de (koloniale) elite interessant zijn als personages. Als Couperus schrijft dat ‘iedereen’ in Laboewangi zus doet of ‘iedereen’ in Batavia zo, dan bedoelt hij: alle Europeanen. De inlanders, een handjevol edelen daargelaten, lijken eerder deel te zijn van het decor – levende manifestaties van de stille kracht.

En toch is “De stille kracht” op een bepaalde manier radicaler dan de “Max Havelaar”. Multatuli schreef een pamflet waar de vonken vanaf vlogen, maar dat ging over machtsmisbruik door de inlandse adel, waartegen het Nederlandse gezag krachtig zou moeten optreden. Couperus brengt zijn boodschap veel subtieler, maar die boodschap is: dat hele koloniale systeem deugt niet.

Of hij dat zelf door heeft gehad, is de vraag. Nergens gaat het over uitbuiting of onderdrukking. Couperus’ bezwaren tegen het kolonialisme lijken eerder cultureel of esthetisch dan moreel: het klopt niet, het hoort niet, het past niet. De Nederlanders horen niet in Indië, en Indië hoort niet onder het Nederlandse juk.

En uiteindelijk is het wel een ijzersterke boodschap, hoe dik hij er ook bovenop gelegd wordt en hoeveel stille krachten je er ook bijsleept: je zult als Nederlander nooit echt de baas zijn in Indië, want je begrijpt niks van dat land. Na de Tweede Wereldoorlog zou de naïviteit van sommige koloniale ambtenaren – die, vers uit het Jappenkamp, hun oude kantoor binnenliepen en hun Indische vervanger onder dankzegging voor de bewezen diensten naar huis wilden sturen – Couperus’ gelijk bewijzen.

  1. 1

    Het boek is meer dan honderd jaar oud, nogal wiedes dat daar tegenwoordig heel anders tegenaan wordt gekeken, en dat een andere manier van schrijven populair is geworden.

    Maar welke roman van meer dan honderd jaar geleden wordt tegenwoordig nog gelezen? Niet meer dan een handje vol. Toch een knappe prestatie van Couperus.

  2. 2

    Tja in de huidige zombiecultuur (vanochtend fietsten/liepen er bijna weer iets van 10-15 fietsers/wandelaars op hun smartphone starend tegen mijn Renault Twizy) is een dergelijk boek inderdaad veel te traag maar vooral te moeilijk. De 1-hersencellige smartphone-zombies begrijpen het alleen nog als je ze een knal verkoopt (een Renault Twizy heeft geen ramen, ha, ha) of ze halfdood laat schrikken door heel hard te toeteren en bijna tegen ze aan te rijden. Onthaasten, rust, kalmte zijn vreemde woorden voor de huidige haastige online-zombie-mens. Wat een idioten zijn het toch allemaal: http://tinyurl.com/o2nrg57

  3. 3

    Couperus brengt zijn boodschap veel subtieler, maar die boodschap is: dat hele koloniale systeem deugt niet.

    Of hij dat zelf door heeft gehad, is de vraag. Nergens gaat het over uitbuiting of onderdrukking. Couperus’ bezwaren tegen het kolonialisme lijken eerder cultureel of esthetisch dan moreel: het klopt niet, het hoort niet, het past niet. De Nederlanders horen niet in Indië, en Indië hoort niet onder het Nederlandse juk.

    De stille kracht is geschreven in 1900.
    Waarom zou Couperus het niet door hebben gehad?

    Zijn hele oeuvre wijst op grote sociale intelligentie. En waarom zou alleen een moreel bezwaar een juist bezwaar zijn en een cultureel verschil niet?

    Juist het bezwaar van Couperus dat het cultureel wringt is een toevoeging en een geldig bezwaar tegen kolonialisme: Nederland in Indonesië werkt niet zoals hij laat zien. Daar zijn ook andere voorbeelden van: Engeland kon Ierland niet onder de voeten lopen en Spanje en Duitsland Nederland niet. En waarom zou dat zijn? Ik denk dat culturele verschillen goede ogen gooit.

    Misschien is het culturele verschil wel een beter argument tegen kolonialisme dan het morele argument.

    Overigens leuk al die recensies van oude boeken te lezen zoals onlangs ook die van Anna Karenina. Het blijft apart die literatuurgeschiedenis om de zoveel tijd te beschouwen