Kiesdrempels: Als je vriendje in de sloot springt, doe jij het ook

OPINIE - Voorstanders van verhoging van de kiesdrempel zwengelen de discussie herhaaldelijk aan met feitenvrije argumenten en gaan niet in op feitelijk onderbouwde kritiek. Dat betoogt universitair hoofddocent in Politieke Wetenschappen aan de Universiteit van Amsterdam Tom van der Meer, op Stuk Rood Vlees.

Het is een déja-vu discussie. Vorige week was het VVD-partijvoorzitter Henry Keizer die mocht stellen dat een kiesdrempel toch echt noodzakelijk was. Het idee lijkt onuitroeibaar, met name bij de VVD. Alleen al in de afgelopen twee jaar hebben de volgende prominenten gepleit voor de invoering van een kiesdrempel: toenmalig VVD-voorzitter Benk Korthals, VNO-NCW-voorzitter Bernard Wientjes, VVD-senator Heleen Dupuis, oud-VVD-Tweede-Kamerlid Arend Jan Boekestijn, D66-senator Roger van Boxtel, RTL-journalist Jos Heymans, en bij Nieuwsuur het trio Hans Hoogervorst (voormalig VVD-minister), Aart Jan de Geus (voormalig CDA-minister), en Rick van der Ploeg (voormalig PvdA-staatssecretaris).

Dat laatste item is exemplarisch. Hoogervorst noemde het Nederlandse staatsbestel ‘volledig kapot’. De Geus vond dat nieuwe partijen zich eerst maar moesten bewijzen, iets dat hij liever aan een kiesdrempel dan aan de kiezers overlaat. Volgens Van der Ploeg kijken zijn Engelse collega’s meewarig naar het Nederlandse systeem omdat de regering in het Verenigd Koninkrijk tenminste een duidelijk mandaat krijgt. Veel Britse politicologen die ik ken plaatsen – zeker na de laatste verkiezingen – juist vraagtekens bij hun eigen kiesstelsel.

Geloof me: Wij op StukRoodVlees zitten er echt niet op te wachten om steeds weer opnieuw de discussie over de kiesdrempel aan te gaan. Hoewel…discussie? Dat zou veronderstellen dat er gesprek plaatsvindt waarbij twee kanten ingaan op elkaars argumentatie. Dat gebeurt niet. We zien steeds dezelfde feitenvrije argumenten terugkeren bij voorstanders, zonder dat wordt ingegaan op feitelijk onderbouwde kritiek.

Maar zo lang voorstanders van een kiesdrempel telkens weer een landelijk podium krijgen voor hun schijnoplossing, zijn we uiteraard bereid om de fouten in die redenaties nog een keer uit te leggen. En goed, de aanhouder wint soms een beetje.

Nog een keer de argumenten:

•Nee, een kiesdrempel leidt niet tot makkelijkere coalitievorming. Elke voorstander noemt dit argument als een evidente oplossing voor het probleem van Nederland. Maar het is onzin. Het zal niet werken. Dat is zelfs al doorgerekend. Het probleem zit bij de krimp van de drie grote partijen (ooit samen goed voor 85% van de stemmen) en de opkomst van een zes-partijenstelsel (zes middelgrote partijen die elk gemiddeld zo’n 10 tot 15% van de stemmen behalen). Daar helpt geen kiesdrempel tegen.
Dat juist splinterpartijen de afgelopen 9 jaar hebben gefungeerd als oliemannetjes (CU tijdens Balkenende IV, SGP tijdens Rutte I, CU/D66/GL bij het Lente-/Kunduzakkoord, CU/D66/SGP als Constructieve Drie tijdens Rutte II) wordt door de kiesdrempel-aanhangers vergeten.

•Nee, verkozen splinterpartijen zijn niet de schuld van het toegenomen aantal fracties. Dat komt door afsplitsingen na de verkiezingen.

•Nee, er zijn geen aanwijzingen dat een kiesdrempel zal voorkomen dat parlementsleden zich afsplitsen van hun fractie. Dat heeft meer te maken met een slechte selectie van kandidaat-Kamerleden. Als partijen hun werk niet goed doen, zou je dat niet moeten verhalen op kiezers.

De voorstanders van de kiesdrempel negeren alle tegenargumenten: een kiesdrempel verslechtert de representatie van minderheidsgroepen, maakt de toegankelijkheid en verversing van de politiek moeilijker, en schaadt het vertrouwen. Bestuurlijk heeft het dus weinig nut, democratisch is het schadelijk.

Als je vriendjes in de sloot springen, doe jij dat dan ook?

Opmerkelijk genoeg klaagde Fons Kockelmans op TPO juist het omgekeerde: tegenstanders van de kiesdrempel zouden oneigenlijke argumenten gebruiken. Zelf gaf hij twee schijnargumenten vòòr die kiesdrempel: (1) Onze buurlanden doen het ook, en (2) dan worden minder partijen verkozen. Het tweede argument is bijna een definitie; wat het doel is, blijft onduidelijk. Bij het eerste argument denk ik vooral aan wat mijn moeder in zulke situaties altijd zei: als je vriendjes in de sloot springen, doe jij dat dan ook? Bovendien heeft het constitutioneel hof in Duitsland de kiesdrempel bij de EP-verkiezingen in 2014 ongrondwettelijk verklaard.

Waarom?

De werkelijke vraag is inmiddels niet wat het nut is van een kiesdrempel. De betere vraag is: Waarom wordt het plan voor een kiesdrempel steeds weer gelanceerd?

Een team van onderzoekers (Bol, Pilet & Riera) heeft deze vraag opgeworpen (paywall). Hoe komt het dat landen besluiten om proportionalisme in te perken? Ze noemen twee verklaringen: (1) als gevolg van versplintering van het partijlandschap (een verklaring die eerder bleek te kloppen), en (2) nadat soortgelijke landen (buurlanden, taalgenoten, historisch gelijke) het ook hebben ingevoerd. Onderzoek naar de gehele naoorlogse periode in Europa leidt tot de conclusie dat er inderdaad een internationale trend is: parlementen zijn geneigd om vergelijkbare landen te volgen bij de invoering van een kiesdrempel.

Kortom, als je vriendjes in de sloot springen, is er inderdaad een grotere kans dat jij dat vervolgens ook doet. Dat maakt het overigens nog niet tot een inhoudelijk goed argument voor de invoering van een kiesdrempel.

  1. 1

    @0: “Voorstanders van verlaging van de kiesdrempel zwengelen de discussie”

    Ik neem aan dat hier moet staan: voorstanders van _verhoging_ van de kiesdrempel

    Verder niets dan lof.

  2. 2

    Stuitend, het zijn dus altijd de partijen van de gevestigde orde die een verhoging van de kiesdrempel willen. Alleen maar om hun dreigende afkalvende macht te behouden. Want stel je eens voor dat een deel van de bevolking ze zat wordt, en op nieuwe partijen gaan stemmen, die dan ook nog eens in de kamer komen! Dat moeten we niet willen met zijn allen.

    Fuckers vergeten voor het gemak maar even dat er al een kiesdrempel is, ter grootte van 1 kamerzetel. En dat is al een uitdaging genoeg, om die te behalen, als nieuwe partij.

    Pleiten voor een verdere verhoging van de kiesdrempel is simpelweg bijzonder anti-democratisch, omdat men daarmee uitgebrachte stemmen op nieuwe partijen negeert.

  3. 3

    Nieuwe partijen? Sommigen doen al tijden mee op de kieslijst. De 1 nog gekker dan de andere, van elk realisme gespeend.

    Nee, geen Poolse landdag alsjeblieft.

  4. 4

    De verdeling van de restzetels is in het huidige stelsel ook gunstiger voor grote partijen.

    Een grote partij hoeft minder stemmen over te hebben, om een restzetel te krijgen dan een kleine partij.

    kleine partijen konden zich hiertegen een beetje beschermen door een lijstverbinding aan te gaan, ik weet niet of dit nog steeds kan (bij de 1e kamer-verkiezingen niet meer, las ik)

  5. 5

    @3: Prima toch, democratie in optima forma. Iedereen mag een politieke partij beginnen, hoe maf de grondbeginselen van die partij ook zijn. Als het je lukt om 1 zetel te veroveren, dan heb je zo ongeveer 60.000 mensen zo ver gekregen om op jouw partij te stemmen. Vind ik een hele prestatie.

  6. 8

    Als je een kiesdrempel in wil voeren, kun je ook het parlement inkrimpen tot -zeg- 50 zetels.

    Scheelt ook meteen heel wat van die zelfopgeblazen zwatels die nog geen oliebol met oud & nieuw kunnen verkopen.

  7. 9

    @8.

    Jij gaat maar lekker oliebollen verkopen met oud & nieuw, voor de rest kan je toch alleen maar als een zelfopgeblazen zwatel van de toren blazen.

  8. 10

    “Volgens Van der Ploeg kijken zijn Engelse collega’s meewarig naar het Nederlandse systeem omdat de regering in het Verenigd Koninkrijk tenminste een duidelijk mandaat krijgt.”

    Ik waag dat toch wel sterk te betwijfelen. Door het kiesstelsel in het VK is de kans vrij groot dat een partij met een minderheid aan stemmen een meerderheid aan zetels bemachtigt (dat was bv. bij alle verkiezingen in de afgelopen 50 jaar behalve die van 2010 en de eerste van 1974 het geval). En omdat men daar in dat geval nooit een coalitie vormt, maar altijd een één partijregering, heeft de regering dus vrijwel altijd een mandaat van de minderheid van de bevolking. Dat is niet bepaald een duidelijk mandaat. In Nederland daarentegen berust een regering zelden op een minderheidsmandaat (Rutte I is een beruchte uitzondering).