Kenniseconomie met een snelheid van 8 Mbps

OPINIE - In de jaarlijkse Knowledge Economy Index ranking van de Wereldbank neemt ons land wisselende plaatsen in de top tien in. Nederland heeft de ambitie om bij de beste 5 kenniseconomieën van de wereld te behoren. Een gebrekkige ICT-infrastructuur zorgt echter voor een slecht fundament.

Een jaar geleden liet SER-kroonlid Hans Kamps zien dat hij er weinig van begreep, die kenniseconomie. “We hebben het in Nederland steeds over een kenniseconomie, terwijl 60 procent van de jongeren naar het vmbo gaat,” aldus Kamps in dagblad Trouw. De kenniseconomie is een ecosysteem dat uit veel meer dan alleen hoger onderwijs en onderzoek bestaat. Een kenniseconomie impliceert weliswaar dat een belangrijk deel van de economie op de productiefactor kennis drijft, maar deze kan niet bestaan zonder de andere productiefactoren (arbeid, kapitaal, natuur). Evenmin is er een onder- of bovengrens: wanneer is je economie een echte kenniseconomie?

Typisch een containerbegrip dus, die kenniseconomie. Wel is duidelijk te bepalen wat een kenniseconomie nodig heeft. Zonder ‘ecosysteem’ blijft een kenniseconomie slechts een idee. Het fundament van een kenniseconomie begint bij goed primair en voortgezet onderwijs, waar kennis en informatie vrij kunnen stromen. Mensen moeten zowel in onderwijs als daarna in werk verbonden zijn – met elkaar en met informatie. Een robuuste technologische infrastructuur, ook in het onderwijs, is daarbij uitermate belangrijk. Uiteraard gaat een kenniseconomie pas echt werken als de arbeidsmarkt voldoende flexibel en divers is en het bedrijfsleven in staat is innovaties te vermarkten. Maar het begint bij het onderwijs.

OC&W erkent al jaren dat onderwijsvernieuwing niet zonder technologie kan. In 1995 hanteerde het ministerie van OC&W de doelstelling dat er één computer per 60 leerlingen in het onderwijs (primair en voortgezet) beschikbaar moest zijn. In dat jaar kwam het primair onderwijs uit op een score van een computer per 48 leerlingen, maar het onderwijsveld was ambitieus en wilde zelf graag naar één computer per groep van 28 leerlingen. Let wel, het ging om stand-alone pc’s waar toetsenbord, muis en CD-rom de belangrijkste elementen waren. Er werd een afschrijvingstermijn van zeven (!) jaar gehanteerd. In de jaren daarna is het aantal computers in het primair en voortgezet onderwijs (basisscholen en middelbare scholen) geleidelijk toegenomen:

1995    1 computer per 48 leerlingen
1998   1 computer per 22 leerlingen
2000    1 computer per 10 leerlingen
2005    1 computer per 7 leerlingen
2011    1 computer per 5 leerlingen

Vanaf de millenniumwisseling steeg de leerling-internetratio overigens sneller dan de leerling-computerratio. Vanaf 2013 verschuift het gebruik van computers (in de zin van desktops) definitief naar mobiele apparaten: laptops en tablets.

Inmiddels is het denken in ‘aantallen leerlingen per computer’ volledig gekanteld: nu gaat het om het aantal computers per leerling. Of liever gezegd: devices, want de pc in het klaslokaal is al weer achterhaald. Volgens de laatste onderzoeken heeft bijna negen op de tien basisschoolleerlingen van 12 jaar een smartphone – het omslagpunt ligt tussen het tiende levensjaar (36%) en het twaalfde jaar (85%). Op de middelbare school bezit ruim driekwart van de leerlingen een smartphone en ook in het hoger onderwijs (18-25 jaar) is meer dan 90 procent van de studenten op die manier online. Daarnaast is de iPad bezig met een stevige opmars; bij 31 procent van de middelbare scholen werken leerlingen met een eigen tablet of laptop.

Het device lijkt dus geen probleem meer te zijn, maar toch wordt de smartphone nog lang niet overal in het onderwijs gebruikt. Op de helft van de middelbare scholen mag de smartphone wel mee de klas in, maar mag hij alleen worden gebruikt met toestemming van de leraar. Vrijwel alle scholen die de smartphone gebruiken in het onderwijs, laten leerlingen er informatie mee opzoeken. Op eenderde van de scholen communiceren docenten via de smartphone met leerlingen, op eenvijfde wordt de smartphone ingezet om leerlingen te laten samenwerken, aldus Kennisnet.

De uitdaging is verschoven van hardware naar infrastructuur, content en digivaardigheid – met name bij het onderwijzend personeel. Kennisnet – de door het Ministerie van OCW gesubsidieerde organisatie die onderwijs en ICT aan elkaar moet knopen – brengt onder de noemer ‘vier in balans’ jaarlijks rapporten over de stand van zaken in onderwijs en ICT uit. Naast een goede ICT-infrastructuur heb je ook kundige docenten, een degelijke visie en voldoende onderwijscontent nodig, aldus Kennisnet.

De afgelopen jaren is het digitaliseringstempo van het onderwijs echter achtergebleven. In 2007 maakte slechts 15 procent van de leraren gebruik van digitaal lesmateriaal, maar in 2015 is dat nog steeds maar een op de vier. Dat is schrikbarend, mede gezien het aantal devices dat momenteel door leerlingen gebruikt wordt. Eric Slaats, opleidingscoördinator bij ICT opleidingen van Fontys Hogescholen en initiatiefnemer van innovatielab iFontys stelt het als volgt: ‘De gemiddelde student komt met een waanzinnig stuk hardware naar school en wij zeggen dat het niet gebruikt mag worden.’

Niet alleen de mindset in het onderwijs lijkt nog sterk primair analoog – kenmerkend voor een overgangsperiode – maar ook de infrastructuur blijft achter. Nu er voldoende hardware is, gaat het vervolgens mis op het vlak van connectiviteit. Een op de dertien scholen in het primair onderwijs beschikt niet over Wifi en bij een derde deel van de scholen is de bandbreedte ontoereikend. In Friesland heeft 42 procent van de scholen geen toegang tot een snelle verbinding en kan dat zelf niet voor een redelijke prijs regelen. Volgens onderzoek heeft 59 procent van de scholen nu geen toekomstbestendig betaalbaar en snel internet.

Staatssecretaris Dekker spreekt zich in de schriftelijke beantwoording van Kamervragen naar aanleiding van internetproblemen in het onderwijs uit over wat het onderwijs nodig heeft aan connectiviteit. Voor een doorsnee basisschool is een downloadsnelheid van 8Mbit per seconde (een huidige ADSL-verbinding) te laag. Met een omvang van bijvoorbeeld 200 leerlingen zou zo’n school in 2017 moeten beschikken over een bandbreedte van 25-30 Mbps. En een doorsnee voortgezet onderwijsinstelling (1.500 leerlingen) zou toe moeten kunnen met circa 300 – 320 Mbps. Dekker wacht eerst het onderzoek van Kennisnet nog even af, maar ik vrees dat de inschattingen – tegen de tijd dat we in 2017 zijn beland – aan de lage kant zijn.

Zonder hardware en connectiviteit is het aanpakken van alle uitdagingen in onderwijsvernieuwing tamelijk zinloos. Er zijn scholen die niet afwachten, maar zelf een oplossing regelen, maar eigenlijk is het neerzetten – en doorvoeren – van een excellente standaard natuurlijk een taak van de Staatssecretaris. Hebben ze eigenlijk al internet in Den Haag?

Via Toii.

  1. 1

    De auteur haalt 2 onderwerpen aan:
    – wat is een kenniseconomie
    – hebben scholen voldoende apparatuur om op te leiden voor een kennis-economie

    Ik zou een kenniseconomie definiëren als:
    een land waarin veel mensen een hoog inkomen hebben doordat er meer kennis is, of kennis beter toegepast wordt.

    Dat kan prima samengaan met 60% mbo’ers.

    Wel is nodig:
    – dat er ook voldoende beter opgeleiden zijn (dus niet alleen op papier hoog opgeleid, maar werkelijk deskundig)
    – dat er faciliteiten (werkgevers, onderzoeksinstellingen, baanzekerheid) is voor de beter opgeleide mensen

    En dat regel je niet met een computertje meer in de klas.

  2. 2

    Computers maken het leren misschien leuker, maar zijn zelden nodig.
    Als de computers vooral gebruikt worden om dingen op te zoeken, komt een school al een heel eind met een encyclopedie, een Bosatlas en Binas.

    Vroeger hadden we geen computers in het onderwijs, maar konden de leraren rekenen en spellen.

    Misschien heb je voor een kennis-economie juist niet nodig dat lesmateriaal leuk gepresenteerd wordt, maar dat leerlingen langer geconcentreerd aan 1 taak kunnen werken.

  3. 3

    @2: Een bosatlas is leuk als onderzetter maar niet meer dan dat. Hij kan maar door 1 persoon gebruikt worden, en de kennis is maar moeilijk te delen.

    ICT is zeker wel belangrijk binnen het onderwijs, zo leren kinderen om te gaan in een wereld waar kennis in overvloed is. Alleen zijn operating systems totaal niet toegespits op onderwijs. Ik zie sommige middelbare scholen de ipad als verplicht onderwijsinstrument in te zetten maar zelfs de leerlingen zelf geven toe dat ze er heel snel door afgeleid raken.

    Logisch ook, dat ding geeft toegang tot games, social media en alles wat je maar kan laten ontsnappen van een saaie les. Een leraar moet tijdens een les enigszins controle kunnen hebben over wat leerlingen kunnen doen met een dergelijk instrument, en die oplossing is er nog niet.

  4. 5

    @1: “Dat kan prima samengaan met 60% mbo’ers.”
    Ook met 60% VMBO’ers? Ik denk niet dat die allemaal nog het MBO afmaken. Ik zie daarmee ook de rest van je definities haperen.

    @0: “Zonder hardware en connectiviteit is het aanpakken van alle uitdagingen in onderwijsvernieuwing tamelijk zinloos.”
    Dat is een erg eenzijdige benadering van onderwijsvernieuwing. Het hele betoog ademt ook één grote hang naar zwaar leunen op computer- en internettechnologie als enige mogelijkheid om een kenniseconomie vooruit te helpen, terwijl het eigenlijk maar de vraag is in hoeverre dat in de economie gaat helpen. Smartphones en tablets zitten de productiviteit niet alleen in de klas, maar ook op de arbeidsplaats eerder in de weg en de technologie die op het werk gebruikt wordt is dusdanig specialistisch dat je smartphone je er ook niet op voorbereidt.

  5. 6

    “Evenmin is er een onder- of bovengrens: wanneer is je economie een echte kenniseconomie?”

    Naarmate er meer kennis binnen het land is dan in andere landen, waarmee economische resultaten worden behaald, kun je spreken van een kenniseconomie.

    Het probleem is dat kennis niet gauw beperkt blijft tot 1 land. Hoe je dan een ‘unfair advantage’ ten opzichte van andere landen kunt behalen is me een raadsel.

    Het is dus eigenlijk een beetje een holle kreet dat vooral wordt gebruikt om uitgaven aan computerapparatuur door onderwijsinstellingen te rechtvaardigen.

    Op zich niets mis mee, maar in bedrijven zie je nu ook dat het Bring Your Own Device principe de trend is.

    Hoe nu verder dan?

    Je zou het bouwen van mobiele applicaties kunnen aanmoedigen. Of scholen in staat stellen deze zelf te maken.

    Hier is het probleem dat er meestal te weinig kennis aanwezig is, en er voor veel geld externe bureaus worden ingeschakeld, die die kennis helemaal niet graag willen delen want dan kom je aan hun broodwinning.

    Een kenniseconomie kijkt vooruit, heeft een visie. Daar ontbreekt het nogal eens aan.

  6. 7

    Wat de neuk heeft de beschikbaarheid van computers in het onderwijs te maken met de kenniseconomie?!?!?

    Ik heb mijn basisschool en middelbare schoolcarriere zonder computer in de klas doorgebracht en ben nu software architect, een typisch kenniseconomiebaantje, en zou werkelijk waar niet weten wat de beschikbaarheid van computers in het onderwijs te maken heeft met de kenniseconomie.

    Dit soort ideetjes (computers in de klas) tonen aan dat men werkelijk waar niet begrijpt waar de kenniseconomie om draait. De flessenhals van onze kenniseconomie is helemaal niet kennis of creatieve en innovatieve ideetjes. De bottleneck is investeringskapitaal en vrijheid om die kennis en ideetjes in de praktijk te brengen, want de kenniseconomie gaat toch vooral over innovatie en creativiteit.

    En dat kapitaal prefereert andere landen, met name de VS. Zozeer zelfs dat er een top zoveel is van Nederlandse startups waar Amerikaans geld in gaat. Er is een ware exodus gaande van Nederlandse kenniswerkers richting dat geld. Hun bedrijf, werkgelegenheid en kennis-baantjes nemen ze mee. Wil je de kenniseconomie stimuleren, dan moet je zorgen dat deze startups en hun personeel in Nederland blijven en dat er Nederlands geld in gaat. En dan bedoel ik niet de WBSO-regeling.

    Verder ontbreekt het in Nederland nogal aan gevoelsmatige vrijheid om met je ideetje aan de gang te gaan. We stimuleren in Nederland op allerlei manieren al dan niet direct het werknemerschap en ander risicomijdend gedrag. Dingetjes als onze ontslagbescherming, sociaal vangnet, het enorme verschil in complexiteit in belastingen (tussen werknemer en ZZPer) en de enorme hoeveelheid hypotheken (die we middels de HRA nogal stimuleren). Je moet van aanmerkelijk betere huizen komen wil je in Nederland de stap durven zetten om je idee in een bedrijfje om te zetten dat een bijdrage levert aan de kenniseconomie dan in bijvoorbeeld de VS. En dus gebeurt het niet.

    En zolang we blijven denken dat de kenniseconomie over hardware en megabits zal dat zo blijven.

  7. 8

    Vergeet trouwens ook niet India. Zoek op youtube naar lesmateriaal over serieuze wetenschappelijke onderwerpen en je wordt overspoeld met colleges van Indische universiteiten. Met overhead-projector, handgeschreven stencils, Indisch accent en zeer toegankelijk lesmateriaal van hoge kwaliteit. Daar worden de mensen opgeleid die het werk doen waar in Nederland geen mensen voor te vinden zijn. En dat komt echt niet omdat die mensen geen computer in de klas hadden.