Hulspas weet het | twee eeuwen vijanden van de staat

COLUMN - Het was me het protestantse weekje wel. 500 jaar protestantisme, dat moest gevierd. Maar 31 oktober als bijlage bij het kerstfeest, dat zit er niet in. Luther was geen Jezus. Een antisemiet, schreeuwlelijk, een waanwijze ijdeltuit. Vooral die eerste eigenschap werd de afgelopen week vaak aangestipt. Om duidelijk te maken dat protestanten dat ook best weten. Jammer was dat, dat-ie zo tegen de Joden was. Terwijl dat in Luthers tijd juist een teken van vroomheid was.

Maar verder ging het in de Nederlandse media vooral over hoe het protestantisme ‘ons’ Nederlanders zou hebben gevormd. We zijn nuchter, zuinig, geen lolbroeken, recht voor zijn raap (denken we graag) en dat zou voor een belangrijk deel door het calvinisme komen. (Ruim daarvoor, diep in de middeleeuwen, klaagden bezoekers al over onze botte volkaard, maar dit terzijde.) We kunnen niet zonder ontstaansmythes. En wat dat betreft weerklonk er tegelmatig nog zo een: de nauwe band tussen het protestantse volk en het vaderland. Het was al die eeuwen ‘God, vaderland en Oranje’. Die drie waren (via de Dordtse synode) voor eeuwig met elkaar verbonden. Ook een mythe. Maar wel een interessante. Je zou van een politiek opgelegde mythe kunnen spreken.

Wat was de band tussen God en zijn volk, en die andere twee? Dat was de hele negentiende eeuw de bange vraag. De Bataafse Republiek had de band namelijk radicaal doorgesneden. Protestanten, katholieken, joden zelfs: het waren allemaal burgers. De staat was religieus neutraal. En tot grote schrik van de protestanten was koning Willem I daarna niet van zins om dat terug te draaien. Daarna ging het ging van kwaad tot erger. De katholieken mochten bisschoppen benoemen. De liberalen mochten regeren. Langzaam maar zeker groeide in protestantse kring de weerzin tegen alle ‘nieuwlichterij’ en ‘de revolutionaire geest’. Een weerzin die leidde tot uitbarstingen van antipapisme en culmineerde in de ‘Schoolkwestie’. De protestanten wezen het staatsonderwijs af, en gingen voor eigen scholen. De staat had dat maar te slikken. Het werd een keiharde confrontatie, waarbij de protestanten de staat verweten dat zij haar (in hun ogen) voornaamste taak, vastgelegd in Dordrecht, in de Formulieren van Enigheid, namelijk de bestrijding van de ‘afgoderij’, volledig had verzaakt. De Nederlandse staat was de vijand van het geloof. De protestanten verklaarden haar de oorlog. (De vergelijkingen met de Tachtigjarige Oorlog werden breed uitgemeten.)

En juist in die tijd schermden protestanten met de trits ‘God, vaderland, Oranje’. De suggestie was: aan ons ligt het niet. Wij zijn trouw aan het Vaderland (lees: de toen allang verzonken protestantse natie) en aan Oranje (lees: we verwachten dat de koning ons hierbij steunt, anders zwaait er wat). De trits was een politiek manifest, een boodschap. Vergelijk het met de inmiddels verscheurde mythe dat Russen en Oekraïners ‘broedervolken’ zouden zijn. Een loze kreet om eeuwen van onderdrukking te maskeren.

De protestanten hebben de staat nooit meer vertrouwd. Ook na de pacificatie van 1917 (de financiële gelijksteling van openbaar en bijzonder onderwijs) bleven protestantse kopstukken fulmineren tegen het feit dat de overheid het lef had voorwaarden te stellen bij de subsidiëring van het bijzonder onderwijs. Levensgevaarlijk, die bemoeienis! Karakteristiek was ook het verzet in de jaren twintig/dertig tegen zaken als een schooluniform, schoolmaaltijden, de schoolarts en de schooltandarts. Waar bemoeide de staat zich mee! Opvoeden was een taak van de ouders! Het mocht uiteraard niet baten. In de jaren vijftig zakte het protestants-christelijk onderwijs als een pudding ineen. In de jaren zestig vielen de zuilen. En daarna werd de geschiedenis herschreven. Twee eeuwen fulmineren tegen de door God gegeven Nederlandse overheid werd snel vergeten. Ineens werd de pacificatie beschouwd als een voorbeeld van ‘typisch Nederlandse’ polderpolitiek. Van het harmonisch samengaan van God vaderland en Oranje. Geen wonder. De angst voor de islam, en voor islamitisch onderwijs, brengt het fameuze artikel 23 in gevaar. En ondertussen gaan steeds meer stemmen op dat het onderwijs een bedrijf is als elk ander. En weten die bijzondere scholen wel dat artikel 1 van de Grondwet discriminatie verbiedt? De rijen moesten gesloten. Wat ooit nieuwlichterij was, geldt nu als kostbare traditie.

Zoals Bredero zei: het kan verkeren.

  1. 1

    Tja, dat andere stukje Nederland (laten we zeggen, de generaliteitslanden, om vooral niet te vergeten hoe dat stiefkindje lange tijd behandeld werd) zit natuurlijk ook een beetje in de weg van dat beeld van Nederland als protestantse natie.

  2. 2

    @1 Das toch ook zuid-europa/polen in het klein? Door de calvinisten meegetrokken in de vaart der volkeren. Dankzij de kruimels uit het westen net iets beter af dan die decadente luiwammesen in italië. Limbabwe

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

| Registreren