Hulspas weet het | Oudste leven, dunne soep

COLUMN - En weer is afgelopen week het oudste leven ontdekt. Dat is wereldnieuws natuurlijk, voor de zoveelste keer. Want de armlastige wetenschapper moet zijn geld nu eenmaal binnenharken door opmerkelijke ontdekkingen te verkondigen, en wetenschapsjournalisten worden betaald om groot nieuws te brengen. Deze ‘framing’ van de vondst als microfossielen was dus onvermijdelijk. En vervolgens had iedereen het weer over bacteriën, eiwitten en uiteraard verre planeten waar op dit moment de oersoep nog volop te vinden zou zijn. Maar wat is er nu écht gevonden? En is dat leven?

De microfossielen waar de wereld eventjes wakker van lag zijn minuscule buisjes, dunner dan haren, opgesloten in stukjes gesteente die voornamelijk bestaan uit zirkonium (een element, een metaal) die op hun beurt weer ingesloten zitten in dikke lagen gestolde lava. Die lava laat zich redelijk goed dateren, en dan kom je op 3,7 miljard jaar. De opgesloten stukjes gesteente moeten dus wel ouder zijn, maar hoeveel ouder is onbekend. Volgens de ontdekkers moeten die buisjes in dat zirkonium een biologische oorsprong hebben. Ze lijken namelijk op buisjes die aangetroffen zijn in gesteenten in Noorwegen en Californië, en die (daarover wordt niet echt gediscussieerd) toegeschreven worden aan bacteriën die rondhingen in de buurt van onderzees hete bronnen. Verder vonden de wetenschappers ingesloten in datzelfde zirkonium sporen van mineralen die geassocieerd worden met biologische processen. Al met al genoeg reden (vinden de wetenschappers) om te spreken van het oudste bewijs voor leven op aarde.

Tot zover het wereldnieuws. Dan nu het koude water.

3,7 miljard jaar is oud, maar dat maakt de buisjes niet echt veel ouder dan wat we al hadden. Ze duiken, zoals gezegd, wel vaker op, die eerste sporen van leven. Niet zo lang geleden ontdekten onderzoekers in Australië vergelijkbare draadvormige structuren in zirkonium van pakweg dezelfde ouderdom. En een andere kandidaat voor ‘sporen van het oudste leven’ werd onlangs gevonden in Groenland.

In feite gaat het steeds om vrije associatie: om geochemische structuren die onderzoekers aan leven doen denken. En er zijn dan ook steeds weer genoeg deskundigen die geen last hebben van dergelijke associaties en roepen dat we de creatieve vrijheid van dode mineralen niet moeten onderschatten. Wanneer zij gaan kijken, komen ze meestal tot andere conclusies. Van de Australische sporen staat inmiddels al een tijdje vast dat ze op niet-biologische wijze zijn ontstaan. En juist afgelopen week publiceerde Nature een artikel waarin ook de Groenlandse vondst koeltjes aangeduid wordt als niet per se biologisch. Is dat het laatste woord? Uiteraard niet. Maar het is wel duidelijk dat in deze tak van sport de zucht naar publiciteit het gewonnen heeft van de voorzichtigheid.

Ook de recente vondst in Canada werd dus vrijwel onmiddellijk bedolven onder een berg van kritische, ongelovige reacties. Alleen de ontdekkers zélf blijven volhouden dat die buisjes sporen van leven moeten zijn. En daarmee scheppen ze ook weer een probleem.

Die buisjes suggereren dan dat het leven zo rond vier miljard jaar geleden al behoorlijk ontwikkeld was. De oersoep was toen nog maar nauwelijks op gang gekomen. Ergo: het ontstaan van leven kan dan eigenlijk niet zo ingewikkeld zijn. Dat laatste werd dan weer gepresenteerd als goed nieuws voor alle exoplaneten met magere levenskansen. De vondst zou dan bewijzen dat leven echt bijna overal, lekker snel, en zonder veel moeite kan ontstaan. De opgeklopte claim leidde zo tot nog veel meer opgewonden kreetjes in de media.

Het wachten is uiteraard op het team niet-gelovige onderzoekers dat deze sporen onder de microscoop neemt, en een kritische analyse uitvoert – een team dat niet wegdroomt bij mooie buisjes en niet bijster geïnteresseerd is wat bacteriën drieënhalf miljard jaar later aan buisjes konden bouwen. Daarna staan we waarschijnlijk weer met lege handen. Tot er elders weer buisjes opduiken, natuurlijk.