Hulspas weet het | Wat leerde Hitler van Wagner?

COLUMN - Wie zullen we de schuld geven voor Hitlers racisme en antisemitisme? In de afgelopen halve eeuw zijn verschillende potentiële daders aangewezen. Hitler zélf suggereerde in Mein Kampf dat hij al vóór de Eerste Wereldoorlog ‘inzag’ dat de joden de bron waren van alle kwaad, met als gevolg dat latere auteurs op zoek gingen in Wenen, bij de beruchte burgemeester Karl Lueger (die de verkiezingen won dankzij een antisemitisch programma maar eenmaal aan de macht geen enkele antisemitische maatregel nam), of bij Weense randfiguren als Jörg Lanz von Liebenfels.

Maar het is inmiddels duidelijk dat Hitlers antisemitisme pas ná de Eerste Wereldoorlog ontstond. Mein Kampf geeft (dus) geen inzicht in zijn bronnen, en ook een analyse van de tekst biedt geen helderheid. Hitler las alles wat los en vast zat, of zoals Ewoud Kieft in Het verboden boek schrijft (zie hier mijn eerdere recensie) (p. 139):

Met lezen bedoelde Hitler grasduinen, het doorbladeren van een boek totdat je iets vindt wat je wereldbeeld bevestigt. (…) Hij verzamelde wat hem te pas kwam, rukte het uit zijn verband en legde het in het mozaïek van zijn wereldbeeld. (…) Van iemand die welbewust zijn intellectuele bronnen aanpast om zijn eigen standpunten te bevestigen, val moeilijk te zeggen wat nu werkelijk zijn denken heeft beïnvloed.

Maar dan volgt op dezelfde pagina de stellige opmerking:

De grootste invloed op zijn ideeën, een die wel duidelijk aantoonbaar is, kwam niet van een schrijver of wetenschapper, maar van een componist: Richard Wagner. Al op zijn zestiende was Hitler volledig in de ban van Wagners grootse muziekspektakels, die toen ongekend populair waren in Europa.

Na enige opmerkingen over Gesamtkunstwerk, graalridders en de door Wagner gepropageerde nieuwe bezieling, volgt:

Hitler kon, volgens zijn toenmalige vriend en huisgenoot August Kubizek, in religieuze vervoering raken bij het zien van een Wagneropera (…) Toen Hitler net in Wenen woonde, was hij in korte tijd tien keer naar uitvoeringen van Lohengrin gegaan, die altijd zijn favoriete Wagneropera zou blijven.

Wagner zou dus een ‘duidelijk aantoonbare’ invloed zijn. Het blijft een raadsel waar Kieft dit op baseert. Hij geeft geen uitleg of toelichting. Je zou verwachten dat Kieft Wagner racisme en antisemitisme onder de loep legt en vergelijkt met die van Mein Kampf. Maar na het Kubizek-citaat laat hij het onderwerp gewoon vallen.

Wat zegt Hitler daarover? De enige keer dat Wagner echt ter sprake komt in Mein Kampf, vergelijkt Hitler de vervoering in het muziektheater met de sfeer tijdens een kerkdienst en bij een geslaagde politieke bijeenkomst. Dat is alles.

Zijn Wagnerobsessie was uiteraard niks bijzonders. Zo rond 1910 barstte het in Wenen van de semi-intellectuele sloebers die in het theater een beetje afleiding zochten en zich de nieuwe Wagner waanden. Natuurlijk is Wagners werk doordrongen van het geloof in de uitzonderlijke rol van het Duitse volk. Maar antisemitisme komt eigenlijk alleen naar voren in zijn laatste werk, Parsifal (niet in Lohengrin).

Hoe zat dat ook alweer met Wagners racisme en antisemitisme? Dat is natuurlijk een uitgekauwd onderwerp, maar voor de goede orde hier toch maar even samengevat. Wagners beruchte bijdrage aan het antisemitisme was natuurlijk Das Judentum in der Musik (1850), een essay waarin hij beweerde dat Joden geen diepzinnige muziek konden componeren of reproduceren; ze behoorden immers niet tot een écht volk, het waren kosmopolieten. Joden waren uitsluitend in staat om goede muziek te imiteren, om daarmee oppervlakkige luisteraars te misleiden en te vermaken. Het échte (maar nooit bij name genoemde) mikpunt van deze kritiek was de immens populaire (en joodse) componist Giacomo Meyerbeer, die de jonge Wagner in zijn Parijse jaren (1839-1842) heeft proberen te helpen. Meyerbeer was uiterst vriendelijk; hij zag in dat zijn protegé een groot componist kon worden én een kruiwagen nodig had. Maar voor de zwaar gefrustreerde Wagner was deze hulp onverdraaglijk en uiteindelijk zou hij de goed bedoelende Meyerbeer gaan haten tot op het bot – en diens muziek zwart maken in dat essay.

Wagner, die zich tot de culturele paus van Duitsland ontwikkelde, heeft later nog heel veel geschreven over kunst, muziek, drama en de wederopleving van de Duitse Geist, maar niks dat je echt racistisch of antisemitisch kunt noemen. Dankzij zijn schoonzoon Houston Stewart Chamberlain leerde hij het werk van de graaf De Gobineau kennen, waar hij veel in herkende (zo noteerde zijn vrouw Cosima in haar dagboek), maar die interesse bleef binnenskamers.

Toen de beruchte antisemiet Bernhard Förster Wagner in 1880 vroeg om een anti-Joodse petitie te tekenen, was de componist een van de weinige (en een opvallende) weigeraars. Waarschijnlijk vond hij zo’n handtekeningenactie vulgair maar wat ook meespeelde was dat zich onder zijn ‘hofhouding’ in Bayreuth vele vooraanstaande joodse musici bevonden (die Förster verafschuwden). Wagner erkende hun unieke kwaliteiten. Zijn favoriete dirigent was Hermann Levi en zijn ‘huispianist’ was de al even joodse Joseph Rubinstein. En zo waren er meer.

Latere auteurs beschuldigden deze joodse dwepers van ‘joodse zelfhaat’. Maar die diagnose legt de nadruk te veel op hun (raciale) joods zijn. Het punt is: zij voelden zich geen jood, lid van een volk; zij voelden zich door hun joodse achtergrond ‘besmet’. Zij wilden perfecte Duitsers worden. Zo Duits als Wagner.

Wagner geloofde in zijn laatste levensjaren dat ‘joods’ geen geloof was en ook geen raskenmerk, maar meer een soort van intellectuele besmetting waarvan men kon genezen door harde geestelijke oefeningen – en door goed te luisteren naar wat de grote Wagner te vertellen had, uiteraard. Hij liet zich daar in Bayreuth, zou je kunnen zeggen, omringen door ‘hofjoden’ die hoopten dat de grote meester hen kon ‘genezen’. En dat beviel de meester zeer. Toen de dokter van het toneel verdwenen was, en begraven, pleegde Rubinstein zelfmoord. Niemand kon hem immers nog redden.

Ziedaar het antisemitisme van Wagner: de jood was geen ras, de jood was een zieke. En Wagner was de grote dokter. Het is een grootheidswaan mijlenver verwijderd van die van Adolf Hitler. Dat ‘aantoonbare invloed’ beschouw ik dan ook als een merkwaardige uitglijer in een verder uitstekend boek.

  1. 1

    In je eerdere review van het boek zeg je ook al dat antisemitisme toen vrij gewoon was, en er tientallen meer en minder succesvolle rechtse antisemitische volksmenners rondliepen. Waarom zou voor dat van Hitler dan zo’n speciale verklaring moeten bestaan?

    Was misschien gewoon de geest van de tijd ingekleurd in het individu?

    Fortuyn’s vroege moslimhaat verklaart omdat ie homo was en er in die kringen nog veel homodiscriminatie is.
    Wilders’ moslimhaat en blonde kapsel verklaart omdat ie zelf ook een soort van allochtoon/halve indo zou zijn, en omdat ie in een Kibboets in Israël heeft gewoond.
    Ebru Umar’s moslimhaat als gestopte roker, die altijd het extreemst tegen roken zijn en omdat ze het gevoel heeft zich extreem af te moeten zetten tegen haar moslims om er zelf niet onder gerekend te worden.

    Maar verklaart dat nou echt iets? Voor elk van die 1.3 miljoen mensen die op Wilders gestemd hebben is vast iets te bedenken, maar ondertussen heb je misschien meer aan algemene verklaringen voor de hele anti-moslim-beweging dan aan zulke individuele details.

  2. 4

    @0:“Wat leerde Hitler van Wagner?”
    Het antwoord geef je zelf:
    “De enige keer dat Wagner echt ter sprake komt in Mein Kampf, vergelijkt Hitler de vervoering in het muziektheater met de sfeer tijdens een kerkdienst en bij een geslaagde politieke bijeenkomst. Dat is alles.”

    Hitler leerde van Wagner hoe een goede politieke bijeenkomst te houden die het publiek in vervoering bracht. Dat is ook het belangrijkste wat Hitler onderscheidde van die tientallen meer en minder succesvolle rechtse antisemitische volksmenners.

  3. 5

    @3:
    Ik bedoelde dat zijn “volgers” hem alleen om zijn muziekkeus achterna sjouwen en zijn A4-tje voor lief nemen ;-)

    Geert vindt zichzelf natuurlijk een held en gebruikt de muziek alleen om zich op te peppen, om zijn o.h.-toespraken te houden.