Het machinisme van Arjen Kleinherenbrink

RECENSIE - De tijd van de grote verhalen, de grands récits, is voorbij. Het is alweer veertig jaar geleden dat de Franse filosoof Jean-Francois Lyotard die stelling poneerde. In de wereldpolitiek lijkt ze alweer achterhaald – daar draait het om nationalisme, salafisme en America First –  maar in de filosofie kondigde deze uitspraak de geboorte van het postmodernisme aan. Democratie, wetenschap, kapitalisme, communisme – de oude overkoepelende principes van het modernisme hadden afgedaan. Entree een nieuw tijdperk voorbij de grote verhalen.

Sindsdien zoeken postmoderne filosofen als Serres en Deleuze naar een nieuwe visie op de wereld en de werkelijkheid. Niet vanuit abstracte principes (elementaire deeltjes, genen, het geld, de vooruitgang) maar, zeg maar noodgedwongen, ‘van onderop’. Vanuit de verschijnselen die we direct waarnemen. En bij die zoekers voegt zich nu de Rotterdamse filosoof (postdoc aan de Erasmus Universiteit) Arjen Kleinherenbrink, met een geheel eigen filosofie, het ‘machinisme‘.

Er bestaan nogal wat dingen. Onthutsend veel zelfs. (…) gasleidingen, superhelden, smartphones., longen vrijpartijen, universiteiten…

Zo opent Kleinherenbrink zijn boek Alles is een machine. Hij wil het over ‘dingen’ hebben in de meest brede zin van het woord. (Om ons daaraan te herinneren, keren dergelijke lijstjes regelmatig terug in het boek). Bouwend op het denkwerk van mensen als Michel Serres en Gilles Deleuze poneert hij dat elk ding (van een baksteen tot het christendom) een viervoudige structuur heeft.

Dankzij een ‘buitenkant’ kunnen dingen met elkaar relaties aangaan; relaties waarvan het karakter bepaald wordt door het verleden van de dingen. Die relaties kunnen de ‘binnenkant’ van het ding beïnvloeden. (Zoals partijleden een politieke partij kunnen ‘sturen’) maar daarbinnen, in elk ding, bevindt zich tevens de essentie van het ‘ding’, een kern die zich in geen enkele relatie helemaal blootgeeft en dus fundamenteel onkenbaar is. (‘Ieder ding,’ schrijft Kleinherenbrink, ‘is fundamenteel ongrijpbaar spul‘.)

Daarom komen we nooit te weten wat het écht is om een steen, een vogel of een ander mens te zijn. Net zoals alle foto’s van een dorp tezamen nooit ‘het dorp’ maken met alles waar dat begrip voor staat. Maar ondertussen wordt die kern dus wel beïnvloed door die relaties aan het ‘oppervlak’ van het ding Die vormen haar verborgen vermogens. Dat alles maakt het ‘ding’ in wezen tot een machine. Een object dat informatie opneemt, opslaat, transformeert en uitzendt. Vandaar: alles is een machine.

En daar komt bij dat een relatie tussen twee machines weer een nieuwe unieke machine schept. Een nieuw onderdeeltje van de maalstroom aan dingen die ons op elk moment omringen. Een voorbeeld van Kleinherenbrink (p. 80):

Op dezelfde manier genereren twee geliefden vanaf het geven van hun jawoord hun huwelijk, een derde machine die niet tot hen te reduceren is. Hoe twee partners en de mensen om hen heen dat huwelijk ervaren is slechts een oppervlakkige benadering of vertaling van een dieper liggende kern. Juist daarom kan een huwelijk altijd spannend en verrassend blijven of juist problematisch en zwaarwegend worden. We moeten dus oog krijgen voor het feit dat lang niet alle machines zichtbaar of gemakkelijk meetbaar zijn. Integendeel, de meeste ervan ontsnappen aan onze aandacht.

Kleinherenbrink schrijft helder en vlot. De (schaarse) citaten van zijn postmoderne leermeesters steken duister af bij zijn heldere proza. Alles is een machine is daarmee tevens een heldere introductie bij het denken van een duister formulerende (en daarom vaak ridiculiseerde) generatie filosofen. Maar nooit verliest hij zijn doel uit het oog. De hele werkelijkheid, inclusief tijd en ruimte, is bij Kleinherenbrink niet anders dan een wirwar van machines en hun relaties. We zijn een machine, bestaande uit machines, gevormd door de machines die ons in oneindige, steeds groter wordende aantallen omringen.

Deze aanpak biedt geen vergezichten zoals we die krijgen van de oude grote verhalen, van een godsdienst, of  van de verkondigers van ‘alles is natuurkunde’. Velen zullen dit opgebroken wereldbeeld dan ook als vaag, primitief en weinigzeggend beschouwen. Deprimerend, zelfs. Wat kunnen we hier nu mee verklaren?

Dan toch liever de mooie verhalen van weleer, ook al lieten die grote steken vallen. Misschien zijn het de eerste stappen op een lange weg; misschien op een doodlopende weg. Hoe dan ook, Kleinherenbrink verbindt hier (nu al) een morele boodschap aan. In de laatste twintig pagina’s waarschuwt hij voor monsterlijke machines die ons kunnen overheersen. Zaken als drugs, religie en nationalisme. Wij, mensen/machines, hebben de taak om onze ervaring zoveel mogelijk te verrijken, onze vermogens steeds opnieuw te vormen en in te zetten en zo steeds weer nieuwe, nuttige machines te creëren. Banden, vriendschappen, organisaties die anderen bijstaan in hetzelfde streven.

Het is een morele plicht om ruimte te behouden voor steeds weer nieuwe interacties (omgevingen, ervaringen, ontmoetingen). Een moreel juist mensenleven ‘bestaat uit eindeloze series passages door allerlei machines die we contracteren en waar we onze vermogens aan overhouden.’ Of, zoals hij het tot slot formuleert, een mens:

weigert om op een andere manier te reizen dan deze: bepakt, bezakt, altijd verzamelend, zelf veranderend, en vooral voorbereid om iets volkomen nieuws en onverwachts op zijn pad aan te treffen.

Het moet gezegd, Alles is een machine was voor mij zo’n onverwachte ontmoeting.

Arjen Kleinherenbrink, Alles is een machine. Uitgeverij Boom, 274 blz., 20 euro.

Reacties zijn uitgeschakeld