Het gevaar van een bankierseconomie

Donkere wolken verzamelen zich boven London City (Foto: Flickr/Trenchfoot)

Het failliet van de IJslandse economie is inmiddels bijna spreekwoordelijk, maar de Britse economie lijkt bijna evenveel problemen te hebben. Niet alleen is het land inmiddels officieel een recessie ingegaan, maar insiders spreken inmiddels over de Londense City, het financiële centrum van de wereld, als het “Reykjavik aan de Theems”. De financiële sector in Groot-Brittannie is goed voor zo’n 10% van het BNP, en dat getal wordt nog veel groter als je alle bedrijven meerekent die er direct van afhankelijk zijn voor klandizie (advocatenkantoren, consultancy’s). De neergang van de financiele wereld betekent daarmee onherroepelijk de neergang van de Britse economie.

Nu geldt dat natuurlijk voor wel meer sectoren. Als een land afhankelijk is van autoproductie, en die sector doet het slecht, dat heeft dat natuurlijk economische consequenties. Maar in bijna geen enkele sector kan het verval zo snel en zo compleet zijn als in de financiële wereld. Het afsterven van agrarische, industriele of dienstensectoren is doorgaans een langzaam proces, zodat een land zich tijdig kan aanpassen door over te stappen op iets anders. Maar een bank of hedge fund kan, zoals we zoveel hebben gezien de afgelopen maanden, in één klap failliet gaan, zonder enige waarde achter te laten.

En de Britse overheid heeft deze situatie zelf gecreeerd. De afgelopen jaren is een bewust beleid gevoerd om de financiële sector zo veel mogelijk te steunen: met minimale regels en een zo sterk mogelijke pond. Dat dit met name ten koste ging van de toch al kwakkelende Britse industrie, wier producten hierdoor schreeuwend duur werden, werd op de koop toe genomen. Het leverde immers een enorme economische groei op en maakte de Britten tot de economische tijgers van Europa. Tot het mis ging.

In zeker zin hadden de Britten lering kunnen trekken uit de geschiedenis van een andere bankierseconomie: de Nederlandse republiek in de achttiende eeuw. Amsterdam bleef, lang nadat de handels en industriele voorsprong van de zeventiende eeuw was verdwenen, als financieel wereldcentrum de drijvende kracht achter de Nederlandse economie. En door de nauwe banden tussen de bankiers en de leiders van de republiek, niet in het minst door de simpelweg overweldigende Nederlandse staatsschuld, zorgde de republiek ervoor dat de belangen van de bankiers zoveel mogelijk behartigd bleven. Ook als dat ten koste ging van andere sectoren. Toen binnenmarcherende Franse troepen uiteindelijk een einde maakten aan de financiële dominantie van de Republiek, stond dit land economisch gezien met lege handen.

Wat dat betreft is het historisch gezien wellicht correcter om te spreken van “Amsterdam aan de Theems”.

  1. 3

    Het is inderdaad behoorlijk doemdenken, maar steeds meer mensen geloven in het verlagen van de belastingen om de economie te stimuleren… Duitsland heeft het al gedaan, wie volgt??

  2. 5

    @2

    Maar zoals je zelf al zei was er toen sprake van oorlog en buitenlandse overheersing. Dat is toch heel iets anders dan een normale conjunctuur.

    Embargo’s, blokkades, bommen en plunderende troepen kunnen anders ook een agrarische of industriële economie, of een gebaseerd op handel, abrupt in een afgrond gooien.

    Ook zie ik IJsland nog niet zo snel in een 3e-wereldland veranderen. En Engeland al helemaal niet, daar is nog wel een buffertje.

  3. 6

    maar steeds meer mensen geloven in het verlagen van de belastingen om de economie te stimuleren.

    Als ik mag kiezen tussen de mening van de huidige nobelprijswinnaar economie, die belastingverlagingen geen goed idee vindt, en een onbekende commentposter…

    Oh sorry, da’s geen keuze.