Goed volk | Volksweerkunde en ijsheiligen

COLUMN - De meteorologen van het KMNI baseren hun weersvoorspelling op satellietfoto’s, modellen, instrumentmetingen, expertise en een jarenlange wetenschappelijke opleiding. Vroeger beschikte men uiteraard niet over deze kennis en methoden. Toen in de 19e eeuw de wetenschappelijke weerkunde tot ontwikkeling kwam had het volk daar bovendien niet direct toegang toe vanwege de beperktheid van de media toen. Maar omdat weersvoorspelling vooral voor boeren, vissers, zeevarenden en dergelijke beroepsgroepen essentieel was (en is), ontwikkelde deze beroepsbevolking een eigen manier om het weer te voorspellen.

Grijs gebied

Hun weersvoorspelling was hoofdzakelijk nu eens niet gebaseerd op bijgeloof, maar op jarenlange, zo niet eeuwenlange ervaring, zonder dat men precies wist wat voor natuurwetten daarachter zaten: bepaalde atmosferische verschijnselen, maar ook het gedrag van dieren, werden simpelweg gekoppeld aan het weer dat daarop zou volgen. Vaste dagen en perioden in het jaar maakten deel uit van deze ervaringsoordelen en die werden verbonden aan een overheersende factor vanaf de Middeleeuwen: heiligendagen, de dag waarop het feest van een bepaalde heilige werd gevierd. En om een en ander goed te kunnen memoriseren en de voorspellingen aan volgende generaties door te kunnen geven, bedacht men allerlei weerspreuken.

https://commons.wikimedia.org/wiki/File:Josef_Gabriel_Frey_Ansichten_atmosp%C3%A4hrischer_Ph%C3%A4nomene_1878.jpg

Atmosferische verschijnselen

Toch was ook hier weer een grijs gebied tussen voorspellingen gebaseerd op ervaring en op bijgeloof. Als men bijvoorbeeld weersvoorspellingen koppelde aan bepaalde dagen van het jaar, zoals heiligendagen, werd de betreffende heilige ook aangeroepen inzake het weer. Dan was er dus sprake van zowel ervaring als volksdevotie en/of bijgeloof. En er waren ook voorspellingen die volledig gebaseerd waren op bijgeloof, voorspellingen op basis van verschijnselen waarbij het causaal verband niet of helemaal niet duidelijk is. De oorsprong van deze voorspellingen is in de regel onbekend.

Merkeldagen

De koppeling van bepaalde atmosferische verschijnselen aan bepaalde dagen of perioden van het jaar leidde tot het ontstaan van de zogenaamde merkeldagen, ook wel lotdagen genoemd. Het woord duikt voor het eerst in 1869 op. Een merkeldag is de aanduiding voor een dag die belangrijk is voor het lot van de mens of het weer: het weer op een merkeldag is bepalend voor het weer in de rest van de betreffende periode. Bij de merkeldagen hoorden uiteraard ook de voor die perioden kenmerkende weerspreuken, die gelinkt werden aan de heilige die volgens de heiligenkalender van de kerk van Rome zijn of haar naamdag viert op die betreffende dag.

Een van de bekendste merkeldagen is 20 juli, de eerste dag van de ‘hondsdagen’, gekoppeld aan Sint Margriet, met als bijbehorende weerspreuk (er zijn er vele die op deze dag slaan): ‘Regent het op Sint-Margriet, dan krijgen we zes weken een natten tied’. Regen op 20 juli voorspelt dus anderhalve maand met regen. Dat kan kloppen, want augustus is de maand met de hoogste luchtvochtigheid van het jaar.

Pisgriet

Sint Margriet is overigens geen Nederlandse bloemenheilige: de naam verwijst naar Margaretha van Antiochië, een martelares gestorven rond het jaar 305. Zij kreeg onder andere bekendheid doordat zij uit de buik van een draak ontsnapte, maar haar levensgeschiedenis heeft verder niets met het weer te maken. Het was, zoals bij de andere merkeldagen, toevallig haar naamdag die op 20 juli wordt gevierd.

https://nl.wikipedia.org/wiki/Margaretha_van_Antiochi%C3%AB#/media/File:St._Margaret_of_Antioch.jpg

Sint Margriet

Wel is ter verklaring van de regen die vanaf Sint Margriet, ook wel Pisgriet genoemd, valt, het volgende verhaal bedacht. Volgens dit relaas was het zo dat Margriet, als beloning voor een goede daad, een werk waaraan zij zou beginnen zes weken lang ononderbroken vol zou kunnen houden zonder moe te worden. Ze wilde gaan spinnen, maar bedacht op tijd dat het handig was voordat ze hiermee zou aanvangen eerst haar blaas te legen. Een van haar weerspreuken luidt dan ook: ‘St. Margriet houdt haar water niet’.

Abt Emo

Een voorbeeld van een middeleeuwse bron waarin weersvoorspellingen voorkomen is het Groningse ‘nationale epos’, de 13e-eeuwse kroniek ‘Cronica Floridi Horti‘ van abt Emo van Wittewierum cum suis. Geen Hollander zal van deze kroniek gehoord hebben, maar voor de Groningers is het een dermate belangrijk werk dat het niet alleen in het Nederlands maar ook in het Gronings werd vertaald. Historica Ynskje Penning werkte het verhaal in 2010 om tot een historische thriller met behoud van de historische feiten. Hij schreef bijvoorbeeld:

“De tekenen van zon en maan zijn de landbouwers aanbevolen om er op te letten. Want het is God die de lichten heeft gemaakt en de heerschappij van dagen en nachten. Als de zon zich bij haar opgang in nevels verbergt voorspelt dit regen. Als de zon straalt en het morgenrood bleek is voorspelt dit hagel. Een grijze zon voorspelt regen. Een donkere nieuwe maan betekent buien, een rode maan wind”.

De schrijver baseert zich dus niet alleen op ervaring, maar verwijst ook naar God zelf die garant zou staan voor de betrouwbaarheid van de ‘tekenen’.

Pagina’s uit de Cronica Floridi Horti (UB Groningen)

Compleet bijgeloof

Er zijn weersvoorspellingen die alleen op bijgeloof berusten. Sommige zijn logisch en gebaseerd op associaties, andere lijken kant noch wal te raken, al zijn er altijd wel wat associaties denkbaar. Een paar voorbeelden van de eerste soort:

“Regen, rechtstreeks gedronken (zuiver en direct uit de hemel) en het liefst op een kerkelijke feestdag, heeft toverkracht en is geneeskrachtig”.

Kerkklokken werden geluid tijdens onweer. Het idee was dat het ene geluid het andere zou verdrijven. De tekst ‘fulgora frango’ (ik breek de bliksems) komt regelmatig op kerkklokken vanaf de Middeleeuwen voor. Zo staat op de kerkklok van de San Giovanni Battista in Via Carraia: “Funera plango, fulgora frango, sabbata pango” (Ik rouw bij begrafenissen, ik breek de bliksems, ik roep op de sabbath).

Twee voorbeelden van de tweede soort: het doden van een kikvors zou regen brengen en het plukken van een klaproos zou onweer veroorzaken.

IJsheiligen

Er zijn in de volksweerkunde twee belangrijke perioden: de hondsdagen en de periode van de ijsheiligen. De hondsdagen vallen midden in de zomer, al is men het over de precieze data niet eens. De periode loopt van 18 of 20 juli tot tot en met 18 of 20 augustus. Het is de meest hete en vochtige periode van het jaar en de periode was berucht om het feit dat voedsel dan snel bederf. De naam is afkomstig van het sterrenbeeld Grote Hond.

Maar ik wil het specifiek over de ijsheiligen hebben aangezien we deze periode pas achter de rug hebben. Het gaat hier om het tijdvak van 11 tot en met 14 of 15 mei. Dit zouden de laatste dagen zijn waarop er nog nachtvorst mogelijk zou zijn waardoor jonge aanwas alsnog zou kunnen bevriezen. Deze vier of vijf dagen werden gekoppeld aan de heiligen die op die dagen hun feestdag hadden of hebben. Het zijn in chronologische volgorde:

  • 11 mei: Mamertus, een 5e-eeuwse bisschop uit Frankrijk. Hij voerde de ‘kruisdagen’ in: drie boetedagen in aanloop naar het feest van Hemelvaart. In deze dagen vonden processies plaats om onder andere noodweer af te weren en om de velden te zegenen ten einde een goede oogst te verkrijgen.
  • 12 mei: Pancratius, een 3e-eeuwse martelaar;
  • 13 mei: Servatius van Maastricht, in de vierde eeuw bisschop van Tongeren die rond 384 in Maastricht overleed. Servatius is legendarisch gezien een interessante figuur. Er werd in zijn ‘vitae’ uit de 8e en 9e eeuw beweerd dat hij een nakomeling was van Johannes de Doper en via een Armeens connectie zelfs een familielid van Jezus zelf, maar dit terzijde.
  • 14 mei: Bonifatius van Tarsus, niet te verwarren met de Bonifatius die in 754 bij Dokkum werd vermoord. Hij was een welgestelde Romein die in 307 de marteldood stierf. Vanaf 1969 is zijn verering niet langer verplicht (net als die van Sint Nicolaas), wat overigens iets anders is dan dat hij van de lijst van heiligen is afgevoerd.

https://it.wikipedia.org/wiki/Santi_di_ghiaccio#/media/File:Santi_di_ghiaccio.jpgDe vier traditionele ijsheiligen (Llorenzi, CC BY-SA 4.0)

Soms wordt aan de periode ook 15 mei toegevoegd, de feestdag van Sophia van Rome, ook een 4e-eeuwse martelaar. In Duitsland wordt 15 mei ‘Sophiendag’ genoemd, de dag van ‘kalte’ of ‘böse’ Sophie. Sophie was vanaf de 11e eeuw beschermheilige tegen nachtvorst.

De ijsheiligen treden voor het eerst op in bronnen rond het jaar 1000. Soms worden ze beperkt tot drie, aangezien drie een heilig getal is. IJsheiligen komen in grote delen van Noord-Europa voor. In Hongarije bijvoorbeeld vallen de drie ijsheiligen op Pongrác: 12 mei, Szervác: 13 mei en Bonifác: 14 mei. De laatste van de ijsheiligen valt op Orbán: 25 mei. Naar verluidt zal de wijn zuur zijn als het dan regent, maar als het helder weer is wordt de wijn zoet.

Einde van de volksweerkunde?

In 1854 werd door koning Willem III het Koninklijk Meteorologisch Observatorium, de directe voorloper van het KNMI, opgericht. De eerste hoofddirecteur was prof. C.H.D Buys Ballot (die van die wet) die zich blauw ergerde aan de onwetenschappelijke weersvoorspellingen die nog steeds in kranten en almanakken werden gepubliceerd. Vanaf dat moment drong de betekenis van de meteorologie voor de weersvoorspelling steeds meer door tot de samenleving.

Maar helemaal uitgestorven raakte de volksweerkunde niet, vooral dankzij de vele gemakkelijk te onthouden weerspreuken en de populaire praatjes indertijd door de eerste weerman: Jan Pelleboer (1924-1992), zoon van een veeboer. Pelleboer, die overigens wel degelijk een meteoroloog was, populariseerde de weersvoorspellingen van het KNMI en bracht ze vaak in verband met weersgesteldheden op overeenkomstige data in het verleden. Dat Pelleboer vaak naar eigen inzicht handelde, onafhankelijk van zijn werkgever het KNMI, bleek ook op 21 juni 1950, toen koningin Juliana en prins Bernhard een bezoek brachten aan Groningen, waarbij zij in een open koets door de stad reden. Pelleboer zag in Eelde ‘zwaar weer’ aankomen, belde onmiddellijk met de Groninger politie en gaf door dat er tegen zes uur een stortbui te verwachten was. Het programma van de Koningin werd versneld en bekort, en enkele minuten nadat zij binnen was, barstte vlak na zessen, een hevig onweer los. Pelleboer ontving hiervoor een bedankbrief van de hoofdcommissaris van politie van de stad Groningen, maar ook een berisping van het KNMI.

  1. 2

    Van mij mag je naast de IJsheiligen en de Hondsdagen ook de tweede februari aan het lijstje toevoegen. Afhankelijk van hoever je teruggaat Maria Lichtmis, St.Brigida of Imbolc.
    De Amerikaanse uitleg van die dag is misschien nog wel het helderst. Als op die dag de bosmarmot (Ground Hog) zijn hol uitkomt en zijn eigen schaduw ziet, kruipt het beestje weer voor zes weken terug, want dan is de winter nog lang niet voorbij. De meteorologische achtergrond is dat een hogedrukgebied rond die tijd inderdaad zeer bestendig is gebleken.

  2. 3

    D’r moet vast wel eens een knmi-meteoroloog onderzoek hebben gedaan naar de waarheid van weerspreuken. Tenslotte heeft het knmi vanaf 1906 weerstations die het weer zo goed mogelijk proberen te meten, dus je zou dat soort uitspraken prima moeten kunnen toetsen. En verdomd: komt maar net boven de ruis uit.