Goed volk | Middeleeuwse monsters

COLUMN - Het dierenrijk is grofweg te verdelen in drie categorieën: (1) levende c.q. bestaande dieren, (2) uitgestorven dieren en (3) fantasie- fabel- en mythologische dieren. Om deze laatste groep gaat het in deze blog en ik zal ze in het vervolg voor het gemak kortweg ‘fabeldieren’ noemen.

De toch al simpele onderverdeling is bovendien niet zo consistent als het lijkt, want er zijn de nodige dieren die vrolijk heen en weer wippen tussen deze categorieën. En dan gaat het niet zozeer om de reële kwaliteit van het betreffende dier, maar hoe het door onderzoekers beschouwd wordt. Zo werd in 1938 in Zuid-Afrika een levende Coelacanth gevangen en in 1998 nabij Indonesië een tweede, een vis waarvan de wetenschap van mening was dat die zo’n 65 miljoen jaar geleden was uitgestorven. De Coelacanth promoveerde vervolgens van categorie 2 naar categorie 1.

In Siberië was al geruime tijd door inscripties op stèles een imposant dier bekend dat door onderzoekers naar het rijk der fabelen was verwezen, tot het een paar honderd jaar later een skelet van het beest werd gevonden; het bleek ‘gewoon’ een onbekende dinosaurussoort te zijn en zo promoveerde het dier van categorie 3 naar 2.

Cryptozoölogie

Fabeldieren kan men als wetenschapper met een gerust hart bestuderen vanuit gevestigde wetenschappen als de antropologie, etnologie, geschiedkunde en dergelijke. Men bestudeert dan niet zozeer het dier zelf als wel de context. Een lezenswaardig boekje hierover is bijvoorbeeld Yeti jagers‘(2008) van antropoloog en jurist Tjalling Halbertsma, die in Mongolië de Verschrikkelijke Sneeuwman achterna ging en terecht komt bij zowel wetenschappelijke als pseudo-wetenschappelijke onderzoekers.

De laatsten worden gerekend tot de cryptozoölogen, onderzoekers die fabeldieren vanuit de biologie bestuderen. Aangezien het niet aangetoond kan worden dat het bij fabeldieren om bestaande dan wel uitgestorven dieren gaat, wordt de cryptozoölogie als een pseudo-wetenschap beschouwd.

Toch was de vader van de cryptozoölogie, de Belg Bernard Heuvelmans (1916-2001), een academisch geschoold zoöloog. Dat de man een goede vriend was van de schepper van Kuifje, Hergé (zie m.n. Kuifje in Tibet, waarin een levende Yeti optreedt) pleit dan weer niet echt in zijn voordeel. Overigens heeft Heuvelmans een groot en betrouwbaar kaartsysteem aangelegd dat nog steeds gebruikt wordt.

Cryptozoölogen proberen aan te tonen, liefst door vondsten van levende of dode exemplaren, dat fabeldieren uit de mythologie en traditie (folklore) echt bestaan of bestaan hebben. Ze noemen deze dieren ‘cryptiden’. Deze zijn meestal groot of relatief groot van stuk wat hun kans op bestaan kleiner maakt, anders waren ze waarschijnlijk reeds ontdekt. De ‘ontmaskerde cryptide’ uit Siberië is wat dat betreft een uitzondering. Folkloristen c.s. die fabeldieren onderzoeken, zoals hellehonden, weerwolven, waterwolven e.d., zijn dus géén cryptozoölogen.

De verschrikkelijke sneeuwman

De hele cryptozoölogie is inmiddels uitgegroeid tot een subcultuur, te vergelijken met de ufologie. Het is niettemin onverstandig de resultaten van beide pseudo-wetenschappen helemaal te negeren. Er zijn ook cryptiden die door wetenschap als potentieel lang serieus genomen zijn. Een voorbeeld is de reeds genoemde yeti, die samen met het Monster van Loch Ness het bekendste fabeldier is. Nog in 1960 vond onder leiding van Sir Edmund Hillary (1919-2008), de eerste mens die (met sherpa Tenzing) de top van de Mount Everest bereikte, een wetenschappelijke expeditie in de Hymalaya plaats op zoek naar sporen van de Yeti.

Die werden niet gevonden. Wel werden in tempels scalpen gevonden die de monniken aan de Yeti toeschreven maar na onderzoek afkomstig bleken van beren en berggeiten. Hillary concludeerde:

The yeti is not a strange, superhuman creature as has been imagined. We have found rational explanations for most yeti phenomena.

Hillary heeft de Yeti-expeditie beschreven in zijn High in the Thin Cold Air (1962), in het Nederlands vertaald als Hoog in de ijle lucht (Amsterdam 1962), voor liefhebbers een absolute aanrader.

Observatie- en interpretatiefouten

De genoemde conclusie van Edmund Hillary brengt ons bij het volgende onderwerp waarbij we gaan afzakken naar de Middeleeuwen: de foute waarnemingen en foutieve interpretaties. Deze zijn van alle tijden, maar hoe ouder de waarnemingen, des te meer fouten.

De middeleeuwer had uiteraard niet het instrumentarium tot zijn beschikking dat megentiende-eeuwers bezaten, laat staan de hulpmiddelen van onze tijd. Hoewel er in de Late Middeleeuwen lenzen beschikbaar kwamen, werden waarnemingen en expliciete observaties in de regel gedaan met het blote oog. Vooral als er onbekende dieren werden waargenomen, sloeg de fantasie van de middeleeuwer nog wel eens op hol.

Daarnaast wil het perspectief van het landschap zorgen voor een onzuivere waarneming: een object in een strakblauwe lucht, onafzienbaar sneeuwveld of een eindeloze, rimpelloze zee lijkt groter dan in andere observaties. Aldus meende men dieren te zien, meestal monsterachtigen, die heden ten dage gewoon bekend zijn als bestaande fauna, maar die in de middeleeuwse fantasie, ingegeven door angst en visserslatijn, (veel) groter en kwaadaardiger gemaakt werden dan zij in werkelijkheid waren en zijn.

De grote kraakvis

Tekening van Pierre Denys de Montfort naar de beschrijvingen van Franse zeelui die meldden voor de kust van Angola te zijn aangevallen door de kraken (1810)

Zo was er bijvoorbeeld de kraken, een gigantische achtarmige reuzeninktvis. Soms leidden zeelieden uit groepjes eilanden voor een kust af dat het moest gaan om een massa hoofden, horens en zwaaiende tentakels, die zelfs de grootste schepen konden vastgrijpen en laten zinken. De verhalen rond de kraken zijn waarschijnlijk gebaseerd op waarnemingen van werkelijk bestaande dieren, die wellicht aangespoeld waren op het strand. Later is door de wetenschap geconcludeerd dat het hier waarschijnlijk ging om de Enteroctopus Dofleini, een reuzeninktvis.

De speelfilm Dead Man’s Chest (2006) uit de filmserie ‘Pirates of the Caribbean’ geeft waarschijnlijk goed aan wat middeleeuwse en latere zeelieden zich voorstelden bij een aanval van de kraken: eerst verwoest hij een deel van het schip, door bijvoorbeeld masten te breken. Vervolgens slaat hij met zijn twee grootste armen het schip doormidden en tilt de voor- en achterzijde van het schip op, waardoor het een V-vorm krijgt. Daarna plaatst hij zijn bek zo dat de hele bemanning in zijn bek schuift. Onvermeld mag ook niet de onsterfelijke uitspraak van kapitein Haddock (Kuifje) blijven: “De grote kraakvis moge mij kraken”.

Nog meer fantasiefauna

De middeleeuwers begrepen maar weinig van de oceaanfauna en dat prikkelde hun fantasie. Men geloofde in navolging van de Romeinen dat de zee uitermate vruchtbaar was en hieruit de meest uiteenlopende creaturen konden ontstaan. Oude zeekaarten, waar deze fabeldieren op werden afgebeeld, zijn derhalve een belangrijke bron voor maritieme fabeldieren.

Er zijn nog vele voorbeelden te noemen van fabeldieren uit de literatuur en folklore die later met grotere of mindere zekerheid zijn te identificeren als bestaande dieren en die daardoor promoveerden, zij het met de nodige modificaties, van categorie 3 naar 1. Ik noem nog de basilisk, die waarschijnlijk is afgeleid van de koningscobra.

Op 10 januari j.l. promoveerde kunsthistorica Marjolein Zijlstra aan de RUL op het proefschrift De zee-eenhoorn in kaart gebracht. Zij beschrijft daarin hoe de watervariant van de eenhoorn, die in de 13 eeuw voor het eerst werd genoemd door Vincent de Beauvais (1190-1264), een Franse monnik en auteur van Speculum Naturale, een encyclopedisch werk over de natuur, uiteindelijk de bestaand walvissoort narwal bleek te zijn. Dit was al bekend, maar Zijlstra zette in haar dissertatie de zaken netjes op een rij. De mannelijke narwal heeft n.l. één slagtand (soms gewoon twee) die als twee druppels water lijkt op de gedraaide hoorn van een gewone land-eenhoorn. De vergelijking lag dus voor de hand.

Schriftelijke bronnen

De eenhoorn brengt ons bij de volgende paragraaf: de bronnen van de beschrijvingen van fabeldieren. In tegenstelling tot fabeldieren uit de rest van de wereld, bijvoorbeeld de folklore over de Mongoolse yeti uit het boek van Halbertsma, berust gedurende de Middeleeuwen de informatie over fabeldieren behalve uit verhalen van – meestal – zeelieden in de eerste plaats uit tekstuele overleveringen. Dit konden primaire bronnen als reisverslagen zijn van bijvoorbeeld Marco Polo of Jan van Mandeville, maar op de eerste plaats kwam de Bijbel en met name het Oude Testament.

Dit laatste was nogal tricky aangezien er aan de Bijbel niet getwijfeld mocht worden. In dit boek komen de nodige fabeldieren voor: de basilisk, de leviathan, de griffioen en in het Nieuwe Testament de draak. Een nogal slordige rol speelt de eenhoorn, die op negen plaatsen in het Oude Testament voorkomt, aangezien deze benaming op een vertaalfout berust die pas eeuwen later werd gecorrigeerd dankzij de toegenomen kennis van het Hebreeuws.

H Margaretha van Antiochië met een eenhoorn

De benaming eenhoorn is terug te vinden in oudere Nederlandse vertalingen als de psalter van Sint-Petersburg (olim Leningrad), de Bijbel van 1360, de Delftse Bijbel van 1477 en de Statenvertaling van 1637. Echter, de Gereformeerde Bijbelstichting heeft het in 2004 gepresteerd om in zijn uitgave van de Statenbijbel (gebaseerd op de uitgave uit 1657) met herziene kanttekeningen , het woord ‘eenhoorn’ doodleuk te laten staan en heeft zelfs de betreffende kanttekeningen niet aangepast.

Het woord wordt tegenwoordig vertaald met termen als oeros, woudos, wilde stier of buffel. Een van de eersten die kritiek had op de fabeldieren als werkelijk bestaande en levende wezens was de grote middeleeuwse denker Albertus Magnus.

Bestiaria

Secundaire bronnen voor fabeldieren gedurende de Middeleeuwen waren de bestiaria en de encyclopedieën, waarvan Der naturen bloeme van Jacob van Maerlant in het Nederlandse taalgebied wel de bekendste is. In deze twee soorten teksten komt de belangrijkste functie van de middeleeuwse fabeldieren naar voren: de allegorische en symbolische.

De bestiariumtraditie is ontstaan uit de Physiologus, één van de invloedrijkere teksten uit de wereldliteratuur. Deze tekst uit de Romeinse tijd bespreekt in een aantal korte hoofdstukjes de eigenschappen van een vijftigtal wezens uit de fauna (waaronder de eenhoorn en de feniks) en flora en verbindt daaraan geestelijke betekenissen. Een voorbeeld is het gedeelte over sirenen en kentauren (dit zijn Homines Monstruosi, dieren die gedeeltelijk mens zijn of andersom. Aristoteles noemt ze ‘tussensoorten’) die als voorbeeld worden gebruikt voor wezens die in eerste instantie prachtig zingen dan wel oprecht spreken, maar uiteindelijk tweedracht en ketterijen veroorzaken. Deze ambiguïteit is een beeld van de tweeslachtigheid van het menselijk gedrag.

De middeleeuwse mens maakt geen of weinig onderscheid tussen ‘gewone’ en fabeldieren. Ook zijn kennis over gewone dieren was niet optimaal. Zo werd van de krokodil gezegd dat hij moest huilen als hij een prooi verslond (ons woord ‘krokodillentranen’) en een berin baart geen kleine beertjes maar klompjes vlees die zij in de gewenste vorm likt (‘ongelikte beer’). En een wezel ontvangt sperma door haar mond en baart haar jongen door haar oor. De wezel is overigens wel de enige die een basilisk kan verslaan.

Wie het één en ander wil lezen over ‘gewone’ dieren in de Middeleeuwen (aap, egel, ezel, paard, worm etc., maar ook de griffioen en de draak): zie themanummer uit 2016 (nr 4) van Madoc – tijdschrift over de Middeleeuwen, getiteld ‘Dertig dieren in de Middeleeuwen’. En vergeet het aardige boekje van Prof. dr Bob Becking niet (Zonder monsters gaat het niet – een geschiedenis van de Leviathan, 2015) waarin hij stelt dat monsters handvatten bieden om de angsten van enkelingen en gemeenschappen te benoemen en hanteerbaar te maken.

  1. 2

    Toch knap dat die onderzoekers aan de hand van dat skelet konden vast stellen dat het precies om dat op die steles getekende beest ging. Of was hier misschien wens vader van de gedachte, net als met de Noord-Pacifische Enteroctopus Dofleini, die door middeleeuwse zeelui voor de kraken zou zijn aangezien?

  2. 4

    @2: Ik heb verhaal helaas uit m’n hoofd moeten citeren; ik had het slechts een paar weken geleden op internet gelezen. Ik heb mij suf gezocht naar de naam van het beest maar tot op heden niet gevonden. Als ik het alsnog tegenkom zal het nog tussengevoegd worden.