Goed volk | Kruisen in de openbare ruimte

COLUMN - Afgelopen vrijdag werd wederom herdacht dat Jezus van Nazareth rond het jaar 30 in Jeruzalem werd gekruisigd. Zoals u weet is het kruis sindsdien een belangrijk christelijke symbool. Dát het zo is gekomen, is eigenlijk toevallig: hadden de Romeinen misdadigers, politieke tegenstanders en dergelijke niet gekruisigd maar opgehangen, dan was de galg wellicht een christelijk symbool geworden. Hoe het kruis hét symbool van de christenheid is geworden, is een verhaal dat ik momenteel laat rusten. In plaats daarvan wil ik twee stukken wijden aan de plaatsing van kruisen in de openbare ruimte.

Het kruisteken bestaat al sinds onheuglijke tijden en in diverse varianten. In feite is het een min of meer archetypische voorstelling, een sjabloon dat al klaar lag om te worden gelegd over het christelijke kruis. Het is dus zo vreemd niet dat er kruisen verrezen in de openbare ruimte. Ze zijn in te delen in ruwweg vier groepen:

  1. kruisen in de formele traditie van de kerk, zoals grafkruisen;
  2. seculier-christelijke kruisen, zoals moordkruisen;
  3. kruisen in de volksreligie, zoals wegkruisen;
  4. kruisen in het bijgeloof, zoals afweerkruisen.

Er zijn twijfelgevallen. Van hagelkruisen kun je je bijvoorbeeld afvragen of ze tot de volksreligie behoren of tot het bijgeloof. Volgende keer behandel ik het moordkruis en het afweerkruis, vandaag wil ik eerst wat terminologische helderheid scheppen en iets vertellen over het kruis als archetype.

Terminologie

Zoals altijd is het moeilijk te komen tot een eenduidige terminologie. De begrippen zijn vaag, de grenzen zijn niet scherp en er blijven schaduwgebieden. Simpel voorbeeld: de definitie van ‘bijgeloof’ hangt af van de persoonlijke overtuiging van de onderzoeker. Laat ik desondanks proberen wat termen te definiëren.

1. Godsdienst: een gestructureerde en gereguleerde vorm van religie.

2. Volksgeloof (of volksvroomheid, volksdevotie, volksreligie): door de betreffende godsdienst geaccepteerde c.q. getolereerde, algemeen verbreide geloofsuitingen buiten de reguliere leer.

3. Volkscultuur: het geheel van culturele uitingen van het volk in tegenstelling tot de elitecultuur (hoewel deze simpele tweedeling allang ter discussie staat). In de Middeleeuwen, waarin veel nog bestaande uitingen van volkscultuur zijn ontstaan, was het verschil tussen elite- en volkscultuur minimaal.

4. Bijgeloof: in de woorden van de Van Dale: niet-religieus traditioneel geloof in bovennatuurlijke werkingen of verschijnselen die in het menselijk leven ingrijpen (en de daaruit voortvloeiende praktijk). Het kan door bepaalde handelingen of gedachten gestuurd, versterkt of juist geneutraliseerd worden.

Bijlgeloof komt voor uit onze ‘krokodillenhersenen’ (het zogenaamde neuraal chassis, dat bijzonder stabiel is en niet aan mutatie onderhevig) en is vermoedelijk een overblijfsel van overlevingsinstincten uit de oertijd. Vaak worden verbanden gelegd tussen feiten die in wezen niets met elkaar te maken hebben, zoals het idee dat een pen waarmee je een examen succesvol hebt afgelegd ook bij andere gelegenheden succes mogelijk maakt. Op dezelfde wijze werden heiligen voorzien van attributen en eigenschappen die de gelovigen beschermden.

En tot slot 5. Magie. De Wikipedia beschouwt het als de kunst om de werkelijkheid te manipuleren met behulp van speciale objecten, spreuken en rituelen op basis van ‘verborgen krachten’.

Magie is te beschouwen als de tegenpool van godsdienst. Gaat met name het christendom uit van een overgave aan God waarbij deze het laatste woord heeft, magie gaat uit van manipulatie van hogere machten waarbij de mens die machten de wet wil voorschrijven. Denk aan een antieke generaal die de goden een tempel toezegde in ruil voor de overwinning op een vijand.

Een wonderdadige Maria-medaille uit 1830

De grenzen tussen de categorieën zijn vloeiend en afhankelijk van de intentie. Zo kan het dragen van een wonderdadige medaille een uiting zijn

  • van volksgeloof: de drager hoopt dat degene die op de medaille staat afgebeeld bescherming biedt;
  • van bijgeloof: de drager gelooft dat de medaille een intrinsieke kracht bezit en dat het voorwerp hem/haar zal beschermen op voorspraak van degene die staat afgebeeld;
  • van magie: de drager gelooft dat het voorwerp een intrinsieke kracht bezit waardoor degene die staat afgebeeld hem/haar beschermen moet.

Volgende week zal duidelijk zijn waarom ik eerst terminologische duidelijkheid wilde scheppen. Nu eerst terug naar de kruisbeelden.

Archetype

Het kruis is een van de oudste archetypische voorstellingen. Anders gezegd: het behoort tot het collectieve erfgoed der mensheid en er zijn daardoor verschillende varianten. Die delen echter een vergelijkbare symboliek. Waar twee lijnstukken elkaar snijden, komen twee werelden bij elkaar, waarbij men het snijpunt kan karakteriseren met de inmiddels modieuze term thin place, beter liminal place: het punt waar de sluier tussen deze en gene wereld dun is of zelfs opgeheven wordt. En sinds onheuglijke tijden bestaat er voor wegkruisingen een bijgelovige angst.

Zo waren er tot in de negentiende eeuw speciale ‘dodenwegen’ waarlangs (al sinds de Middeleeuwen) de gestorvenen naar het kerkhof werden vervoerd. Het is niet helemaal duidelijk waarom die zijn ontstaan. Misschien wilde de kerk dat de doden linea recta naar het kerkhof werden getransporteerd om te voorkomen dat ze werden bijgezet in een grafheuvel, misschien werden de doden langs deze wegen vervoerd om te voorkomen dat, volgens het bijgeloof, de geesten van de overledenen terugkeerden om te gaan spoken.

Hoe dat ook zij, de weg naar het graf was gevaarlijk, vooral bij kruispunten: daar kon de duivel, komend vanuit de ‘otherworld’, de weg in het hier en nu kruisen en de gelovige ziel wegroven. Ter bestrijding van dit heidense bijgeloof gaf paus Leo III (r.796-816) opdracht op kruisingen kruisen te plaatsen en het bijgeloof om te buigen naar vertrouwen in de christelijke God.

De nog overgebleven (of relatief recent geplaatste) kruisen bij met name Limburgse kruispunten zijn een erfenis van het pauselijk beleid. Er bestaan ook theorieën dat kruispunt-kruisen zouden teruggaan op de Germanen, die geloofd zouden hebben dat geesten van overledenen zich op kruisingen verzamelden, maar om in de volkscultuur tradities direct door te trekken naar de Germanen is zoiets als op een academische bermbom gaan staan.

Een ander voorbeeld van het kruis als archetype: Utrecht kent een (bijna) perfect ‘kerkenkruis’. Dit zijn vier parochiekerken met de Dom in het midden, die als zodanig een beschermend kruis over de stad uitspreiden. Steden als Zürich, Paderborn en Goslar hebben eveneens een kerkenkruis. In de Middeleeuwen was dit een bewuste kerkelijke praktijk, nu zouden we zoiets al snel tot het volksgeloof rekenen.

Dit waren 1060 woorden met definities en uitleg over het kruis als archetype: een plek waar twee werelden elkaar snijden. Omtrekkende bewegingen dus. Volgende week zal ik meer ter zake komen en behandel ik  twee typen: enerzijds het moord- en poepekruis (jawel) en anderzijds het afweerkruis (inclusief het stiepelkruis) en het hagelkruis.

  1. 5

    @1: Of een vis (ichthus).
    Wat wel een heel wat sympathieker symbool is dan een martel- annex executiewerktuig. Maar de PR-afdeling van de toen nog jonge multinational had al snel door dat een kruis nèt dat tikkie krachtiger en multifunctioneler was.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

| Registreren